Artikelen

Nederland schiet in kramp bij crisis

Jan Luiten van Zanden - 20 feb 2009 - Economische geschiedenis, Openbare financiën - 1859 keer bekeken - 3 reacties

Door het onvermogen om creatieve oplossingen te formuleren, verergerde Nederland de crises in de vorige eeuw. Eerdere crises laten steeds starheid en conservatieve reflexen zien. Opnieuw valt het ergste te vrezen, denkt de economisch geschiedkundige Jan Luiten van Zanden.

Het is crisis. Of we het nu recessie noemen, of een lange recessie, of toch maar het d-woord - van depressie: we zitten in periode die veel aan de jaren dertig doet denken. Die depressie liep helemaal uit de hand doordat landen zich isoleerden, hun eigen koers gingen varen, en zich niets meer aantrokken van internationale spelregels. Het internationale economisch systeem viel daardoor uit elkaar, en kleine landen als Nederland werden daar enorm door getroffen.

In Nederland duurde die depressie zelfs langer dan elders. Terwijl men in Engeland, Duitsland of de VS al vanaf 1933 de weg naar boven wist te vinden, bleef de Nederlandse politiek steken in een conservatieve reflex. Een sluitende begroting (meer schijn dan werkelijkheid overigens) en het vasthouden aan de gouden standaard bepaalden in ons land het beleid. Daardoor eindigde de depressie hier pas in 1936 - toen eindelijk het goud werd losgelaten, overigens nog steeds zeer tegen de zin van premier Hendrik Colijn (ARP).

Crisisperioden als de jaren dertig, of meer recent, de jaren 1973-1982, betekenen dat er een eind gekomen is aan een bepaalde ontwikkelingsfase van de wereldeconomie. De jaren dertig markeerden het failliet van het ongebreidelde kapitalisme - het pure marktdenken - dat vanaf de negentiende eeuw het economisch beleid had gedomineerd. Nieuwe oplossingen moesten ontwikkeld worden om hier een uitweg uit te vinden. De New Deal van de Amerikaanse president Roosevelt is daarvan het beste voorbeeld, maar in de jaren zelf was er minstens zoveel aandacht voor andere alternatieven: de vijfjarenplannen van de Soviet-Unie met hun nadruk op geforceerde industrialisatie, de vierjarenplannen van de nazi's - bekend van de Autobahnen en de Volkswagen - of het linkse experiment dat de Franse regering Blum ontwikkelde. Vergeleken met dit brede scala aan min of meer creatieve antwoorden op de depressie, valt de starheid van de Nederlandse politiek des te meer op.

Hier kwam alleen de sociaal-democratie met nieuwe ideeën, zoals het in 1935 gelanceerde Plan van de Arbeid, geschreven door onder meer de latere Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen, en geïnspireerd op de ideeën van de Britse econoom Keynes. Maar Colijn en andere leidende politici zagen er niets in. Pas later, na 1945, zouden deze ideeën min of meer gemeengoed worden in de Nederlandse politiek.

Dit onvermogen om de bakens te verzetten en creatieve oplossingen te formuleren, doet ook denken aan de jaren zeventig en tachtig, toen de economie ook in zwaar weer terecht kwam. De oorzaken waren toen heel anders: interne problemen - inflatie, toenemende loonkosten, geringe rentabiliteit van het bedrijfsleven, een hoge lastendruk - bepaalden toen veel meer dan nu het beeld. Maar ook toen slaagde de politiek - de kabinetten Den Uyl en Van Agt-Wiegel - er nauwelijks in om de bakens te verzetten. Ook toen overheerste initieel de impuls om terug te grijpen op aloude recepten, die toen uit de koker van Keynes kwamen.

Maar omdat de economie zoveel interne zwakheden had, was juist de keynesiaanse benadering toen ongeschikt om de problemen op te lossen: nog meer overheidsuitgaven verergerden inflatie en begrotingsproblemen alleen maar. Pas met het aantreden van het eerste kabinet Lubbers in 1982, en het akkoord van Wassenaar van datzelfde jaar, werd de omslag naar een nieuwe benadering van de crisis gevonden.

De Nederlandse politiek is dus niet erg goed in depressiemanagement. Beide keren duurde het lang voordat men de vertrouwde recepten afzwoer, en doorhad dat de crisis op een nieuwe manier bedwongen moest worden. In de jaren dertig keerde men naar rechts - maar was Keynes vermoedelijk het 'democratisch alternatief'. In de jaren zeventig vertrouwde men nog te veel op Keynes, en was een zwenking naar rechts - naar de aanbodeconomie van Reagan bijvoorbeeld - op den duur noodzakelijk. In beide gevallen verergerde deze conservatieve reflex de crisis - in de jaren dertig vermoedelijk nog meer dan in de jaren zeventig.

De kern van het probleem is dat men over de eigen schaduw heen moet springen: bereid moet zijn zorgvuldig te analyseren wat de onderliggende problemen zijn, en een idee moet hebben welke richting de wereldeconomie op zal gaan. Een depressie, ook zoals we nu meemaken, lijkt steeds samen te gaan met een trendbreuk, en het vermogen daarop te anticiperen bepaalt in hoge mate het langetermijnsucces van het crisismanagement.

Het is niet goed afgelopen met de twee centrale figuren van het crisismanagement van de jaren dertig en zeventig. Colijn won als sterke man in het begin veel aan gezag, maar raakte, naarmate de depressie langer duurde, steeds meer in een isolement. Hij werd op den duur het symbool van alles wat er fout ging in deze magere jaren. Premier Den Uyl (PvdA) overkwam exact hetzelfde: in eerste instantie dwong zijn omgang met de oliecrisis veel respect af - wie herinnert zich niet de autoloze zondagen en zijn legendarische televisietoespraak bij het uitbreken van de oliecrisis? Maar, het hoeft nauwelijks opgemerkt te worden, de geschiedenis is niet aardig voor hem geweest, en hij werd op dezelfde manier het symbool voor alles wat er fout was gegaan na 1973.

Minister Bos (Financiën, PvdA) en premier Balkenende (CDA) hebben, met de redding van de grote banken, ook hun 'finest hour' gehad, waarin het hele land zich even achter deze sterke leiders schaarde. Als ze zich nu gaan terugtrekken op een ferm bezuinigingsbeleid om de Haagse begroting in balans te houden, dan valt opnieuw het ergste te vrezen.

* Dit artikel verscheen eerder in NRC Handelsblad van 19 februari 2009.

Te citeren als:

Jan Luiten van Zanden, 2009, "Nederland schiet in kramp bij crisis", Me Judice, jaargang 2, 20 februari 2009.

Dit artikel kan worden overgenomen met bronvermelding. Toezending van bewijsexemplaren wordt op prijs gesteld. © Me Judice


 

Reacties
  • 25 februari 2009 9:27 - Piet Keizer

    Toen de oliecrisis uitbrak, kwam Den Uyl voor de TV het volk vertellen dat de vette jaren nooit meer terug zouden komen. De olieprijsstijging impliceerde een ruilvoetverslechtering, ceteris paribus! Om de kosten te beheersen en de verdeling van de verslechtering eerlijk te verdelen, voerde Den Uyl een geleide loonpolitiek in. Van Zanden heeft gelijk als hij zegt dat door de olieprijsstijging de aardgasbaten sterk zijn gestegen. met als gevolg een stijgende export en een ruilvoetverbetering. Maar er startte ook direct een discussie: we mogen deze tijdelijke baten niet verjubelen, dat is: gebruiken voor de financiering van consumptieve uitgaven. Daar de overheidsuitgaven als gevolg van de crisis toenamen (zeker ook sociale uitkeringen), werd dat als 'slecht' geinterpreteerd. Ook al ben ik van mening dat de regelingen die met elkaar de verzorgingsstaat vormen, te royaal waren (in 1976 werd de WAO als sluitstuk ingevoerd), toch is een periode van recessie niet het geschikte moment om tot structurele hervormingen te komen. Volgens het artikel van 5 economen in de NRC van gisteren ( nu ook tot mejudice-artikel verheven), is dat probleem nu ook weer aan de orde: de Nederlandse economie moet structureel hervormd worden. Het is goed om die plannen nu te maken en iedereen daarvan op de hoogte te stellen. Maar op dit moment moeten we alleen stimuleren, en nog niet met de uitvoering van de hervormingen voorzover die bezuiningen betreffen, beginnen.

  • 24 februari 2009 10:57 - jan luiten van zanden

    Nederland verarmde in de jaren zeventig niet, want we exporteerden op grote schaal aardgas, en de internationale ruilvoet nam mede daardoor niet af (zoals CBS gegevens laten zien, was deze min of meer stabiel in deze jaren). Daar komt overigens nog bij dat, zelfs als dat wel gebeurd was geweest, het nog maar zeer de vraag is of het beste antwoord op ruilvoetverslechtering wel een stimulering van de vraag via een groter tekort van de overheid zou zijn geweest. Zo'n ruilvoetverslechtering kun je daarmee niet ongedaan maken, je verergert in zekere zin alleen maar het conflict over de vraag wie die reele daling van de koopkracht uiteindelijk moet gaan betalen (maar zoals gezegd, dit probleem deed zich in feite niet voor).


    Feiten spreken nooit voor zichzelf, daarom interpreteren historici de feiten altijd, proberen ze er een verhaal van te maken (zoals ik in die bijdrage heb getracht) waar misschien lessen uit te trekken zijn. Het is natuurlijk de grote vraag welke trendbreuk we nu meemaken - staan we aan de vooravond van een nieuwe groeifase van de wereldeconomie gebaseerd op een streven een duurzame economie? of is dit het moment dat de economische verhoudingen tussen het westen en het oosten definitief omslaan? Er zijn tal van scenario's denkbaar. Waar het in mijn bijdrage om ging is dat we de crisis vanuit een dergelijk perspectief bekijken, als niet zomaar een incident, maar een vermoedelijke breuklijn in de lange termijn ontwikkeling van de wereldeconomie. Vanuit zo'n perspectief kan er heel anders tegen 'depressiemanagement' aangekeken worden, hoop ik.

  • 23 februari 2009 10:22 - Piet Keizer

    Jan Luiten van Zanden verwijt Nederland dat het verkrampt reageert op crises, in plaats van met creatieve oplossingen te komen. In de jaren dertig van de 20e eeuw werd te lang vastgehouden aan de gouden standaard en de restrictieve politiek die daar bij hoort. In de jaren zeventig van de 20e eeuw werd verkrampt vastgehouden aan een keynesiaans beleid. Ik wil bij zijn betoog graag de volgende opmerkingen maken.


    Colijn heeft inderdaad te lang gewacht - hij heeft gezien dat vele landen de gouden standaard loslieten, en dan moet je weten dat je niet in je eentje - op dit punt althans - principieel kunt blijven (los van de vraag of het een goed principe was).


    Den Uyl echter reageerde in de jaren zeventig adequaat op de crisis. Aanleiding voor de crisis was de verviervoudiging van de olieprijs. Erg veel geld stroomde plotseling naar de Arabische wereld. Een deel van dat geld stroomde terug in de vorm van beleggingen. Er ontstond echter wel een gebrek aan effectieve vraag (naar goederen). Om al te veel vraaguitval te voorkomen is dan een keynesiaans beleid noodzakelijk. Door de forse olieprijsstijging was Nederland een stuk armer geworden (verslechtering van de internationale ruilvoet). Daar reageerde Den Uyl op door middel van een geleide loonpolitiek. Loonmatiging tezamen met vraagstimulering was een adequaat antwoord op de crisis. Een ander probleem, van meer structurele aard, was de groei van de verzorgingsstaat. Er waren rechten ontstaan die in deze crisis erg duur bleken te zijn. Het was goed van Den Uyl om dit probleem niet tijdens de recessie aan te pakken. Na hem heeft het wel lang geduurd - tot 1982 - alvorens de Nederlandse overlegeconomie een oplossing genereerde voor dit probleem.


    Uit het stuk van Van Zanden wordt mij niet duidelijk om welke trendbreuk het in de huidige crisis gaat. Een historische benadering heeft als hoofdprobleem dat een feitelijk verhaal niet zonder theorie kan worden verteld, en dat feiten nooit voor zichzelf spreken. Met andere woorden: welke theorie hebben we nodig om in een crisis met 'creatieve' oplossingen te komen?   

Reageren
Auteurs
    • Jan Luiten van Zanden Jan Luiten van Zanden

      Universiteit Utrecht en Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG), Amsterdam

Aanmelden voor de nieuwsbrief