Arbeidsparticipatie is schokdemper, niet gaspedaal van werkgelegenheid

techniek
Afbeelding ‘Accelerator Test Facility’ van Brookhaven National Laboratory (CC BY-NC-ND 2.0)
19 jan 2016 |
Het Centraal Planbureau (CPB) gaat uit van onjuiste aannames bij het analyseren van werkgelegenheidseffecten van fiscale maatregelen. Zo kan de toename van de werkgelegenheid niet simpelweg gelijk worden gesteld aan de toename in het arbeidsaanbod. Hierdoor wordt de politiek onjuist voorgelicht. Dit stelt Bert Voorneveld naar aanleiding van de discussie rond de door het CPB doorgerekende arbeidsmarkteffecten van een fiscaal extraatje voor huishoudens met één kostwinner.

Kritiek op CPB

Het Centraal Planbureau heeft in het kader van de debatten over het belastingplan 2016 op verzoek van het Ministerie van Financiën een uitspraak gedaan over het voorstel van de christelijke partijen om de eenverdienershuishoudens een fiscaal extraatje te geven. Het ging daarbij met name over het te verwachten werkgelegenheidseffect. Het CPB concludeerde dat het tienduizenden banen zou kosten indien het voorstel van SGP cs zou worden overgenomen en dus werd het door kabinet en kamer verworpen. Deze werkgelegenheidsprognose van het CPB werd in november door diverse commentatoren bekritiseerd (voetnoot 1), hetgeen voor medewerkers van het CPB aanleiding was om ter verdediging van hun methodiek op 2 december 2015 een artikel te plaatsen op het MeJudice forum.

Model CPB

Waar het in deze kwestie om gaat is het volgende. Het CPB beschikt over een nieuw (micro)simulatiemodel, 'MICSIM' genaamd, waarmee voorspellingen kunnen worden gedaan over het effect van financiële prikkels op de arbeidsbereidheid bij specifieke groepen (potentiële) werkzoekenden. Het model is mede gebaseerd op recente data uit empirisch onderzoek en is, voor zover ik dat kan beoordelen, een prima instrument voor het doen van prognoses over de toe- of afname van de beroepsbevolking.

In hun artikel benadrukken de CPB-auteurs allereerst, dat het MICSIM model wordt gebruikt voor de “ langetermijneffecten van wijzigingen in de inkomstenbelasting op de arbeidsparticipatie”. Ze vermoeden dat de kritiek op hun model te maken heeft met “verwarring over langetermijneffecten versus kortetermijneffecten”. Dat vermoeden is, in elk geval waar het mij betreft, onterecht. Ik wil namelijk best aannemen dat de met MICSIM voorspelde effecten op de arbeidsparticipatie pas op de lange termijn zullen optreden, hoewel ik niet zie hoe we op die lange termijn nog een relatie zouden kunnen leggen tussen een bepaalde fiscale maatregel en het (veel) later optredende effect daarvan. Een evaluatie van het model wordt dan wel erg moeilijk, temeer omdat niet wordt aangegeven wat er precies verstaan moet worden onder “lange” termijn. We weten daardoor niet of de bewegingen op de arbeidsmarkt die we op dit moment waarnemen het resultaat zijn van het beleid van Lubbers I, Kok II, of Balkenende III. Om maar een voorbeeld te noemen.

Arbeidsvraag vs. arbeidsaanbod

Ik heb overigens niet de indruk dat de samenleving heel veel behoefte heeft aan prognoses over het aantal werkzoekenden. Doorgaans gaat het ons sociaal-economisch gezien niet zozeer om het aanbod van arbeid, maar veel meer om de vraag daarnaar. De politiek wil van het CPB vooral horen hoeveel banen ontstaan of verdwijnen als gevolg van bepaalde voorgenomen beleidsmaatregelen. En dat liefst niet op de lange termijn, maar vanaf komend jaar, of in elk geval voor de volgende verkiezingen.

Zoals gezegd, indien het MICSIM model alleen zou worden gebruikt voor het doel waarvoor het is ontwikkeld, namelijk voor het voorspellen van trends in de arbeidsparticipatie, zou ik daar geen bezwaar tegen hebben. Maar het MICSIM model wordt ook ingezet om prognoses op te stellen met betrekking tot de banengroei. Dat meent men bij het CPB te mogen doen op basis van een uitgangspunt, dat door de auteurs in het bovengenoemde artikel van 2 december j.l. als volgt werd geformuleerd: (op de lange termijn) “ gaan wij ervan uit dat de procentuele toename van de werkgelegenheid gelijk is aan die van het arbeidsaanbod.”.

Volgens het CPB fungeert dus de arbeidsparticipatie als gaspedaal voor werkgelegenheidsbeleid. Via (negatieve) fiscale prikkels zou een toename van het aantal werkzoekenden kunnen worden bewerkstelligd, wat (op de lange termijn) dan weer leidt tot een (procentueel overeenkomstige) toename van het aantal banen. Om dat te illustreren laat men in een grafiek zien dat werkgelegenheid en arbeidsparticipatie in het verleden een parallel verloop hebben gehad.

Het CPB lijkt hier een statistische correlatie aan te zien voor een causaal verband. Natuurlijk kan een dergelijke samenloop leiden tot een werkhypothese, maar zolang het veronderstelde onderliggende mechanisme niet verklaard kan worden zegt zo'n statistische correlatie weinig.

Ander verband

In een poging om het uitgangspunt van het CPB te toetsen heb ik de cijfers van het CBS over werkgelegenheid (voetnoot 2) en arbeidsparticipatie (voetnoot 3) in hun procentuele verloop naast elkaar gezet over de periode 1996 tot en met 2013.

Figuur 1. Ontwikkeling Nederlandse arbeidsmarkt, procentueel verloop 1996-2013

 Bron: CBS statline

Over deze periode van bijna twintig jaar is van het door het CPB gestelde mechanisme niets te merken. Integendeel, voor zover kan worden gezegd dat de ontwikkeling van de ene grootheid die van de andere volgt, lijkt het er veeleer op dat hier de werkgelegenheid leidend is en niet de arbeidsparticipatie, zoals het CPB aanneemt. We kennen het verschijnsel van de 'discouraged worker'. Waar zou het 'discouragement' van die worker door veroorzaakt worden, als dat niet de constatering is, dat door een dalende werkgelegenheid zijn kansen op een baan uit het zicht verdwijnen?

Uiteraard kan er ook in die richting geen een-op-een relatie zijn. Immers, veel werkzoekenden zijn door dwingende economische noodzaak of vanwege uitkeringsvoorwaarden niet vrij om naar believen afscheid te nemen van de arbeidsmarkt. Maar een deel van het arbeidsaanbod kan dat wel en dat deel fungeert zo onwillekeurig als schokdemper van de officiële werkloosheidsstatistiek.

Resultaten uit het verleden

En dan dit: indien we uit het verleden een conclusie willen trekken voor de toekomst is het een minimale voorwaarde dat de omstandigheden gelijk zijn gebleven. Daar zit ons eigenlijke verschil van mening. Waar het CPB meent dat resultaten uit het verleden een garantie zijn voor de toekomst heb ik op dat punt (zeer) grote twijfels. Mij lijkt juist, dat rond de eeuwwisseling een nieuw tijdperk is aangebroken waarin door snelle en revolutionaire technologische ontwikkelingen enorme aantallen banen verdwijnen. Op zich is dat niets nieuws, maar nieuw is wel dat het banenverlies niet langer in dezelfde mate door aanwas van nieuwe banen wordt gecompenseerd. Uiteraard zal de toekomst uitwijzen wie er op dit punt gelijk heeft, maar voor het tijdig treffen van de juiste beleidsmaatregelen zou het prettig zijn als er snel wat meer duidelijkheid zou komen.

Overigens zijn er meer oude vertrouwde economische principes die we al een aantal jaren niet bevestigd zien. Zo waren we gewend dat economische groei gepaard gaat met banengroei, maar ondanks een weliswaar bescheiden maar toch gestage groei van het BBP is de werkgelegenheid (in arbeidsjaren per duizend inwoners) sinds 2009 alsmaar gedaald.

Ook zeiden we altijd dat economische groei meer welvaart brengt en velen zeggen dat nog steeds. Maar het gemiddelde besteedbare inkomen van de particuliere huishoudens is inmiddels teruggekeerd op het niveau van het jaar 2000, ondanks de economische groei. De recente stijging van de nettogezinsinkomens in 2014 (voetnoot 4) was bovendien cosmetisch, want die was vooral te danken aan een verlaging van de pensioenpremies. De basis, het bruto primaire loon in de marktsector, steeg in 2014 met minder dan het inflatiepercentage.

Naarmate de crisis of stagnatie langer duurt ligt het meer voor de hand om ook aan een structurele oorzaak te gaan denken en niet slechts aan een conjuncturele. Vervanging van menselijke arbeid door technologie zou een verklaring kunnen zijn voor het atypische verschijnsel van afnemende werkgelegenheid bij een stijgend BBP. Maar voor het trekken van die conclusie is het blijkbaar nog te vroeg.

Voetnoten

1. Lex Hoogduin op Twitter (13 nov 2015), Bert Voorneveld in de Volkskrant (19 nov 2015), Willem Vermeend en Rick van der Ploeg in de Financiële Telegraaf (21 nov 2015)

2. CBS Statline werkgelegenheid

3. CBS Statline arbeidsparticipatie

4. Persbericht CBS “Koopkracht gestegen na vier jaar daling”, 7 september 2015

Te citeren als

Bert Voorneveld, “Arbeidsparticipatie is schokdemper, niet gaspedaal van werkgelegenheid”, Me Judice, 19 januari 2016.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.