Artikelen
De leunstoeleconoom gaat aan verbeelding ten onder
Harry van Dalen, Kees Koedijk - 13 jun 2009 - Economisch denken, Macro-economische politiek - 2722 keer bekeken - 2 reacties
Economen hebben het in de aanloop naar de kredietcrisis niet goed gedaan. Ze hebben het contact met de realiteit verloren, de mens in de economie verwaarloosd en te lang gedacht dat economie een exacte wetenschap was in plaats van een sociale wetenschap.
De hedendaagse econoom kan niet op veel respect rekenen van buitenstaanders. Economie gaat over geld, zo luidt de gedachte, en de beheerders van die wetenschap hebben met hun adviezen toch maar mooi de wereld in een diepe crisis gestort. Onder vakbroeders van aanpalende sociale wetenschappen wordt de irritatie over economen nog eens versterkt door hun jarenlange claim dat economie toch de koningin van de sociale wetenschappen is. Als zij het allemaal zo goed weten, waarom hebben ze de crisis dan niet zien aankomen? Daarnaast wordt er door critici fijntjes met een sliep-uit-vinger naar het Centraal Planbureau gewezen die per maand zijn voorspellingen bijstelt. Voor buitenstaanders is daarmee onomstotelijk het bewijs geleverd dat de economische wetenschap niet veel voorstelt.
Dat de ideeën van economen niet veel voorstellen is een te rap oordeel van buitenstaanders. De rijkdom aan ideeën is groot en divers en het doen van voorspellingen in tijden van grote veranderingen is bijna ondoenlijk. Economen onder elkaar hanteren vaak de clausule ceteris paribus als ze een uitspraak doen: de overige omstandigheden gelijk blijvend. Men kan op zijn vingers natellen dat wanneer alle ‘overige omstandigheden’ veranderen de voorspellingen omgeven zijn door enorm veel ruis. Nee, het probleem van de economische wetenschap zit geheel ergens anders. De ideeën zijn rijk, maar het gaat vooral om hoe er met ideeën en informatie wordt omgesprongen door economen. Er zijn namelijk twee tradities waarin economen worden grootgebracht en die tradities zijn aan vervanging toe.
Sociale ingenieur
De eerste traditie waarin de econoom acteert, is de traditie van de sociale ingenieur, de econoom die vooral de helpende hand biedt en op al uw vragen een antwoord heeft. Dit archetype is niet ontstaan in een sociaal vacuüm, maar ontleent zijn bestaan aan de toenemende mate waarin ons wereldbeeld is gemechaniseerd. En de economische wetenschap heeft daar sterk aan bijgedragen. De economische politiek van de jaren dertig was sterk ideologisch gekleurd en dogmatisch en voor die tijd was het bieden van rationaliteit gewenst. Voor onze landgenoot Jan Tinbergen was dat het moment om zich te wijden aan economische politiek. Met zijn wiskundig gereedschap bracht hij rede in tijden van verwarring. Rationaliteit kreeg een steeds grotere rol en zeker na de Tweede Wereldoorlog was er een geloof dat heel het leven rationeel te verklaren en stuurbaar zou zijn. Met de mechanisering kwam een generatie economen opduiken die economie niet als een sociaal maar een technocratisch probleem beschouwden, waarvan Tinbergen wel de verbeelding van dat denken belichaamde. Zoals Jelle Zijlstra zijn geestijver uit die tijd onder woorden bracht: “Een economische crisis was dus niet meer iets zoals vroeger een longontsteking, toen je moest afwachten of de patiënt herstelde of bezweek, neen, de economische penicilline was ontdekt. Men hoefde slechts bekwame en daadkrachtige politici te hebben om een nieuwe wereld te kunnen bouwen, vrij van gebrek en werkloosheid.”
Pretentie van kennis
De sociale ingenieur was populair in de opbouwjaren en eigenlijk is hij nooit van het toneel verdwenen. Deze figuur vertelt op basis van een model hoe je met zo min mogelijke verspilling van A naar B komt en die weg wordt met enige overredingskracht naar voren gebracht als de enige en zaligmakende weg. Joop den Uyl parafraseerde dan ook met een zekere graagte Prediker ‘Waar visie ontbreekt, komt het volk om’. Gewapend met de rationaliteit van de economische wetenschap kon een visie worden uitgestippeld.
Waar de sociale ingenieur de mist ingaat, is echter de pretentie van kennis. Kennis, zeker dat van sociale wetenschappers, is zo sterk als de zwakste schakel. De zwakste schakel is het mensbeeld. Economie is en blijft een sociale wetenschap en die begint en eindigt met het doen en denken van de mens. In de loop der jaren is rationaliteit verward met superrationaliteit. De mens weet zeker niet alles en laat zich in zijn handelen leiden door vele motieven, instincten en waarden. Zoals de Chicago-econoom Jacob Viner al in de jaren dertig stelde “The instincts never fail, only reason does.”
De sociale ingenieurs onder de economen hadden weinig oog voor het individu, en als ze dat wel hadden dan hielden ze zeker geen rekening met de beperkte rationaliteit van de mens en de implicaties die dat had voor het beleid. De wereldbeelden van sociale ingenieurs - of ze nu keynesianen of neoklassieke economen heten - gaan vroeg of laat ten onder aan hun verbeelding wanneer deze niet getoetst wordt aan de praktijk van alledag.
Leunstoeleconoom
Als die kennis zo zwak is dan zou men een sterk empirische inslag verwachten van economen. Het tegendeel is het geval. Een andere figuur die in de economie zijn intrede deed en ook steeds meer het karakter van de economische wetenschap is gaan beïnvloeden, is de leunstoeleconoom: iemand die vanuit de warmte van zijn studeerkamer, zonder enige kennis van feiten of zaken, het kruis van vraag en aanbod slaat en een evenwichtsconditie prevelt en als lid van de club van de onzichtbare hand gelooft dat alles als vanzelf wel goed komt. Voor een debat is het altijd prettig om zo’n lekker tegendraadse oom in het gezelschap te hebben, maar het wordt irritant zo niet gevaarlijk wanneer economisch beleid gevoerd wordt door economen die hun handen niet vuilmaken door even naar de cijfers te kijken en puur hun intuïtie achterna lopen. De veel aangehaalde econoom John Maynard Keynes was zo’n leunstoeleconoom, deductie was zijn wapen en empirie en schattingen zoals Jan Tinbergen naar voren bracht vond hij niet nodig. Zijn intuïtie vond hij veel meer waard dan het geploeter met harde data waar Tinbergen zich mee bezighield. In feite, fungeerde zijn arrogantie als voorbeeld voor latere generaties economen.
Vandaag de dag komen we de leunstoeleconoom ook nog tegen. Sterker nog, er werden en worden generaties economen grootgebracht met de instelling dat het kennen van de feiten niet erg belangrijk is. Arjo Klamer en David Colander (1990) interviewden in de jaren tachtig promovendi aan Amerikaanse topuniversiteiten en de meest schokkende statistiek die zij produceerden was dat maar 3 procent van de promovendi stelden dat grondige kennis van de economie van belang is voor je carrière als econoom; 68 procent vond het onbelangrijk. In de twee decennia die volgden is deze extreme aversie voor empirie getemperd, maar bij een herhaling van het onderzoek in 2005 constateerde Colander (2007) dat nog steeds maar 9 procent van de promovendi feitenkennis hogelijk waardeert en nog steeds 51 procent vindt het onbelangrijk. Wie tot de top wil behoren, moet zich op theorie werpen, empirie en zeker de institutionele kennis van samenlevingen is voor de monniken onder ons, maar zeker niet voor de toppers. Wanneer gebruikers van een theorie zich loszingen van de werkelijkheid en dan is de gedachtesprong snel gemaakt dat de mensen zich maar moeten vormen naar de gemaakte veronderstellingen in plaats van andersom.
‘Reality’-economie als tegengif voor overmoed
Economen hebben in de toepassing van hun economisch gedachtegoed te weinig realisme aan de dag gelegd. De overmoed van de bestuurskamer en de studeerkamer hebben beide voor een gevaarlijk mengsel gezorgd. De voor de hand liggende vraag is natuurlijk of deze slechte gewoontes op den duur verdwijnen. Wie last heeft van zwaarmoedigheid zal beweren dat er niet veel zal veranderen. De natuurkundige Ernest Rutherford bracht het ooit kernachtig tot uitdrukking: “All science is either physics or stamp collecting”. Wetenschap is pas wetenschap als het het ideaal van de natuurkunde heeft bereikt, de rest is voor de eenvoudigen van geest die zich kunnen wijden aan het verzamelen van ‘postzegels’. Deze pikorde laat zich moeilijk ombuigen.
Maar er zijn ook positieve ontwikkelingen die door de kredietcrisis in een stroomversnelling kunnen raken. Het zal steeds meer lonen om meer realisme aan de dag te leggen. Hoe werken bankbesturen en het toezicht erop, hoe nemen pensioenfondsbesturen beslissingen, hoe beïnvloeden bonussen de afwegingen van managers, en nog belangrijker wat is de kwaliteit van beslissingen die worden genomen onder hoge stress? Het zijn allemaal vragen die eenvoudig lijken maar menig econoom staat met zijn mond vol tanden. Om hier een antwoord op te vinden vergt andere, aanvullende kwaliteiten dan men normaal van economen gewend is. De econoom kan daarom nog veel leren van de assertiviteit van de onderzoeksjournalist, het geduld en het oog van de bioloog, en het gevoel van de schrijver voor een verhaal. Deze benadering wordt al veel langer gebruikt onder bepaalde breed ingestelde economen, maar het is ook een riskante, omdat het een tijdsintensieve bezigheid is en omdat economen er niet in getraind zijn. Maar het lange termijn rendement van deze investering kan uitzonderlijk hoog zijn. Laten we vooral niet vergeten dat The Wealth of Nations van Adam Smith begon met een bezoek aan een speldenfabriek. De speldenfabriek was de inspiratiebron om het principe van schaalvoordelen en arbeidsdeling uit te leggen. Smith was zeker niet de enige die zijn inspiratie uit de praktijk van alledag haalde. Een voorbeeld van recentere datum is de econoom Ronald Coase die ooit zijn carrière begon met het bezoeken aan bedrijven, waar hij zijn ideeën opdeed over hoe bedrijven ontstaan. Met het oog van een jurist ontleedt hij de werking van markt, bedrijf en recht. Voor dat werk heeft hij later de Nobelprijs gekregen.
Het falen van de economische wetenschap is te wijten aan op hol geslagen verbeelding, een verbeelding die op de feiten vooruit loopt. De basisveronderstellingen blijken zo dominant te zijn dat het lijkt alsof, crisis of geen crisis, berichten uit de samenleving het wereldbeeld van economen niet aantasten. Het gevolg is dat cirkelredeneringen de boventoon voeren. Het wordt tijd dat economen de ‘harde’ inzichten uit de praktijk en van de andere sociale wetenschappen tot zich nemen en de feiten weer laten vooruitlopen op de verbeelding in plaats van andersom.
Referenties:
Colander, D., 2007, The Making of an Economist, Redux, Princeton University Press, Princeton, NJ.
Dalen, H.P. van, 2007, Pluralism in Economics: A Public Good or a Public Bad?, in: J. Groenewegen (ed.), Teaching pluralism in economics. Cheltenham: Edward Elgar, p. 40-63.
Klamer, A. en D. Colander, 1990, The Making of an Economist, Westview Press, Boulder.
* Dit artikel is tevens onder de titel 'Andere economen gezocht' verschenen in de Volkskrant van 13 juni 2009.
Te citeren als:
Harry van Dalen en Kees Koedijk, 2009, "De leunstoeleconoom gaat aan verbeelding ten onder", Me Judice, jaargang 2, 13 juni 2009.
Dit artikel kan worden overgenomen met bronvermelding. Toezending van bewijsexemplaren wordt op prijs gesteld. © Me Judice
- 26 juni 2009 9:38 -
Dirk Bezemer
Harry van Dalen en Kees Koedijk schrijven over de vraag “ als zij [de economen, DJB] het allemaal zo goed weten, waarom hebben ze de crisis dan niet zien aankomen? Daarnaast wordt er door critici fijntjes met een sliep-uit-vinger naar het Centraal Planbureau gewezen die per maand zijn voorspellingen bijstelt. Voor buitenstaanders is daarmee onomstotelijk het bewijs geleverd dat de economische wetenschap niet veel voorstelt. Dat de ideeën van economen niet veel voorstellen is een te rap oordeel van buitenstaanders. De rijkdom aan ideeën is groot en divers en het doen van voorspellingen in tijden van grote veranderingen is bijna ondoenlijk. Economen onder elkaar hanteren vaak de clausule ceteris paribus als ze een uitspraak doen: de overige omstandigheden gelijk blijvend. Men kan op zijn vingers natellen dat wanneer alle ‘overige omstandigheden’ veranderen de voorspellingen omgeven zijn door enorm veel ruis. Nee, het probleem van de economische wetenschap zit geheel ergens anders…”
Was het maar waar. Helaas, het is niet waar. Het probleem zit niet ergens anders. Van Dalen en Koedijk herhalen wat economen en beleidsmakers al maandenlang ad nauseum schrijven en zeggen: niemand heeft het zien aankomen. Een geruststellend idee, want het betekent dat we het misschien slecht hebben gedaan, maar in ieder geval heeft niemand anders het beter gedaan. Ons valt dus eigenlijk weinig te verwijten.
Maar de crisis is wel degelijk voorzien, en de interessante vraag is hoe dat kon, en hoe het in de toekomst dus weer kan. De crisis is een uitgelezen kans om nu eens te bezien welk soort economische modellen ons helpen te anticiperen op instabiliteit - een soort ‘natuurlijk experiment’ dat ons in de schoot geworpen werd. Zulke kansen krijg je niet vaak als sociaal wetenschapper, en in plaats van apologetiek te bedrijven zouden we ons achter de oren moeten krabben.
Hier zijn drie citaten van economen in de VS die al in 2006 en eerder waarschuwden voor recessie tengevolge van de inzakkende huizenmarkt: “…plunging housing investment will likely push the economy into recession” (Dean Baker, 2006). “The small slowdown in the rate at which US household debt levels are rising resulting form the house price decline, will immediately lead to a …sustained growth recession … before 2010” (Wynne Godley, 2006). “A recession and bear market in asset prices are inevitable for the U.S. economy… All remaining questions pertain solely to speed, depth and duration of the economy’s downturn.” (Kurt Richebächer, 2006). Niet toevallig zijn dit alledrie heterodoxe economen, die andere modellen gebruiken dan die bij het CPB, OECD, IMF en andere officiele voorspellers in zwang zijn. Hun ‘flow of funds’ benadering van de economie bleek veel realistischer. Voor de details verwijs ik naar mijn studie ‘ “No One Saw This Coming”: Understanding Financial Crisis Through Accounting Models’ te downloaden op http://econpapers.repec.org/paper/pramprapa/15767.htm
Thomas Kuhn heeft treffend beschreven hoe de ‘normale’, dominante theorieen in ieder veld van wetenschap, geconfronteerd met aanwijzingingen van haar tekortkomingen, steeds nieuwe ‘beschermende lagen‘ vormen, met als doel de centrale hypothesen en aannames te beschermen tegen de boze buitenwereld. Voor economen is de ‘clausule ceteris paribus’ daarbij een geweldig hulpmiddel. Uiteindelijk wordt het zo heel veilig en knus (‘economen onder elkaar‘ schrijven Van Dalen en Koedijk- een slip of the tongue?), maar hoe spannend – laat staan nuttig – blijft onze economische wetenschap op deze manier?
Dirk Bezemer
Rijskuniversiteit Groningen - 16 juni 2009 18:08 -
Henk van Gemert
Ik ben het eens met deze reflectie. Eigenlijk zouden professoren in Finance en in Banking dus ook hun excuses moeten aanbieden, net als de bankiers. Zij hebben jarenlang jonge mensen getraind in financial engineering, derivatives en market efficiency. Maar belangrijker nog lijkt mij de les naar de toekomst. De analyse van Van Dalen en Koedijk moet consequenties hebben voor de inrichting van onze opleidingen. Zelf heb ik in de nieuwe BSc Economics gekozen voor de volgende hoofddoelstelling: The programme aims to offer a solid academic background in economics by taking into account theoretical knowledge, practical applications and institutional details. Drie pijlers van kennisoverdracht. Daarnaast werk ik (samen met mijn collega programmadirecteur voor de BSc Economie en Bedrijfseconomie) aan een terugkeer van dat mooie vak History of Economic Thought. Met andere woorden, laat de crisis niet enkel fungeren als een prachtige case study, maar ook als een impuls om de inhoud van onze cursussen kritisch onder de loep te nemen.
Henk van Gemert
Programmadirecteur BSc Economics



ShareThis




