Artikelen
Prestatieverbetering in onderwijs laat zich niet voorschrijven, wel afdwingen
Jan Bouwens - 15 dec 2009 - Onderwijs en wetenschap - 1083 keer bekeken - 2 reacties
Scholen weten zelf het beste hoe onderwijs beter kan. Beloon scholen daarom voor prestatieverbetering in plaats van hen van bovenaf op te leggen hoe ze hun onderwijs moeten inrichten. Het ministerie van Onderwijs doet nog altijd het laatste, Amerikaanse ervaringen laten zien dat het eerste veel beter werkt, stelt econoom Jan Bouwens.
Lessen van commissie Dijsselbloem alweer vergeten
De parlementaire commissie Dijsselbloem concludeerde in 2008 dat het onderwijs verdronk in vernieuwingen die door een drammerige overheid werden bedacht en doorgevoerd. De vraag is of ons ministerie van Onderwijs en zijn adviesorganen de lessen van Dijsselbloem ter harte hebben genomen. Als we naar de oogst van de laatste weken kijken dan luidt het antwoord volmondig nee. Zo wil het CDA, gesanctioneerd door Staatssecretaris Marja van Bijsterveldt, een taal- en rekentoets invoeren voor zittende en voor aankomend docenten. Dat lijkt een verstandige zet, maar is het niet.
Beloon gerealiseerde prestatieverbeteringen
In haar rapport “Naar doelmatiger onderwijs” verzucht de onderwijsraad: “het ontbreekt op dit moment aan empirische evidentie over hoe onderwijs doelmatiger kan.” Het probleem is dat de raad graag een advies wil geven over hoe scholen doelmatigheid kunnen bevorderen. En ja, dat is inderdaad onmogelijk, want onderzoeken spreken elkaar in dat opzicht voortdurend tegen. Maar de raad hoeft ook helemaal niet te adviseren hoe de scholen moeten handelen. Evenmin is er enige behoefte aan dat de het ministerie van Onderwijs voorschrijft wat de scholen moeten doen. Gegeven hun expertise, les geven, kunnen scholen zelf wel bedenken hoe ze onderwijs moeten verbeteren. Het is daarom veel beter om scholen te belonen voor gerealiseerde doelmatigheidsverbeteringen. Ook moeten scholen gestraft worden als zij slecht onderwijs geven. De Amerikaanse onderwijseconoom Brian Jacob wijst met zijn onderzoek de weg.
Het experiment in Chicago
We schrijven eind jaren negentig en het basisonderwijs in het Chicago-district bevindt zich in een deplorabele staat. Op dat moment werd in het 8 miljoen inwoners tellende district een systeem ingevoerd waarbinnen zowel leerlingen als scholen worden aangespoord hun prestaties te vergroten. Leerlingen moeten aan het einde van elk jaar van de basisschool een regionale test ondergaan willen ze worden toegelaten in het volgend leerjaar. Kinderen maken ook een eindtoets in groep 8. Als ze die niet halen stromen zij zonder ‘basisschooldiploma’ door naar het vervolgonderwijs. Scholen die ‘ongediplomeerde’ leerlingen afleveren worden eerst onder curatele gesteld en worden vervolgens opgeheven of geherstructureerd als verbetering uitblijft. Jacob stelt in zijn studie drie vragen: (1) leiden de tests tot betere resultaten; (2) in welke mate zijn resultaten toe te schrijven aan verbeterde testvaardigheid in plaats van betere reken- en taalvaardigheid; (3) zullen leraren en schoolbesturen leerlingen selectief laten deelnemen aan de tests.
Meer inzet
De resultaten van de studie tonen een verbetering met 20 procent (lezen) en 30 procent (rekenen). Deze vooruitgang ging niet ten koste van de kennis op andere gebieden dan rekenen en taal. Het bleek dat leerlingen meer inzet tonen over een breed scala aan onderwerpen. Vaker dan voorheen lieten scholen hun leerlingen (zonder test) zitten en leerlingen werden frequenter naar het speciaal onderwijs doorgeleid. We zien dit ook terug in de deelname aan Cito-toetsen in Nederland. Leerlingen waarvan de schoolleiding verwacht dat ze het gemiddelde ver naar beneden trekken, worden vaak onttrokken aan de Cito-toets.
Ondanks deze nadelen moet worden vastgesteld dat het systeem gemiddeld een enorme verbetering teweeg brengt over gehele leerlingenpopulatie. Dat is aanzienlijk beter dan de proces georiënteerde systemen die in verleden werden geprobeerd. Zo moeten we geen heil verwachten van ouders. Uit onderzoek weten we dat ouders geen niveauverhogend effect teweeg brengen, omdat zij gemiddeld meer op de sociale omgeving hameren dan op de inhoud. Het heil moet dus komen van de toezichthouder, in casu de onderwijsinspectie. Jacob toont aan dat we met de invoering van een systeem waarin we scholen en leerlingen sterker aanspreken op hun prestatie een enorme vooruitgang teweeg kunnen brengen. Het is de prikkel die werkt.
Sturen op manier van onderwijs geven gevaarlijk
Ik ken geen onderzoek naar onderwijseffectiviteit dat zo’n enorme vooruitgang documenteert als dat van Brian Jacob. Integendeel, de onderzoeken die zich richten op de effectiviteit van didactiek spreken elkaar tegen. De Nieuw-Zeelandse onderwijsdeskundige John Hattie bekeek 800 papers waarin het heil van gekozen onderwijsmethoden werd onderzocht. Hattie beschrijft dat de uitkomsten weinig houvast bieden voor aanbevelingen omtrent betere en slechter onderwijssystemen. We zijn derhalve nog lang niet toe aan het uitvaardigen van voorschriften over hoe onderwijs beter kan. Niet voor niets luidt een van de conclusies van ‘de commissie Dijsselbloem’ (p. 130): “Bij de keuze van de oplossingen, met name waar het ging om de didactische vernieuwingen, is nauwelijks aandacht voor de wetenschappelijke onderbouwing. ” In tegenstelling tot de 800 studies van Hattie, kijkt Jacob niet naar de gekozen methode maar naar het effect van een prestatieprikkel. Door scholen zelf te laten kiezen kunnen we dus effecten bereiken van een omvang die zijn weerga niet kent.
Sluit slecht presterende scholen
In Nederland laat de kwaliteit van de basisschoolleraren te wensen over terwijl het aantal leerlingen dat het schoolsysteem binnenkomt met een taalachterstand stijgt. Omdat scholen niet uit eigen beweging verbeteringen zullen doorvoeren, maar zij wel de kennis hebben om verbeteringen te realiseren, zijn sterke externe prikkels nodig die de leerling (samen met zijn ouders) en de schoolleiding een direct belang geven om reken- en taalvaardigheid te verbeteren. Dat betekent dat we in Nederland moeten overwegen een systeem in te voeren waarin leerlingen niet over kunnen gaan naar de volgende klas tenzij zij een minimum taal- en rekenniveau hebben bereikt. Scholen die structureel slecht scoren, kan men beter sluiten. Als we het accent leggen bij de doelmatigheid van het onderwijs, ontstaat vanzelf minder ruimte in de agenda van de leraar om aandacht te besteden aan andere zaken dan onderwijs. Dit is precies wat de onderwijsraad wil.
Ook de opleiding tot leraar beter
In een systeem waarin de basisschool beter moet presteren kan de opleiding tot leraar (PABO) niet achter blijven. De PABO kan in dit systeem niet meer af komen met een docent die slecht kan rekenen of schrijven. De basisschool zal zo’n leraar weigeren aan te nemen! De HBO-instelling die zulke slechte kwaliteit aflevert, zal geen docenten meer aan de scholen kwijtraken en daar kan de overheid de betrokken HBO op aanspreken door uiteindelijk het budget in te trekken. Sterker we zien nu reeds dat de universiteiten de plaats innemen van de HBOs. De universitaire opleiding tot basisschoolleraar van de Universiteit van Utrecht is een doorslaand succes. Als de HBOs niet voortmaken, verliezen zij hun marktpositie!
Conclusie
Scholen moeten zich niet laten voorschrijven hoe ze onderwijs dienen te verbeteren. We mogen scholen wel opleggen dat ze zich moeten verbeteren. Er zit heus voldoende deskundigheid in het onderwijs om de onderwijskwaliteit te verbeteren. Wat ze missen, zijn de juiste prikkels.
Referenties:
Jacob, Brian, ‘Accountability, incentives and behavior: the impact of high-stakes testing in the Chicago Public Schools’, Journal of Public Economics, Volume 89, Issues 5-6, June 2005, Pages 761-796
Hattie, John, ‘Visible Learning: A synthesis of over 800 meta-analyses relating to achievement’, Routledge; 1 edition (Dec 24 2008).
Naar doelmatiger onderwijs, rapport onderwijsraad d.d. 13 november 2009
Rapport ‘Tijd voor Onderwijs’ (“rapport Dijsselbloem”), Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 007, nr. 6, verschenen in boekvorm bij SDU in 2008.
Te citeren als:
Jan Bouwens, “Prestatieverbetering in onderwijs laat zich niet voorschrijven, wel afdwingen”, Me Judice, jaargang 2, 15 december 2009
Dit artikel kan worden overgenomen met bronvermelding. Toezending van bewijsexemplaren wordt op prijs gesteld. © Me Judice
22 december 2009 11:34 -
Jan Bouwens
Geachte heer Van der Heijden,
Ik dank u voor uw bericht.
Na het lezen van uw brief dunkt me dat onze standpunten dichter bijeen liggen dan de sfeer die uw brief anderszins lijkt uit te ademen. Mijn stuk is geschreven om de betutteling vanuit OCW en de HBO-raad een halt toe te roepen.
Ik ben ervoor dat scholen worden aangesproken op hun prestaties en datOCW, raden en koepels stoppen voor te schrijven hoe het nu weer moet in het onderwijs. Ik begrijp dat u de 'schuld' nu wil leggen bij het middelbaar onderwijs die een te laag niveau aanlevert. Nu is het ons HBO en Universiteit nooit gezegd dat we die lage kwaliteit moeten accepteren. Als we onze eigen standaarden handhaafden zou het aantal studenten van HBOs en universiteiten moeten afnemen bij aanmeldingen van een lager niveau. Gebeurt dat ook?
Maar ook op uw bewering dat het basisonderwijs goed werk levert valt het een en ander af te dingen. Als we kijken naar het basisonderwijs dan kan men daar nog slecht spellen en deze situatie wordt onvoldoende gecorrigeerd op tijdens het middelbaar onderwijs. We mogen blij zijn als de leerlingen na de basisschool het onderwerp en de persoonsvorm in een zin weten te vinden. Dat is wat het CITO test. Vraag echter niet wat een lijdend voorwerp is. Kortom het ambitieniveau ligt te laag. Als we aan een PABO denken dan zouden de studenten zich comfortabel moeten voelen in groep 7/8 om de complexere reken- en taalvraagstukken aan de leerlingen uit te legge. Wellicht hoeft de docent deze stof niet integraal over te brengen. Waar het om gaat is dat de docent ver boven de stof staat. Als dat zo is heeft de PABO goed werk afgeleverd.
Ook het rekenniveau laat te wensen over. Ik citeer uit het rapport van de inspectie onderwijs uit 2008: “Het gaat om scholen waarvan de reken-wiskundeprestaties aan het eind van de basisschool ten minste twee van de drie jaren achterblijven bij de gemiddelde score van hun schoolgroep. De omvang van deze groep rekenzwakke scholen ligt voor alle schoolgroepen tussen de 20 en 25 procent.”
Voor een land dat moet excelleren op het gebied van kennis zien we hier toch duidelijk een probleem opdoemen.
Om nu te voorkomen dat we telkens in die val lopen van commissies (inclusief NVAO) die voorschrijven hoe het moet ben ik ervoor dat men voorschrijft wat van de scholen wordt verwacht in termen van output. Ik zou dus willen zien dat de leraar die uw HBO aflevert meer gewild is dan die van uw concurrent. Ook zou ik willen zien dat -bij een gegeven instroomniveau- de leerlingen van basisschool A het beter doen in het vervolgonderwijs dan die van school B. Als we langs deze normen meten vergroten we de kans op een scherper beleid. Voorschrijven hoe het moet is een heilloze weg gebleken en zal het altijd blijven.
Tot slot u geeft aan dat ik een dom advies geef. Een van de uitkomsten van het onderzoek van Jacob is nu juist dat de andere vaardigheden niet leden onder de concentratie op taal en rekenen bij de toetsing van de leerling. Mijn advies is dus niet gebaseerd op een overtuiging maar op een empirisch feit dat gedragen wordt in een bewonersgebied van 8 miljoen mensen.
Ik ontken niet de vele taken die een basisschoolleraar heeft. Ik bestrijd dat hij zo veel moet doen. Een leraar kan niet goed zijn in rekenen en taal en gelijktijdig goed zijn in het oplossen van complexe sociale problemen van de leerling. Zo vind ik het hele idee van "samen weer naar school" roekeloos en schadelijk.
Ik maak graag gebruik van uw uitnodiging op 24 februari a.s.
Jan Bouwens
Geraadpleegde literatuur
Rapport van de inspectie van het onderwijs, Basisvaardigheden rekenen-wiskunde in het basisonderwijs, augustus 2008- 22 december 2009 11:24 -
VdHeijden
Niet over de rug van leerkrachten en Pabo’s,
Bouwens vindt het blijkbaar nodig af te geven op de kwaliteit van de leraren Basisonderwijs en het taal- en rekenniveau waarmee de kinderen het basisonderwijs en de studenten de Pabo verlaten. Ook kan Bouwens het niet laten de kwaliteit van de Hbo-pabo’s ter discussie te stellen ten faveure van de universitaire opleidingen leraar basisonderwijs.
Jammer dat ook hoogleraar Jan Bouwens (Accounting UvT) zich laat leiden door de hype, want er is genoeg relevante informatie beschikbaar waardoor hij een ander geluid zou kunnen laten horen.
Blijkbaar is Bouwens niet op de hoogte dat alle pabo’s op 1 na (Ipabo Amsterdam) door de NVAO inmiddels Hbo-geaccrediteerd zijn. Er kan hierdoor geen enkele twijfel zijn aan het Hbo-niveau van deze opleidingen.
Verder is het absoluut niet zo dat “ universiteiten de plaats van de innemen van de hbo’s”. Er zijn een aantal universiteiten dat probeert de vwo-studenten binnen te krijgen omdat deze vwo-studenten de Pabo onder hun “ vwo-niveau” vinden. De door u zo bejubelde kwaliteit van de gecombineerde opleiding op Universiteit van Utrecht is ook ter discussie te stellen. Zie bijvoorbeeld het artikel in dagblad Trouw van 6 mei j.l. “ Kwart studenten universitaire ‘pabo’ haakt af”.
Helaas schieten de universitaire Pabo’s hun doel voorbij. Binnen de gestelde termijn kan een student niet tot een excellente professional worden opgeleid voor zowel bachelor Leraar basisonderwijs en bachelor Onderwijskunde / Pedagogiek. Het zullen twee magere opleidingen blijken te zijn. Het is maar de vraag of je als basisschool een dergelijke leerkracht zou moeten aannemen.
Er is over het algemeen niets mis met het eindniveau van het taal- en rekenonderwijs waarmee de kinderen de basisschool verlaten. Een tegengeluid van de VMBO, HAVO of VWO scholen over het aangetroffen taal- en rekenniveau heeft de actualiteit nog nooit behaald. Als kinderen de basisschool verlaten is hun taal- en rekenniveau overeenkomstig met bv. de vereiste Cito-normen. Ook allerlei (internationale) onderzoeken geven geen alarmsignalen af. Een fluctuatie van de gegevens blijft, het is zaak opmerkzaam te blijven.
Het advies van Bouwens om leerlingen te laten zitten tenzij ze een voldoende niveau hebben, is een dom advies. Hij onderkent hiermee helaas de opdracht en de complexiteit van het basisonderwijs.
Er komt echter wel terecht commentaar van het Hoger Beroeps Onderwijs en Universitaire opleidingen over het taal- en rekenniveau waarmee de leerlingen het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs verlaten. Het “onderhoud” van het taal- en rekenniveau is iets waar deze scholen de afgelopen jaren te weinig aan gedaan hebben. Pas sinds afgelopen jaar wordt dit erkend en worden er financiën vrijgemaakt om dit herstellen. Ook door het instellen van zogenaamde referentieniveaus voor taal- en rekenen hoopt men dit probleem op te lossen.
Het te lage instroomniveau voor taal en rekenen is dus niet alleen zaak voor de Pabo’s maar voor alle Hbo- en Universitaire opleidingen. Dat heeft niets met de basisschool of de Pabo’s te maken. Het is zo dat alle Pabo’s juist enorme inspanningen doen om aan het eind van de opleiding hun studenten met de juiste kennis te laten af studeren. Ook dit staat niet ter discussie.
Waar het onderwijsveld behoefte aan heeft is aan duidelijke politieke keuzes. Ook het nu weer onder de aandacht brengen van taal- en rekenniveaus door staatssecretaris Marja van Bijsterveldt is een twijfelachtige politieke keuze. Dat er meer is dan alleen taal- en rekenonderwijs is zowel door Kervezee (PO-raad) en Dittrich (NVAO) nogmaals onderstreept tijdens de presentatie van deze kennisbases op 7 december j.l.
Het onderwijs heeft geen behoefte aan nog meer “ nestbevuiling”. Bouwens moet zich er van bewust zijn dat door voortdurende slecht of niet onderbouwde kritiek de maatschappelijke opinie versterkt wordt. Iets waar alle leerkrachten (en aankomende leerkrachten) heel veel last van hebben.
Blijkbaar heeft Accounting (UvT) ook problemen met het taal- en rekenniveau van de instromende studenten. Zaak is dan bij de toeleverende scholen verhaal te gaan halen en niet om via “ een methode tot schoolverbetering” dit over de ruggen van leerkrachten en Pabo’s te spelen.
Pabo Avans Breda doet allerlei inspanningen een bijdrage te leveren aan de doorgaande lijn voor taal- en rekenonderwijs, ook binnen het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs. Bouwens is uitgenodigd op 24 februari bij Pabo Avans Breda a.s om hiervan tijdens een rekenconferentie kennis van te nemen.
Hans van der Heijden
Hogeschooldocent / Voorzitter Onderwijscommissie
Pabo Avans Breda



ShareThis




