Artikelen

Gooi niet alle macro-economische modellen op één hoop

Wouter den Haan - 21 okt 2009 - Economisch denken, Financiële markten - 2790 keer bekeken - 11 reacties

Journalisten nemen macro-economen en de door hen gebruikte modellen in deze crisistijd graag op de hak. Prima, maar neem dan wel de moeite om te kijken wat macro-economen nu precies doen, zegt de Amsterdamse hoogleraar economie Wouter den Haan. En kijk over de grenzen van Nederland en België heen. Want de stand van de economische wetenschap is niet af te lezen aan wat DNB-economen doen of wat ‘media-economen’ uit de lage landen vertellen.

Vertekend beeld
Met ongeloof verneem ik vaak wat er in de media wordt verkondigd over moderne macro-economische modellen. Nu werk ik zelf al jaren met dit soort modellen, maar er zit een enorm gat tussen wat ik en mijn collega’s doen en wat er door niet zorgvuldige journalisten wordt beweerd dat we doen.

Aanleiding om dit stukje te schrijven is het artikel “Het vergeten geld” dat zaterdag 10 oktober 2009 verscheen in de Wetenschapsbijlage van het NRC Handelsblad. Het artikel geeft een heel vertekend beeld over wat voor macro-economische modellen beschikbaar zijn en vooral over wat het meest algemeen gebruikte paradigma nu werkelijk inhoudt. NRC staat niet alleen in de slechte berichtgeving, maar het artikel is wel illustratief voor bestaande misvattingen over moderne macro-economische modellen.

Evenwicht? Helemaal niet
Wat vooral problematisch is in genoemd artikel is dat het beweert dat er in macro-economische modellen, en in het bijzonder de meeste modellen van toonaangevende economische instituten, evenwicht is tussen vraag en aanbod. Dit is volstrekt onjuist. In het merendeel van de huidige modellen is er geen evenwicht. 

Het is waar dat de naamgeving verwarrend is. De juiste naam voor de huidige generatie modellen is Dynamic Stochastic General Equilibrium (DSGE) model, oftewel dynamische stochastische algemene evenwichtsmodellen. De naam is historisch zo ontstaan en het gaat nu veel meer over de dynamische aspecten (toekomstverwachtingen) en de stochastische elementen (onzekerheid) en veel minder over evenwicht.  Het meest populaire model is het New-Keynesian model waarin prijzen, en vaak ook lonen, zich niet aanpassen om evenwicht tot stand te brengen. De DSGE modellen die door centrale banken en andere macro-economische instituten zoals het IMF en de OESO worden gebruikt, zijn vrijwel altijd zo’n soort New-Keynesian model waarin markten vrijwel nooit in evenwicht zijn.

Daarnaast zijn matching modellen erg populair. In zulk soort modellen zijn er fricties die ervoor zorgen dat er werkelozen zijn en tegelijkertijd toch ook werknemers en werkgevers die een baan zouden kunnen creëren die voor allebei aantrekkelijk is.

Het is dus volstrekt onjuist om (zoals het krantenartikel doet) te beweren dat “evenwicht is precies het superparadigma van de economie dat ten grondslag ligt aan de meeste modellen van toonaangevende instituten”. Het NRC artikel heeft het meestal over conventionele modellen en gaat meestal ook over DSGE modellen maar gebruikt ook de term algemeen evenwichtsmodel. Zo’n slordige benaming is op zich niet zo erg, maar het artikel maakt helaas verscheidene beweringen die zeker niet gelden voor een groot deel van de huidige modellen. (1)

Waardeveranderingen
Het krantenartikel geeft niet alleen een vertekend beeld over de rol van evenwicht in moderne macro-economische modellen maar ook over de rol die waardeveranderingen spelen. Er zou ongetwijfeld meer gedaan kunnen worden, maar een voorbeeld is het zogenoemde 'financial accelerator' mechanisme dat is ingebouwd in veel macro-economische modellen. De financial accelerator modelleert de fricties die bedrijven ondervinden bij het verkrijgen van leningen en de waarde van het bedrijf speelt een cruciale rol in dit soort modellen en kan verklaren waarom kleine schokken grotere gevolgen kunnen hebben.

Verschillende ‘media-economen’ weten het ook niet
De NRC staat niet alleen in het geven van een volledig vertekend beeld van moderne macro-economische modellen. De media en zelfs sommige van mijn collega’s richten zich voornamelijk op het prototype. Dat is inderdaad enorm simplistisch. Maar binnen het DSGE paradigma is er een enorme diversiteit van modellen. Er zijn inderdaad modellen waarin wordt verondersteld dat iedereen in het model begrijpt hoe de economie in elkaar zit, maar er zijn ook talloze andere modellen. Bijvoorbeeld, er zijn modellen waarin mensen met simpele technieken proberen te leren hoe de economie werkt en er zijn modellen waarin een bepaald soort informatie genegeerd wordt, terwijl juist nauwkeurig aandacht wordt besteed aan andere informatiebronnen. En er is ook een traditie, robust control, die er vanuit gaat dat er onder de mensen binnen het model onzekerheid is over wat het juiste model is van de wereld waarin ze leven.

De media kan vergeven worden dat ze zo’n slecht beeld hebben van wat er binnen de wetenschap gedaan wordt, maar ik vind het wel verontrustend dat sommige van mijn collega’s die vaak via de media van zich laten horen niet goed lijken te weten wat er tegenwoordig mogelijk is met macro-economische modellen.

Wetenschap buiten de grenzen van België
Het krantenartikel heeft zonder meer gelijk als het beweert dat veel meer aandacht zou kunnen worden gegeven aan de financiële sector. Maar er zijn talloze DSGE modellen die dat al wel doen en er zijn ook DSGE modellen om financiële crises te bestuderen. Zelfs een heel vluchtige blik op wat er in de laatste 25 jaar is gepubliceerd maakt duidelijk dat Paul de Grauwe niet gelijk heeft wanneer hij zegt over  moderne macro-economische modellen dat “ze hebben ook iedereen misleid in hun geloof dat financiële crises niet meer mogelijk waren”.  Wellicht is dat het geval in België en in een paar andere landen maar het is zeker niet in het algemeen waar.

Er zijn talloze voorbeelden, maar laat ik er één geven waarmee ik in het bijzonder goed bekend ben.  Toen ik nog verbonden was aan de University of California heb ik samen met twee collega’s, Garey Ramey and Joel Watson, in 2003 een artikel gepubliceerd in Journal of Monetary Economics waarin we laten zien hoe in een DSGE model met een financiële sector een schok die groot genoeg is een financiële crisis veroorzaakt waaruit de economie zich zonder overheidsbemoeienis niet kan herstellen.

Simplisme of gemakzucht?
Alhoewel de media de enorme rijkdom en diversiteit van moderne macro-economische modellen binnen het DSGE paradigma negeert, is het wel waar dat een aantal wetenschappers zich richt op de meer eenvoudige versies. Dit is vooral waar voor onderzoekers bij centrale banken en andere macro-economische instituten. Er is nu software ontwikkeld waardoor de simpele versies gemakkelijk bestudeerd kunnen worden. Veel lastiger zijn de technieken die nodig zijn om modellen te bouwen waarin bijvoorbeeld wel een financiële sector aanwezig is, waarin wel grote schokken en niet alleen bescheiden fluctuaties kunnen voorkomen, en/of waarin de mensen in het model wel van elkaar verschillen. Als de huidige wetenschap een verwijt kan worden gemaakt dan is het dat het niet genoeg heeft geïnvesteerd om de meer interessante modellen te kunnen bestuderen. Dat is vooral in Europa een probleem; de meeste AIOs leren niet de technieken om de meer geavanceerde DSGE modellen te bestuderen. In Nederland leren volgens mij alleen AIOs aan het Tinbergen Institute hoe dynamische stochastische modellen met heterogene agenten en desastreuze gebeurtenissen opgelost kunnen worden.

DNB schrijnend voorbeeld van hoe het niet moet
De neiging om vooral op de meer eenvoudige modellen te concentreren is vooral van toepassing op centrale banken, alhoewel dit zeker niet het geval is voor elke centrale bank. Veel wetenschappers bij centrale banken hebben vooral nagedacht over het voeren van monetaire politiek in goede tijden en hoe dat nog beter gedaan kon worden. Veel meer had geïnvesteerd moeten worden in het opbouwen van knowhow om meer interessante macro-economische modellen te kunnen bouwen, modellen waarmee bijvoorbeeld ook overheidsbeleid tijdens een financiële crisis bestudeerd kan worden.

De DNB is wat dit betreft één van de slechtere voorbeelden in Europa. De toekomst zal duidelijk maken of Wellink verantwoord heeft gehandeld en op de juiste manier toezicht heeft gehouden op het Nederlandse bankwezen. Maar hij is heel duidelijk niet geïnteresseerd geweest in het opbouwen van een goede onderzoeksgroep, waarin onder andere onderzoek wordt gedaan dat goed genoeg is om gepubliceerd te worden in goede tijdschriften. Je hoeft geen groot land te zijn om een centrale bank met een goede onderzoeksgroep te hebben. Het kwaliteitsverschil met bijvoorbeeld de centrale banken van Portugal en Zweden is schrijnend.  Op deze twee centrale banken wordt hard gewerkt om in staat te zijn om lastige aspecten zoals niet-lineaire effecten en heterogeniteit in hun modellen te kunnen bouwen.

Voorspellingen zullen buitengewoon onzeker blijven
De media hebben ook een verkeerd beeld van wat men van DSGE en andere macro-economische modellen mag verwachten. Het zou naïef zijn om te denken dat er macro-economische modellen zijn die goed kunnen (en in de nabije toekomst zullen) voorspellen. Het NRC krantenartikel refereert aan een groep empirische modellen die de huidige financiële crisis hebben voorspeld op basis van onevenwichtige verhoudingen in bijvoorbeeld de financiële sector. Het probleem is dat er heel vaak onevenwichtige situaties zijn, bijvoorbeeld sterk geapprecieerde wisselkoersen, grote overheidstekorten, en/of overgewaardeerde aandelenkoersen. In zulk soort situaties zijn er altijd modellen die een crisis voorspellen. Maar die crisis komt vaak niet. In de World Economic Outlook van april 2003 onderzoekt het IMF op de basis van de naoorlogse ervaringen in negentien landen hoe vaak een boom in aandelenkoersen en huizenprijzen gevolgd werden door een ineenstorting van prijzen. Ze concluderen dat na een boom in aandelenprijzen er slecht in 25 procent van alle gevallen een bust volgt en na een boom in huisprijzen gebeurt dat slecht in 40 procent van de gevallen. Bovendien, niet elke bust leidt tot een economische crisis.

Laten zien waar het risico ligt
Nauwkeurige voorspellingen kan men dus niet verwachten van macro-economische modellen. Wat men wel mag verwachten is het aanwijzen van risico’s. Voor de NWO het mogelijk maakte dat ik mij vooral met onderzoek kon bezighouden, gaf ik college aan MBA studenten op London Business School. Mijn collega’s en ik bespraken onevenwichtige situaties en lieten bijvoorbeeld aan onze studenten plaatjes zien van de enorme stijging in de schuld van huishoudens ten opzichte van BNP. We vertelden onze studenten ook hoe de bestaande (en geplande) regelgeving voor banken niet geschikt was voor een crisis op grote schaal. Ik heb zelf de crisis niet voorspeld maar ik, en met mij vele anderen, hebben wel duidelijk gemaakt waar de risico’s lagen. Zekerheid kan dus niet geboden worden, maar met een goed overzicht van de mogelijke problemen kan met afwegen hoe men zich tegen die risico’s wil indekken of dat, als de kosten te hoog zijn, men liever het risico op zich neemt. 

Model als kapstok
Wat men van macro-economische modellen verwacht is dat ze ons beter leren begrijpen wat er in de economie gebeurt. Daarvoor hebben we theoretische modellen nodig. Maar men moet goed beseffen in welke mate theoretische modellen ertoe in staat zijn om ons dingen beter te leren begrijpen. Professor Zuidema heeft mij tijdens mijn propedeuse één van de meeste nuttige dingen van dat jaar geleerd toen hij ons vertelde dat je een economisch model niet moet zien als een projectie van de werkelijkheid maar als een kapstok: iets om ervoor te zorgen dat je gedachtewereld overeind blijft en niet op de grond valt. Het is mij vaak overkomen dat ik ideeën had die toch niet zo goed bleken te zijn toen ik ze in een model stopte. Dan bleken er toch effecten te zijn waar ik niet aan gedacht had. Men moet ook niet van economische modellen verwachten dat ze één algemene waarheid openbaren. Verschillende modellen geven verschillende inzichten. We moeten daarom niet alleen afvragen welk model voor welke vraag en voor welk tijdstip het meest geschikte model is, maar ook welk inzicht het meest schadelijk is om te negeren. Als bijvoorbeeld een fiscale stimulering niet veel effect maar ook niet veel schade oplevert in model A maar wel netto baten heeft in model B, dan zou men meer aandacht moeten geven aan het advies van model B, zelfs als men model A eigenlijk realistischer vindt. 

Geloof of wetenschappelijk onderzoek?
Zonder modellen is er niet veel meer dan losse ideeën. Nu economen zoveel aandacht krijgen in de media, valt het mij op dat ze heel vaak ideeën spuien waarvan ik absoluut niet weet hoe ze serieus onderbouwd kunnen worden. Journalisten zouden hun werk beter moeten doen en geconfronteerd met opinies van economen moeten vragen op welke empirische studie of welk model die mening nu gebaseerd is of dat het eigenlijk om niet meer gaat dan een geloof.

Wellicht komt er ooit een nieuw paradigma dat voor de economische wetenschap net zo revolutionair zal zijn als kwantummechanica is geweest voor de natuurkunde. Tot die tijd is het beter om te blijven schipperen met de kapstokken die we hebben in plaats van alles jassen op één grote hoop te gooien.

Noot
(1) Toen ik NRC op de onjuistheden in hun artikel attent maakte, kreeg ik een e-mail waarin stond dat “de fundamentele problemen van GE modellen voor de DSGE modellen evengoed gelden als voor de algemeen evenwichtsmodellen a la Walras”. In tegenstelling tot wat NRC denkt, is het in ieder geval niet zo dat de meeste modellen van toonaangevende instituten ervan uit gaan dat vraag altijd gelijk is aan aanbod. Het algemene evenwichtsmodel is een dinosaurus dat nog wel wordt onderwezen (binnen de micro-economie), maar alleen om bepaalde ideeën uit te leggen. Er is een wereld van verschil tussen moderne macro en het algemeen evenwichtsmodel.

Zie ook MJtv met Wouter den Haan over DSGE-modellen.

Referentie: 
Haan, W.J. den, G. Ramey en J. Watson, 2003, Liquidity flows and fragility of business enterprises, Journal of Monetary Economics, 50: 1215-1242.

Te citeren als:
Wouter den Haan, 2009, “Gooi niet alle macro-economische modellen op één hoop”, Me Judice, jaargang 2, 21 oktober 2009

Dit artikel kan worden overgenomen met bronvermelding. Toezending van bewijsexemplaren wordt op prijs gesteld. © Me Judice

Reacties
  • 6 november 2009 0:43 - Merijn Knibbe

    Beste Wouter,





    De belangrijkse macro-economische publicatie die in Nederland (en elders) elk jaar het licht ziet is de 'Nationale Rekeningen'. Deze publicatie wordt elk jaar samengesteld en opgebouwd door anonieme ambtenaren van het CBS. Deze krijgen op grond van dit fundamentele werk geen prestigieuze banen of NWO-subsidies en publiceren in het algemeen ook niet in A of A+ tijdschriften. Toch zou de macro-economie als vak niet bestaan zonder het werk van deze mensen. En het is mijn mening dat veel van het werk van universitaire economen aanzienlijk aan diepgang zou winnen wanneer deze economen beter op de hoogte waren van het (inderdaad nogal complexe) systeem van de Nationale rekeningen en het hels ingewikkelde proces van het samenstellen van deze prachtgegevens. Voor het belang van dit soort werk en instituten als het CBS wijs ik je overigens ook op de zeer recente bijdrage van Marcel Das op mejudice. Cijfersmeden heeft een ambachtelijke kant, en als econoom moet je die beheersen - of er in ieder geval in detail van op de hoogte zijn. Bovendien: de Nationale rekeningen zelf geven al belangrijke verbanden weer - om niet tezeggen: de belangrijkste macro-economische verbanden. 


    Ik bedoel (lang leve google): met betrekking tot het artikel dat jij samen met Vincent Sterk van De Nederlandse Bank (sic!) op 16 oktober bij deze bank hebt gepresenteerd, 'The myth of financial innovation and the great moderation' - de reeksen van grafiek 2 zouden aanzienlijk dramatischer worden als de gegevens van de eerste twee kwartalen van 2009 ook nog worden toegevoegd aan de reeks met kwartaalgegevens over onder andere BNP en de bouwnijverheid voor de VS die van 1955 tot 2008 loopt. Maar dat wist iedereen eigenlijk al. En dat geeft aan wat deze grafieken zijn: een her-presentatie van al bekende gegevens van de Statistische Bureau's. Meer niet, ook niet na detrendering en VAR-iering. Wel ben ik erg enthousiast over jullie bijlage B: de constructie van de totale hypotheekschuld in de VS (kennelijk was deze reeks er nog niet...). Fantastisch! Kijk, dat is nieuwe informatie - die over 5 jaar nog actueel zal zijn. 


    Wel betreur ik persoonlijk dat jullie er (een economenkwaal) niet in slagen variabelen en ontwikkelingen van buiten jullie VAR-model in de interpretatie, problematisering en bespreking van de resultaten te betrekken. Hierdoor is het uiteindelijke resultaat van jullie 'counterfactual history', aan de magere kant. Conclusies trekken over de dynamiek van de kredietmarkt van de afgelopen 55 jaar zonder daarbij institutionele veranderingen te betrekken (anonimisering, afname van discriminatie-effecten, computerisering, toename van het aantal huishoudens ten opzichte van de bevolking, verschuiving van de functie van een huis van 'woning' naar 'asset'  en noem maar op) is, vind ik, niet goed genoeg. Althans, niet als je daar beleid op wil baseren. Maar dat is mijn mening.


    Terzijde: de VS blijven me altijd weer verbazen. Bij enige fact finding in relatie tot deze reactie bleek dat er van de ongeveer 127 miljoen huizen in de VS 18 miljoen leegstaan (2007, dus voor de echte crisis), een aantal dat de laatste decennia fors gestegen is (www.census.gov). Voor een deel zijn dit misschien mobil homes, voor een deel is het ongetwijfeld marktfrictie - maar toch. Huizen zijn, ook in de V.S., het belangrijkste kapitaalgoed. En dat wordt voor een groot deel niet gebruikt. Woonruimte voor minimaal 35 miljoen mensen staat leeg (of is dit slechts een statistisch artefact?), En, wat betekent dit in het kader van de kredietcrisis?





    Merijn Knibbe


      

  • 31 oktober 2009 21:55 - wouter den haan

    Ik snap de eerste zin in deze reactie al niet, behalve dan dat hij erg onbeschoft is. Mijn "levenswerk" bestaat juist uit al het soort aspecten die volgens critici in macro-economische modellen opgenomen moeten worden: niet-lineaire effecten, incomplete markten, financiële en andere fricties, banken en zelfs financiële crises. Sinds het begin van de crisis heb ik een aanbod gekregen om als hoogleraar gekregen naar London School of Economics te komen (economics department en niet een instituut) en zijn de verzoeken van centrale banken en universiteiten om bij hun colleges over dit soort aspecten te komen geven alleen maar toegenomen. Wie is trouwens Merijn Knibbe? Google leert dat hij zich in het "Groningen area" bevindt, maar daar houdt het wel mee op. Als je zo persoonlijk begint te trappen is het wel zo netjes om iets duidelijker te maken wie je bent. Ik stel voor dat Merijn Knibbe en ik over een paar jaar onze CVs eens naast elkaar leggen en dan zullen we eens kijken of de eerste zin van de reactie van Merijn Knibbe meer op hem of meer op mij van toepassing is.

  • 27 oktober 2009 12:34 - Dirk Bezemer

    Ter afsluiting…   Ik denk dat Wouter den Haan en ik beiden onze punten duidelijk voor het voetlicht hebben gebracht, en van elkaar wat hebben opgestoken. In beide opzichten was dit dus een nuttige discussie. Ter afsluiting van dit Me Judice debat – dat vast in andere vorm en met andere deelnemers voortgezet gaat worden – constateer ik dat Wouter en ik het eens zijn dat modellen die beleidsmakers gebruiken, niet geholpen hebben de crisis te voorzien, noch het feit dat er een recessie op zou volgen. Ik documenteer dit in mijn paper en in mijn Financial Times, NRC en VoxEU bijdragen. Beleidsmakers zelf zijn het hier ook roerend over eens, voorzover ik weet.   We vinden ook allebei dat hier een probleem ligt. En ook over de richting van de oplossing delen we veel. Ikzelf merkte op dat ik zaken als kredietcreatie en schulddynamiek, en hun impact op de reële economie, totnutoe nog niet in (DS)GE modellen voor beleidsgebruik ben tegengekomen. Wouter beaamt dat dit wel eens inherent een zwak punt van DSGE modellen zou kunnen zijn. Beiden zouden we graag zien dat deze zwakten meer benadrukt worden.






    Hoe verder? Ik stel voor dat flow-of-funds modellen een nuttige aanvulling op de bestaande praktijk zijn. Omdat die vanuit een ander modelparadigma opereren zullen die denk ik naast, niet in de bestaande modellen komen te staan. Als ik het goed begrijp stelt Wouter (daarnaast?) voor dat beleidsinstellingen zich richten op het versterken van hun DSGE-model capaciteiten. Meer training in moderne macroeconomie dus voor DNB en misschien ook wel voor de ECB, OECD en CPB – al was het maar zodat de beperkingen ervan onderkend worden. Hoe nuttig daarbij verdere modelontwikkeling is gegeven de limitaties van de DGSE aanpak blijft nog even een open vraag.  



    Dit is de stand van het debat. We zijn voornemens hier in Groningen een symposium over te organiseren, en wat mijzelf betreft staan er een artikel en een boek over het onderwerp op stapel. Wie volgt?




    Dirk Bezemer


    Rijksuniversiteit Groningen

  • 26 oktober 2009 19:46 - wouter den haan

    Heerlijk, deze discussie! We hebben in ieder geval duidelijk gemaakt dat er echt meer aandacht aan de financiele sector moet worden gegegeven. Maar dat stond ook in mijn stukje: "Het krantenartikel heeft zonder meer gelijk als het beweert dat veel meer aandacht zou kunnen worden gegeven aan de financiële sector."


    Mijn stukje is kritisch maar niet over de paper van Dirk Bezemer. Daar gaat het echtl niet over. Mijn stukje gaat er over dat er dingen beweerd worden over DSGE modellen die gewoon niet juist zijn (zie lijstje hier ergens boven). Het zou zonder meer nuttig zijn om DSGE modellen goed onder vuur te nemen. Heb ik nooit ontkent. Ik ben het bijvoorbeeld met Dirk Bezemer eens wanneer hij zegt dat: Mijn indruk is dat de financiele sector in zulke modellen op een zeer gestyleerde manier gepresenteerd wordt, die haar wezenlijke kenmerken  - kredietcreatie en schulddynamiek - mist. Sterker nog, dat zou meer in het algemeen wel eens een zwak punt van DSGE modellen kunnen zijn. Wat ik hoop duidelijk te maken is dat dit soort punt van kritiek veel sterker zal overkomen als het niet vergezeld wordt van opmerkingen over bv aannames van complete markten en genegeerde financiele markten. Want vele economen hebben hard gewerkt om precies die veronderstellingen van DSGE modellen aan te pakken. 


    Maar dat is inderdaad vooral op een gestileerde manier gedaan, zeker door mijzelf. De reden is natuurlijk omdat we ook allerlei andere dingen wouden hebben zoals bijvoorbeeld het model opbouwen vanaf het micro niveau, vooruitkijkende agenten, en onzekerheid. Het zou een goede discussie zijn om te kijken wanneer welke aanpak het meest nuttig is voor welk vraagstuk.


     Tot slot het volgende. Ik heb zeker niet bedoeld dat een nieuw alternatief model alleen nuttig is als het alle naoorlogse crises zou moeten voorspellen. In mijn stukje zeg ik juist het volgende: het zou naïef zijn om te denken dat er macro-economische modellen zijn die goed kunnen (en in de nabije toekomst zullen) voorspellen. Wat ik bedoelde te zeggen is dat je er wel voor moet zorgen dat een model niet te vaak een crisis voorspelt. Er zijn vaak onevenwichtige situaties in de economie, maar dat resulteert niet altijd in een crisis.

  • 24 oktober 2009 18:16 - Dirk Bezemer

    DSGE modellen en incomplete markten




    Joris de Wind wijst erop dat er ook DGSE modellen zijn die search en matching fricties hebben, en modellen waarin consumenten geconfronteerd worden met incomplete markten. De belangrijkste missing markets zijn echter de financiele markten. Het NRC artikel, en mijn paper, gingen over het goeddeels ontbreken van financiele markten in modellen voor beleidsgebruik - ook in modellen met search en matching en incomplete consumentenmarkten.




    Het gaat om het weergeven van het ‘verschijnen en verdwijnen van liquiditeit’ waarover ik hier in mijn eerste bijdrage aan deze Me Judice discussie schreef. Dit is het hart van de krediet boom en -crisis geweest, en het is de realiteit van financiele markten – een realiteit die de modellen (DSGE en andere) van beleidsmakers gemist hebben.





    Nu lees ik hier herhaaldelijk dat de financiele sector wel degelijk in de DGSE modellen zit. De vraag is wel hoe. Mijn indruk is dat de financiele sector in zulke modellen op een zeer gestyleerde manier gepresenteerd wordt, die haar wezenlijke kenmerken  - kredietcreatie en schulddynamiek - mist. Natuurlijk gaven zulke modellen geen waarschuwingssignalen in de aanloop naar de crisis, veroorzaakt door kredietcreatie en schulddynamiek.





    Dit probleem kan niet weggezet worden als excentriek stokpaardje van slecht geinformeerde hobbyisten, zoals Wouter den Haan echt lijkt te denken. Wouter, kijk eens om je heen. Het is echt een breed gedeelde zorg in de beleidswereld. Otmar Issing, voormalig Chef Econoom van de ECB, schreef in een bijdrage aan de jaarlijkse BIS conferentie in 2008: “More generally, the modelling of the financial system is in most cases, stylized to the extreme. Financial variables are limited in number. Developments of the yield curve, risk spreads across financial assets –to mention only a few –are hardly integrated….. (pagina 14). En Camilo Tovar van de BIS schreef vorig jaar in een BIS working paper (no. 258) getiteld ‘DSGE models and central banks’ dat “ [p]ossibly the main weaknesses in current DSGEs is the absence of an appropriate way of modeling financial markets (p. 5).


    We laten dit even tot ons doordringen: in de modellen die binnen centrale banken en in de top journals van monetaire economie als tooonaangevend worden beschouwd, kan uitgerekend de financiele sector niet goed een plaats krijgen. Hoe kun er dan financiel en monetair beleid, of inschatting van financieel crisisgevaar op gebaseerd worden? 


    Het is zeer te prijzen dat (ex) centrale bankiers en beleidsinstellingen als het BIS zelf deze vraag stellen. Een voorbeeld voor academici. Nu op zoek naar een oplossing.





    Gezien de hegemonie van deze problematische DSGE modellen heb ik in mijn paper gesuggereerd dat flow-of-funds modellen deel van de oplossing zijn. Niet meer en niet minder. Met name in crises die gedreven worden door de financiele sector (zoals de 2007-8 crisis) zouden ze zeer nuttig geweest zijn. Ik heb niet voorgesteld - zoals Wouter den Haan opnieuw probeert te suggereren - dat flow-of-funds modellen een nieuwe hegemonie moeten vormen, die alle na-oorlogse crises zouden moeten voorspellen. Ik ben juist voor een groter pluralisme.





    Dirk Bezemer


    Rijksuniversiteit Groningen

  • 24 oktober 2009 11:59 - Merijn Knibbe

    Met plezier lees ik de opmerkelijke discussie over de DSGE-modellen, waarin Den Haan zich als een Scheringa-in-het nauw probeert te verdedigen tegen wat, in zijn ogen, kennelijk aanvallen op zijn levenswerk zijn. Zonder fatsoenlijke literatuurverwijzingen beroept hij zich op het werk van Jantje en Mientje, zonder duidelijke gegevens hierover beschuldigt hij anderen van intellectuele luiheid en we moeten hem op zijn woord geloven als hij stelt dat de intellectuele kwaliteit van De Nederlandse Bank ver onder die van de Centrale Banken vanPortugal en Zweden ligt. Verder schijnt een Centrale Bank pas echt goed te kunnen functioneren als hij daar een praatje heeft gehouden. Zo komen we er natuurlijk niet. Echter, hij lijkt wel veel van DSGE-modellen af te weten. En ik begrijp niet alles van deze modellen, daarom wil ik hem graag een paar vragen stellen over deze modellen.


    Het gaat mij op dit moment vooral om de sector huishoudens in deze modellen. Een van de opmerkelijke verschillen tussen de micro- en de macro-economie is dat de micro-economie gebaseerd is op individuele besluiten terwijl de macro-economie uitgaat van (een- of meerpersoons) huishoudens. Uiteraard is dit een van de sterke punten van de macro-economie: mensen leven in huishoudens, nemen hun beslissingen in huishoudens en ervaren zichzelf, positief of negatief, als deel van deze huishoudens. Dit gaat niet om klein bier: denk alleen al aan de inkomensoverdrachten die binnen huishoudens plaats vinden om de opbouw van het 'human capital' van de jongste generatie te financieren: collegegelden, onderhoudsbijdragen en noem maar op. Alleen op dit gebied gaat het al om miljarden aan wat binnen de Nationale rekeningen geboekt wordt als consumptie maar wat deels eigenlijk investeringen zijn. Over deze huishoudens binnen de DSGE-modellen zou ik Den Haan graag een aantal vragen willen stellen.  De eerste twee vragen zijn de meest fundamentele, de derde vraag is meer praktisch en de vierde vraag heeft, wat mij betreft, een 'kleren van de keizer' karakter:





    Vraag 1. Wat zijn, binnen de DSGE-modellen, huishoudingen? Gaat het ook om eenpersoonshuishoudingen? Horen gevangenissen, ziekenhuizen, opvanghuizen en dergelijke er ook bij? DSGE-modellen werken met macro-economische data, afkomstig van de Nationale rekeningen, en bij het definieren van zaken als 'De consumptie van huishoudens' zijn duidelijke afbakeningen gemaakt, waarbij rekening is gehouden met het 'huishoudens' karakter van gevangenissen en dergelijke (onderschat niet hoeveel mensen in bijvoorbeeld de VS in gevangenissen wonen!). Wordt bij de DSGE-modellen uitgegaan van de definitie van de Nationale rekeingen, of wordt expliciet of impliciet (dat laatste is natuurlijk het interessantst) van een andere definitie uitgegaan? Uit wat ik over DSGE-modellen lees kan ik hier niet uitkomen. Als gevangenissen bij de DSGE-definitie van huishoudens horen, hoe staat het dan met de preferenties van de gevangenen, zoals die tot uiting komen in de preferenties van de sector huishoudens?





    Vraag 2. De macro- zowel als de micro-economie zijn nog steeds sterk gericht op markttransacties: ruil. Naast ruil wordt door, onder andere, antropologen ook 'uitwisseling' onderscheiden. Het verschil laat zich (te kort) als volgt samenvatten: bij ruil wordt, voorafgaande aan een transactie, een prijs bepaald. Deze prijsbepaling kan heel snel zijn (je kijkt in de supermarkt op het prijskaartje, legt het artikel in je karretje en rekent af), het kan ook een lang en kostbaar proces zijn (de verkoop van de ABN/AMRO). Bij uitwisseling is het, wegens excessieve transactiekosten, fundamentele onzekerheid of culturele taboes, voorafgaande aan een activiteit (transactie is hier het verkeerde woord) niet mogelijk een prijs te bepalen, of wellicht is het wel mogelijk maar wordt het niet gedaan.  Achteraf valt wellicht een schaduwprijs te berekenen. Vooraf is dat niet mogelijk, of niet wenselijk (denk aan bruidsschatten in de Nederlandse cultuur). Duidelijk is dat binnen huishoudens veel van deze niet-markt activiteiten plaats vinden, van stofzuigen tot echtscheiden. Ook dit is geen klein bier. Pas sinds enkele jaren zijn er, door het CBS, betrouwbare schattingen van de kapitaalgoederenvoorraad van Nederland berekend en gemeten. Uit deze data blijkt dat de helft van de kapitaalvoorraad in Nederland uit huizen bestaat (data op mijn verzoek aan mij ter beschikking gesteld door het CBS). Alleen voor het wonen gebruiken de huishoudens dus al de helft van de kapitaalgoederenvoorraad, waarbij dit gebruik uiteraard geen marktgerichte transactie is, maar een niet-markt activiteit. Tel daar nog eens het huishoudelijk gebruik van auto's, meubilair en dergelijke bij op... (ten onrechte wordt meubilair niet bij de kapitaalgoederenvoorraad gerekend, wel neemt het CBS sinds enkele jaren verbouwingen van badkamers en keukens mee bij de investeringen). Bij systemen van uitwisselingen is het niet zo dat eventuele marktprijzen voor vergelijkbare activiteiten sturend zijn voor de allocatie van goederen en arbeid. De symbolische waarde van goederen en activiteiten (de vakantie!), status, traditie en dergelijke spreken hun woord hier mee - denk bijvoorbeeld aan de Mercedes in het woonwagenkamp, of de fokkerij van Friese paarden. Niet alle activiteiten hebben prijzen - zelfs schaduwprijzen zijn vaak niet tijdig bekend, of van geen belang. Nogmaals - het betreft hier onder meer de inzet van de helft van de kapitaalgoederenvoorraad van Nederland! De vraag: op welke manier houdt het DSGE-model hier rekening mee? Let wel: er zijn dus geen prijzen, dus ook geen normale budgetrestricities en geen prijsverhoudingen. Een Beckeriaanse analyse schiet hier dus tekort. Mensen tasten in het duister, baseren hun gedrag op andere, op traditie - of beloven om zich, ongeacht wat er gebeurt, in te zetten voor de ander: 'in goede of in kwade tijden'.





    Vraag 3. Door institutionele veranderingen vinden niveauveranderingen plaats in de gemeten macro-economische variabelen. Een recent voorbeeld is een daling van de consumptie van huishoudens doordat studieboeken 'gratis' zijn geworden, een iets ouder en kwantitatief belangrijker voorbeeld is een daling van de consumptie van huishoudens doordat het nieuwe ziektekostenverzekeringsstelsel statistisch leidde tot een verschuiving van de particuliere consumptie naar overheidsconumptie. Wordt hier in de DSGE modellen in statistische zin rekening mee gehouden en, belangrijker, hoe verhoudt een dergelijke verandering van allocatiemechanisme zich tot het gedrag van de spelers in het DSGE spel?





    Vraag 3. Daarbij kom ik bij mijn laatste vraag. Enigermate tot mijn verbijstering blijkt dat het DSGE-model werkt met nutscurven - en dan nog wel met nutscurven van collectiviteiten... Er zijn nogal wat economen die zich bezig houden met consumentengedrag. Sterker nog: in feite is consumentengedrag de kern van een vak als marketing, dat zich met echte mensen bezig houdt, en met echte groepen van mensen. De marketing baseert zich daarbij in hoge mate op de (sociale) psychologie, en in toenemende mate ook op de neurologie. En nutscurves, daar kunnen ze niets mee. Voor zover mij bekend is het mensbeeld van de neo-klassieke economie, de homo economicus, ondertussen filosofisch, psychologisch, methodologisch en empirisch gewogen en te licht bevonden. Nutscurves bestaan niet, wie het anders ziet mag mij een artikel laten zien waarin beschreven wordt hoe een neo-klassieke nutscurve empirisch wordt waargenomen. Mensen nemen beperkt waar, wat ze waarnemen begrijpen ze vaak verkeerd, die verkeerd begrepen informatie wordt vervolgens slecht onthouden, als er al preferenties zijn dan zijn deze niet transitief en consistent en ga zo maar door. Een dergelijk schroothoopmodel wordt vervolgens, overigens in weerwil van het bejubelde methodologische individualisme, gebruikt om een groep van mensen te beschrijven. Beste Wouter, kun je me hierbij helpen en antwoord geven op een vraag die ik al vaker gesteld heb maar waar ik nooit ook maar het begin van een antwoord op gekregen heb - wat is zo'n 'collectieve nutscurve' nou eigenlijk, waar kan ik die tegenkomen, hoe kan ik die waarnemen, hoe komt zoiets tot stand? Bestaan ze eigenlijk wel? 





    Merijn Knibbe 

  • 24 oktober 2009 8:57 - wouter den haan

    Het lijkt me een goed idee om de lezer er aan te herinneren waar mijn stukje over gaat. Mijn stukje gaat over het gat tussen wat er binnen de enorm diverse wereld van DSGE modellen beschikbaar is en wat er over DSGE modellen wordt beweerd. De discussie hier op MeJudice maakt alleen maar duidelijk dat dit hard nodig is, want er zijn zelfs een paar onjuiste beweringen bij gekomen. Even de feiten op een rijtje.






    Het NRC artikel beweert dat evenwicht het superparadigma is van de meeste toonaangevende economische instituten. Dat is net zo nauwkeurig als zeggen dat de meeste koopsompolissen een lage provisie hebben.




    Het NRC artikel beweert dat balansen geen onderdeel zijn van conventionele economische modellen. Maar dan negeer je de rijke literatuur met modellen waarin de waarde van bedrijven of het vermogen van huishoudens wel een cruciale rol speelt. Die modellen zijn ook in gebruik bij de betere overheidsinstellingen.




    In het NRC artikel wordt beweert dat DSGE modellen "hebben ook iedereen misleid in hun geloof dat financiele crises niet meer mogelijk waren". Hoe kan dat waar zijn als er ook DSGE modellen bestaan waarin financiele crises voorkomen?




    In het NRC artikel wordt gesproken over "de afwezigheid van financiele activa en schulden in moderne macro-economische modellen". Ik vind dat het NRC €100 zou moeten betalen aan een goed doel voor elke publicatie die ik kan vinden in A en A+ journals waarin een DSGE model voorkomt waarin wel financiele activa en schulden zitten.




    In zijn reactie op mijn artikel, beweert Dirk Bezemer dat "zulke modellen [DSGE modellen] als drijvend principe de tendens naar evenwicht hebben". Dit negeert matching modellen. Het is belangrijk om ook niet de rijke literatuur over DSGE met sun spots te vergeten. In dit soort DSGE modellen kunnen variabelen fluctueren zonder dat er iets met de fundamenten van de economie is gebeurd. Er zijn ook DSGE modellen waarin de economie na een schok langdurig op een ander groeipad terecht kan komen, bijvoorbeeld vanwege hysteresis of externaliteiten.




    In zijn reactie op mijn stukje, beweert Dirk bezemer dat "deze [DSGE modellen] aannames als complete markten nodig hebben. Je kan er moeilijk verder naast zitten. Er is zelfs een uitgebreide literatuur over hoe zulk soort DSGE modellen met heterogene agenten en incomplete markten opgelost kunnen worden.






    Het zou nuttig zijn om een goede discussie te voeren over de gebreken van de huidige generatie DSGE modellen en de mogelijke verbeteringen en/of alternatieve modellen. Die gebreken zijn er zeker en ik zou er zelf heel wat kunnen noemen. Maar zo'n discussie heeft alleen zin als de moeite wordt gedaan om geen klinkklare onzin over bestaande modellen op te schrijven.






    Tot slot nog iets over voorspellen. De meest gebruikte modellen in de moderne macro-economische literatuur zijn VARs en factor modellen (om te voorspellen) en DSGE modellen (om gebeurtenissen te kunnen begrijpen en om na te denken over overheidsbeleid zoals het kiezen van de juiste rentestand na een verandering in verwachte inflatie en/of aandelenkoersen). Er zijn maar heel weinig economen die DSGE modellen gebruiken om te voorspellen. Het zou interessant zijn om te kijken of er modellen zijn die systematisch beter voorspellen dan de beste VARs en factor modellen. Het is natuurlijk geen kunst om een soort model naar voren te schuiven die het bij één recessie beter heeft gedaan dan de concurrenten. In de econometrie wordt de kwaliteit van modellen beoordeeld door een zorgvuldige "horse race", waarin gekeken wordt welk model over een lange periode systematisch beter voorspelt. Het zou mooi zijn om te laten zien dat er een model is dat het in zo'n horse race beter doet dan het beste macro-economische voorspellingsmodel (en vrijwel niemand denkt dat dat nu een DSGE model is). Als Dirk Bezemer dat zou kunnen doen dan zou hij zijn resultaten ongetwijfeld in een A+ journal kunnen publiceren.  



    Maar mijn stukje gaat over iets heel anders. Het gaat over het enorme gebrek aan kennis over de enorme diversiteit van DSGE modellen. Het lijkt me beter dat Dirk niet doorgaat met het maken van statements over DSGE modellen, maar dat hij zelf een stukje schrijft voor MeJudice waarin hij precies aantoont hoe goed zijn favoriete model het gedaan heeft, niet alleen in het voorspellen van de laatste crisis, maar ook tijdens de gehele naoorlogse periode. Dat zou zeer de moeite waard zijn.

  • 23 oktober 2009 17:52 - Dirk Bezemer

    Beste Wouter,

    Het is goed dat deze discussie gevoerd wordt.Het NRC artikel ging over de vraag naar de beleidsrelevantie van de moderne macro-economische modellen. Je suggestie dat dit het verkrachten van de moderne macro-economie is bevreemdt me zeer. Je zou juist blij moeten zijn dat je specialisme zo in de publieke belangstelling komt te staan. Wat kan een wetenschapper zich liever wensen?



    In je originele reactie op het NRC stuk verdedigde je dat de financiele sector al lang en breed vertegenwoordigd is in DSGE modellen (“er talloze DSGE modellen zijn die een financiele sector opnemen”), en dat wie anders suggereert niet ter zake kundig is. In reactie daarop vraag ik me hier op Me Judice af, of mensen binnen overheidsinstellingen dit blijkbare evidente feit niet weten, “of is het anders – zijn die modellen wellicht niet zo relevant voor beleidsmakers? Hier ligt toch een belangrijke vraag naar de beleidsrelevantie van DSGE modellen.” En het is natuurlijk anders. Ik beweer dus niet dat mensen binnen overheidsinstellingen niet ter zake kundig zijn (verre van dat!), maar dat zij zelf het moeilijk vinden de financiele sector in hun (DSGE?) modellen voor beleidsdoeleinden op te nemen, en daarmee worstelen. Ik leg ze dat niet in de mond, ze zeggen dat zelf in het NRC. Ik maak ook geen lijstjes van economen die te lui zijn om een goede kennis van de literatuur te hebben, zoals je suggereert. Lees mijn reactie nog eens rustig door.



    Het NRC artikel (en mijn paper) ging dus over de beleidsrelevantie van modellen. De vraag is dus niet of er mensen zijn die papers over DSGE modellen geschreven hebben, bij centrale banken zulke modellen bouwen, en er op de academische job market nut van hebben, zoals je opsomt. Dat wil ik best geloven. De vraag is nu juist hoe nuttig dat was – hielpen die (en andere) modellen ons de crisis te voorzien? Sommige beleidsmensen geven aan dat ze daar best mee worstelen, dus hier ligt een reële vraag. Je noemt tal van “uitstekende academici die zeker bekend zijn met deze literatuur”. Wie van hen heeft voor de crisis gewaarschuwd? In mijn paper (heb je em gelezen?) noem ik tal van mensen die wel gewaarschuwd hebben, hoewel de meeste van hen denk ik onbekend zijn met de DSGE literatuur. Wat is jouw conclusie daaruit?



    Tenslote, je vraagt je af “Wat is het empirische bewijsmateriaal dat Dirk Bezemer kan aandragen dat de financiele sector echt noodzakelijk is om alle business cycles te beschrijven?” Het antwoord is: geen. Je wilt blijkbaar graag dat ik dat “simpelweg” beweer, maar zo is het niet. Integendeel, in mijn paper schrijf ik: “In introducing accounting concepts into conventional models (as the OECD is doing), the challenge may well be to explore how far model synergies and incompatibilities reach, and what type of model is best fit for which purpose. In the context of break points in economic development such as the credit crisis, it is “better to be roughly right than precisely wrong’, as Keynes famously wrote. In situations where the FIRE sector plays a crucial role, equilibrium models provide detailed forecasts on e.g. labour force participation, unit costs, hourly compensation and civilian employment, but fail to anticipate momentous change due to debt growth. Conversely, the accounting models reviewed here include far less detail on the real sector but are better at identifying finance-driven turning points.” Hopelijk is dit een teaser voor je om de hele paper te lezen!



    met vriendelijke groet, 

    Dirk Bezemer


    Rijksuniversiteit Groningen

  • 23 oktober 2009 13:38 - Joris de Wind

    Dirk Bezemer beweert dat zulke modellen [DSGE modellen] als drijvend principe de tendens naar evenwicht hebben. Maar een belangrijke groep DSGE modellen bouwt de search en matching fricties van Mortensen en Pissarides in. In zulk soort modellen is er permanente werkloosheid, terwijl er tegelijkertijd vacatures zijn.


     Dirk Bezemer beweert ook dat ze [DSGE modellen] aannames als complete markten nodig hebben. Dit is volstrekt onjuist. Een goed voorbeeld is het 1989 AER paper van Ben Bernanke en Mark Gertler waar nog steeds veel op gebouwd wordt en naar gerefereerd wordt. In de laatste 10 jaar zijn er ook veel DSGE modellen ontwikkeld waarin consumenten geconfronteerd worden met incomplete markten. Een goed voorbeeld is het 2005 AER paper van Matteo Iacoviello.

  • 23 oktober 2009 9:30 - wouter den haan

    Her NRC artikel was niet alleen niet een verfijnde taxonomie, het verkrachtte de moderne macro-economie en was uitermate oneerlijk over wat economen bij overheidsinstellingen doen. Ik snap niet dat het vreemd is om te lezen in mijn bijdrage dat "er talloze DSGE modellen zijn die dat [een financiele sector opnemen] al wel doen" en de opmerking van Dirk Bezemer dat mensen binnen overheidsinstellingen dit blijkbare evidente feit niet weten is gewoon onjuist een ook unfair. De artikelen zijn gepubliceerd in goede tijdschriften, dus waarom zouden ze dat niet weten? Waar baseert Dirk zich op?


    Er zijn ongetwijfeld overheidsinstellingen waar de economen te lui zijn om een goede kennis van de literatuur te hebben, maar de lijst is zeker niet zo lang als het lijstje in de reactie van Dirk Bezemer. Ik heb mijn eigen werk over DSGE modellen met een financiele sector (met expliciete beschrijving van een financiele crisis) gepresenteerd bij de ECB en de FED en bij verscheidene regional Feds en centrale banken. De mensen bij centrale banken waarmee ik spreek kennen dit soort modellen zeker wel. Sterker nog, er zijn een flink aantal wetenschappers bij centrale banken die al voordat de crisis begon bezig waren met het bouwen van zulk soort DSGE modellen. Cesar Meh en Kevin Moran van de Bank of Canada publiceerde al in 2004 een working paper met een DSGE model en een expliciete bankensector. Eind jaren 90 schreef Skander van den Heuvel, nu bij de FED, al een uitstekend job market paper met een DSGE model en een bankensector. En daarvoor waren er al mensen zoals John Boyd (destijds bij de Minneapolis FED), Bruce Smith, en Costas Azariadis die financial intermediation, en ook de bankensector, serieus namen. Het is niet meer dan eerlijk om eerst even gauw een blik werpen op wat economen bij overheidsinstellingen daar nu werkelijk doen voor te beweren dat mensen bij overheidsinstellingen dingen niet weten.


    En ook onder de leden van de monetary policy committees zijn er talloze voorbeelden van uitstekende academici die zeker bekend zijn met deze literatuur. Behalve natuurlijk Ben Bernanke, denk ik aan Charles Evans (Chicago FED), Charles Plosser (Philly FED), Narayana Kocherlakota (Minneapolis FED), Mervin King (Bank of England), Lars Svenson (Riksbank Sweden), en Seppo Honkapohja (Bank of Finland)


    Tot slot wil ik even advocaat van de duivel spelen. Ik heb zelf niet alleen financiele fricties en een financiele sector ingebouwd in DSGE modellen, ik heb ook uitgebreid empirisch onderzoek gedaan naar de rol van bankleningen voor business cycles. Op de basis van mijn eigen empirische onderzoek kom ik tot de conclusie dat er inderdaad wel een rol is te vinden voor bankleningen, maar het is niet volstrekt onredelijk om typische business cycles te modelleren zonder een financiele sector. Wat is het empirische bewijsmateriaal dat Dirk Bezemer kan aandragen dat de financiele sector echt noodzakelijk is om alle business cycles te beschrijven? Het is belangrijk dat we nu niet doorslaan en niet vergeten dat we verschillende modellen zullen moeten gebruiken voor verschillende vragen. De financiele sector was niet het enige risico. Langdurige onevenwichtigheden op betalingsbalansen en lage rentes op lengingen aan ontwikkelingslanden waren dat ook. Omdat de financiele sector een belangrijke rol speelt in de huidige crisis, betekent niet dat die nu in elk model moet zitten en dat andere elementen minder aandacht krijgen. Laten we niet vergeten dat er modellen zijn die naoorlogse business cycles van voor de huidge crisis vrij redelijk kunnen beschrijven zonder een financiele sector. Dus voordat we gaan beweren dat een financiele sector altijd opgenomen moet zijn, laten we daar dan eerst empirisch bewijsmateriaal voor aandragen en dat niet simpelweg beweren.

  • 22 oktober 2009 20:30 - Dirk Bezemer

    Het artikel in het NRC Handelsblad waar Wouter den Haan zo ongelukkig mee is, bevatte natuurlijk niet een verfijnde taxonomie van DSGE en aanverwante modellen. Dat kan niet in een krant. En ook is het inderdaad niet waar dat aanbod en vraag per se gelijk moeten zijn, als definitie van evenwicht. Maar zulke modellen hebben toch als drijvend principe de tendens naar evenwicht - zij het met fricties, shocks, acceleratie-effecten, sticky prices en dergelijke, die afwijkingen van het evenwicht kunnen genereren. Het probleem sinds Walras is dat ze aannames als complete markten nodig hebben om te werken, hoe verfijnd ze in andere opzichten ook zijn. DSGE critici als Willem Buiter zien training in 'state of the art' macroeconomische modellen daarom als tijdverspilling.

    Hoe dat ook zij, over het belangrijkste punt zijn Wouter den Haan en ik het ieder geval eens: de financiele sector is niet of onvoldoende opgenomen in officiele modellen- zoals ook de gebruikers ervan in het CPB, ECB, DNB, OECD en andere instellingen zelf aangeven. Het is dan vreemd van Den Haan te lezen dat er “talloze DSGE modellen [zijn] die dat al wel doen en er zijn ook DSGE modellen om financiële crises te bestuderen.” Waarom weten mensen binnen het CPB, ECB, DNB, OECD en andere instellingen dit blijkbaar evidente feit niet? Of is het anders – zijn die modellen wellicht niet zo relevant voor beleidsmakers? Hier ligt toch een belangrijke vraag naar de beleidsrelevantie van DSGE modellen.

    Hoe de financiële sector wel of beter opgenomen kan worden is dus de hamvraag. De crux van geldscheppende instellingen is dat ze geld scheppen. Liquiditeit verschijnt en verdwijnt, zoals we tijdens de kredietboom en nu in de ‘debt deflation’ heel duidelijk zien. Het is niet dus genoeg een bankensector-als-doorgeefluik te modelleren, waarbij ze besparingen omzetten in investeringen. Banken geven niet allen geld door van de een partij naar de nadere; ze maken ook geld. En die dynamiek van liquiditeitsschepping en –vernietiging is het hart van iedere kredietboom, en de crisis die soms volgt.

    Zolang modellen dat niet weergeven, kunnen ze ons dus niet helpen een krediet (of andere financiele) crisis te anticiperen. De vraag is dan of DSGE en soortgelijke modellen processen van liquiditeitsschepping en -vernietiging kunnen incorporeren. Misschien verdraagt zich dat niet met de complete-markten aanname. Misschien zijn dat wel onevenwichtsprocessen, die modelmatig in een heel andere mal gegoten moeten worden. Misschien heeft de algemeen-evewichtsbenadering, en de generaties opvolgers, hier niet zo veel te bieden. Dat is natuurlijk jammer van de enorme hoeveelheden intellectuele energie die in de ontwikkeling van deze modellen gestoken is. Daar ligt nu een nuttige discussie, waarvoor Wouter den Haan een mooie voorzet gegeven heeft.

    Dirk Bezemer
    Rijksuniversiteit Groningen

Reageren
Auteurs
Aanmelden voor de nieuwsbrief