Als profijt van de AOW voorop staat, kan de AOW afgeschaft

Als profijt van de AOW voorop staat, kan de AOW afgeschaft image
26 mrt 2009 | | 3276 keer bekeken
FNV-voorzitter Agnes Jongerius vindt verhoging van de AOW-leeftijd onrechtvaardig. De lage inkomens trekken dan nog minder profijt van de AOW, terwijl zij nu al vanwege hun lagere levensverwachting relatief veel premie betalen. Econoom Johan Graafland laat zien dat deze redenering niet klopt: als de uitkering in verhouding moet staan tot de betaalde premie, dan kan de AOW afgeschaft.

Kapitalistische rechtvaardigheid

Jongerius wil dat de AOW-uitkering in verhouding staat tot de betaalde AOW-premie. Omdat de gemiddelde levensverwachting van lage inkomensgroepen lager is dan die van hogere inkomensgroepen, genieten zij veel minder lang van de AOW-uitkering. Een verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd maakt deze verhouding nog schever. Dat maakt deze maatregel volgens Jongerius onrechtvaardig.

Jongerius hanteert een kapitalistische rechtvaardigheidsstandaard: de beloning moet in verhouding staan tot de bijdrage. Deze manier van redeneren heeft twee implicaties, die zij over het hoofd lijkt te zien. Allereerst is de financiering van de AOW-premie niet los te zien van de hele financiering van de collectieve middelen. De solidariteit van de AOW is onderdeel van de solidariteit die in het gehele belasting- en sociale zekerheidsstelsel tot uitdrukking komt. Denk bijvoorbeeld eens aan de relatief hoge belasting van de hoge inkomens. Die is dan ook onrechtvaardig.

Maar ook als we hier rekening mee houden, blijft het punt van Jongerius staan dat lage inkomensgroepen verhoudingsgewijs minder profiteren van de AOW-uitkering (en vermoedelijk ook van de overige collectieve uitgaven). Maar het is gevaarlijk om het kapitalistisch rechtvaardigheidsprincipe te hanteren om deze scheefheid recht te zetten. Als dit principe het leidraad is, kan de AOW in zijn geheel afgeschaft. Het is dan rechtvaardiger om de inkomensvoorziening voor de oude dag volledig te baseren op de andere pijlers van het pensioenstelsel. In deze pijlers is de uitkering immers meer gerelateerd aan het persoonlijke inkomen en derhalve aan de bijdrage die men levert.

Jongerius kan zich beter op John Rawls beroepen

Naast kapitalistische rechtvaardigheid zijn er tal van andere standaarden van rechtvaardigheid. Voorbeelden zijn het libertijnse principe van respect van privaat eigendom, positieve basisrechten, het utilisme en het verschilprincipe van John Rawls.

Over de eerste standaard kan ik kort zijn: het libertijnse principe vereist, evenals het kapitalistisch rechtvaardigheidsprincipe, een volledige afschaffing van de AOW, omdat dit immers een afgedwongen vorm van solidariteit is en het recht op privaat bezit aantast.

Ook als men erkent dat mensen naast het recht op privaat bezit ook het recht op een bestaansminimum hebben, is er geen belemmering voor verhoging van de AOW leeftijd. Te allen tijde blijft het positieve basisrecht op een minimuminkomen gegarandeerd, omdat mensen die bijvoorbeeld vanwege hun slechte gezondheid niet tot de (verhoogde) AOW-leeftijd kunnen blijven werken, recht hebben op een andere uitkering die in een minimaal levensonderhoud voorziet (WAO, WW of bijstand).

Ook het utilisme staat een verhoging van de AOW leeftijd niet in de weg. Volgens deze standaard dient de som van het ‘geluk’ van allen gemaximaliseerd dient te worden. Omdat verhoging van de AOW-leeftijd waarschijnlijk leidt tot een grotere inzet van ouderen in het arbeidsproces, bevordert deze maatregel een welvaartsvaste AOW. Het mes snijdt immers aan twee kanten: de AOW-premies stijgen door de toename van de werkende beroepsbevolking, terwijl de AOW-uitkeringen dalen door het verminderd beroep erop. Ik denk dat dit in de context van een vergrijzende beroepsbevolking het gemiddelde welzijn ten goede komt.

Blijft over het verschilprincipe van John Rawls. Volgens dit principe dienen sociale primaire goederen zoals inkomen en vrije tijd zodanig verdeeld te worden dat de armsten verhoudingsgewijs het meeste ontvangen. Deze standaard biedt wel aanknopingspunten voor het standpunt van Jongerius. Alhoewel een verhoging van de AOW-leeftijd het pensioenstelsel duurzamer zal maken, zullen de laagste inkomensgroepen hier relatief het zwaarste onder zullen lijden, omdat hun vrije tijd verhoudingsgewijs het sterkste daalt. Dat is volgens het principe van Rawls onrechtvaardig. Juist voor deze inkomensgroepen is het uitzicht op vrije tijd na pensionering van groot belang om het vol te houden. Werken is op dit niveau vaak een pure noodzaak.

Tegelijkertijd kan men zich afvragen of het verschilprincipe van Rawls niet een radicalere toepassing vergt. Immers, als men de positie van de armsten wil beschermen, dan is het beter de AOW om te vormen overeenkomstig het bijstandsprincipe met handhaving (of misschien zelfs een verlaging) van de huidige AOW-leeftijd. Dat betekent concreet: schaf de franchise in de pensioenen af en gebruik de AOW enkel om het inkomen van mensen met een te laag pensioeninkomen aan te vullen tot het niveau van het minimum inkomen.

Conclusie

Kortom, als Jongerius wil aantonen dat een verhoging van de AOW-leeftijd niet rechtvaardig is, moet zij bij Rawls te rade gaan. Maar ook bij gebruik van een egalitaristische standaard zoals het verschilprincipe ligt hervorming van de AOW in de rede.

Te citeren als

Johan Graafland, “Als profijt van de AOW voorop staat, kan de AOW afgeschaft”, Me Judice, 26 maart 2009.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.