Angus Maddison: Achter ieder getal een verhaal

Angus Maddison: Achter ieder getal een verhaal image
Op 24 April 2010 is Angus Maddison op 83-jarige leeftijd overleden. De in Newcastle-upon-Tyne geboren Maddison was van 1978 tot aan zijn emeritaat in 1998 verbonden aan de Economische Faculteit van de Rijksuniversiteit Groningen. Hij was één van de meest geciteerde economen in Nederland en genoot internationale faam vanwege zijn bijdragen aan de constructie van lange termijn groeireeksen voor een groot aantal landen wereldwijd. En de lange termijn vatte hij letterlijk op want die reeksen gaan vaak terug tot het begin van de jaartelling. Maar even belangrijk als zijn data werk is zijn studie naar de oorzaken van groei in landen in verschillende fasen van ontwikkeling en institutionele omgeving. Op basis van zijn enorme belezenheid wist Maddison achter ieder getal een verhaal te vertellen. Het is deze combinatie van kwantitatieve en kwalitatieve analyse die zijn werk karakteriseren en zo uniek maken.

Het begin van zijn carrière

Maddison groeide op in de door hevige crisis getroffen industriegebieden in Schotland. Reeds op 13-jarige leeftijd las hij zijn eerste economie boek van Keynes.¹ Dit leidde tot zijn ontdekking van het werk van Colin Clark naar de condities voor economische vooruitgang en diens pogingen om tot international vergelijkbare economische maatstaven te komen.² Het bleek richtinggevend te zijn voor Maddisons latere onderzoeksprogramma. Maddison volgde studies in geschiedenis en economie in Cambridge, McGill en John Hopkins en startte zijn professionele carrière in 1953 bij de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking (OEES), de voorloper van de huidige OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling). Zijn belangrijkste taak was het schrijven van de jaarlijkse reviews van de Europese naoorlogse wederopbouw, en het analyseren van het economische beleid in verschillende lidstaten. Op basis hiervan schreef hij zijn eerste boek waarin hij de stabiele naoorlogse groeiperiode in West-Europa verklaart door een combinatie van nieuwe macro-economische statistiek en een focus op de rol van nationaal en internationaal beleid.³

Ontwikkelingseconomie

In de jaren ’60 verlegde hij zijn aandacht naar ontwikkelingsproblemen buiten West-Europa. Zijn werk voor het Development Centre van de OESO en verscheidene consultancies brachten hem in contact met beleidsmakers en adviseurs in alle hoeken van de wereld, inclusief Brazilië, Ghana, Guinee, Japan, Mongolië, Pakistan en de Sovjet Unie, uitmondend in een verzameling van vergelijkende landenstudies.&sup4; Gedurende deze periode breidde hij zijn statistische database uit met nieuwe maatstaven voor fysiek en menselijk kapitaal, en verschafte hij tevens een sectoraal perspectief op ontwikkeling. De vertraging van de economische groei in Europa na 1973 en de toename in structurele werkloosheid gaf Maddison de gelegenheid zijn inzichten te verbreden naar studies op het gebied van sociaal-, scholings- en arbeidsmarktbeleid. Gedurende deze periode werd het institutionaliseren van internationaal geharmoniseerde statistieken ten behoeve van beleidsanalyses binnen de OESO eveneens een belangrijk doel.

Groningse bloeiperiode

In 1978 werd Maddison benoemd tot hoogleraar aan de Economische Faculteit in Groningen. Dit voldeed aan zijn behoefte aan meer vrijheid om eigen onderzoek te doen en te schrijven. Het interdisciplinaire karakter van de faculteit die indertijd ook groepen van economisch historici en sociologen omvatte speelde een belangrijke rol in zijn keuze. Groningen was, zoals hij het later zelf zou omschrijven, “as close to heaven as can be’. In de jaren ’80 publiceerde hij twee belangrijke monografieën en een invloedrijk artikel in de Journal of Economic Literature over de lange termijn ontwikkeling van kapitalistische landen.&sup5; Hierin karakteriseert hij het groeiproces als een opeenvolging van fasen, met een grote nadruk op systeemschokken. Deze schokken zijn deels historische toevalligheden, maar hun invloed wordt versterkt door geïnduceerde veranderingen in verwachtingen en economisch beleid. In zijn optiek vindt diffusie van technologie en innovatie geleidelijk plaats en niet in golven à la Kondratieff, of bij wijze van een abrupte industriële revolutie in de late 18e eeuw zoals sommigen beweerden. Op basis van zijn kwantitatieve analyse verwerpt hij ook Rostows idee van een investerings-“push” die noodzakelijk zou zijn voor een economische “take-off”.

Al vroeg articuleerde Maddison het belang van economische instituties in verklaringen van convergentie en divergentie tussen landen. Hij maakte een onderscheid tussen zogenaamde “proximate sources of growth” (directe economische inputs zoals arbeid, kapitaal, land en technologie) en “ultimate sources of growth” (zoals instituties, politieke systemen, cultuur en geografie). Dit onderscheid is nu gemeengoed in de ontwikkelingseconomie en bij groei-economen.&sup6; Maddison laat zien dat de complexe interactie tussen proximate en ultimate sources leidde tot een multi-staat ontwikkeling in Europa na de Middeleeuwen. Dit bewerkstelligde dat Europa het economische leiderschap overnam van China. Hij toont aan dat dit take-over proces al plaats vond vanaf 1500, en niet pas in de18e eeuw zoals door anderen betoogd.&sup7;

Na 2000 publiceert Maddison verscheidene updates en uitbreidingen van zijn Statistics on World Population, GDP and Per Capita GDP, 1-2008 AD. Deze zijn beschikbaar via zijn homepage op de website van het GGDC. Deze uitbreiding in tijd en ruimte is niet onbetwist gebleven binnen de professie. Maar het wordt algemeen erkend dat de cijfers van Maddison altijd een goede eerste schatting geven, gegeven de huidige beschikbaarheid van bronnen. Volledige transparantie in zijn methodes en ondersteuning met kwalitatieve analyse dragen daar in hoge mate aan bij.

Een ‘Chiffrephile’

Hoewel Maddison zijn meeste studies alleen uitvoerde, heeft zijn werk wel degelijk school gemaakt. Hij stichtte de “Club de Chiffrephiles”, een zelfbedachte benaming “to characterise economists and economic historians who, like myself, have a strong predilection for quantification”. Ook was hij medeoprichter van het Groningen Growth and Development Center (GGDC), een onderzoeksgroep gericht op de studie van lange-termijn economische groei. Hij was actief betrokken bij het organiseren van internationale bijeenkomsten over Historische Nationale Rekeningen en etaleerde daarbij zijn gave om het nuttige en aangename tijdens zulke conferenties te combineren. Wars van conventies en autoriteitsgevoel behandelde hij een nieuwkomer in het veld net zoals een arrivé, zolang deze maar een interessant verhaal te vertellen had. Een enerverende persoonlijke levensgeschiedenis van de spreker was daarbij een pré. Aan de andere kant hechtte hij zeer aan ceremonieel wat tijdens promoties leidde tot de typische combinatie van een roodfluwelen toga met daaronder witte gympen. In 2006, ter gelegenheid van zijn 80e verjaardag ontving hij een onderscheiding als Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau voor zijn levenswerk. Maddison leidde een dozijn promovendi op, waarvan de meesten nog actief zijn in de academische of beleidswereld op aspecten van Maddisons brede palet van kennisgebieden. Hij maande honderden studenten om verder te kijken dan de standaard tekstboeken voor een verklaring van groeiverschillen. En voor wie de moeite nam op de eerste rij te gaan zitten om naar zijn zacht uitgesproken monologen te luisteren ging de wereld open. Angus Maddison zal worden gemist, maar velen zullen in zijn traditie blijven werken.

Te citeren als

Bart van Ark, Marcel Timmer, “Angus Maddison: Achter ieder getal een verhaal”, Me Judice, 29 april 2010.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.