De ene onbalans is de andere niet

De ene onbalans is de andere niet image
14 sep 2010 | | 2193 keer bekeken
Hoezeer economen tegenwoordig met elkaar ook overhoop liggen, er zijn slechts weinigen die betwisten dat de mondiale onbalans in de handels- en kapitaalstromen op zijn minst gedeeltelijk debet is aan de financiële crisis en de daaropvolgende recessie die de wereldeconomie sinds 2008 op haar grondvesten heeft doen schudden. Maar de ene onbalans is de andere niet, dus is het belangrijk om de gevolgen van de afzonderlijke landen van de externe rekeningen voor de wereldwijde economische stabiliteit en welvaart te wegen.

Het conventionele verhaal van de crisis is bekend: de stijgende huizenprijzen wakkerden de particuliere consumptie in de Verenigde Staten in het begin van dit decennium aan, ondanks de matige loonstijging. Samen met het oplopen van het Amerikaanse begrotingstekort, leidde dit ertoe dat het toch al niet geringe tekort op de lopende rekening explodeerde. Het Amerikaanse tekort werd gespiegeld door grote handelsoverschotten in China en, toen de olieprijs omhoog schoot, ook in de olieproducerende landen zoals de Verenigde Arabische Emiraten.

De relatie tussen China en de V.S. lijkt nog het meest op die tussen een postorderbedrijf en een niet bijster kredietwaardige cliënt. Het land dat de meeste inwoners ter wereld telt, is de grootste buitenlandse schuldeiser van de Amerikaanse overheid en aan de overheid gerelateerde agentschappen, zoals Fannie Mae en Freddie Mac. Volgens de laatste cijfers bedragen de officiële valutareserves van China meer dan 2500 miljard dollar, waarvan bijna tweederde belegd is in Amerikaanse obligaties.

Europa leek ondertussen wonderbaarlijk goed in balans, althans op het eerste oog, of men nu keek naar alle 27 landen van de Europese Unie of de 16 deelnemers aan de eurozone. Terwijl het tekort op de Amerikaanse handelsbalans opliep tot 6% van het BBP, was er in de EU en ook in de eurozone zelden een tekort - of overschot - dat 1% van het BBP te boven ging.

In het afgelopen jaar is echter maar al te duidelijk geworden dat het beeld van een evenwichtig Europa een illusie was. Onder de oppervlakte bouwden zich enorme onevenwichtigheden op, wat resulteerde in door schulden aangewakkerde bubbels op de huizenmarkt in de periferie van de euro. Duitsland en Nederland hadden overschotten op de lopende rekening van 7% tot 9% van het BBP, terwijl Portugal, Spanje en Griekenland juist een tekort hadden van 9% van het BBP of meer.

Een aantal commentatoren stelt dat Duitsland dezelfde rol vervult binnen de eurozone als China in "Chimerica," de term verzonnen door Niall Ferguson en Moritz Schularick om het symbiotische karakter van de relatie tussen China en de V.S. op economisch gebied te beschrijven. En als men uitsluitend kijkt naar de lopende rekening van Duitsland, dan lijkt het daar inderdaad wel een beetje op. In 2007, toen het overschot een recordniveau van 7,5% van het BBP bereikte, had Duitsland een handelsoverschot met de VS (€ 29,5 miljard), gevolgd door Spanje, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Italië. Duitsland had het grootste bilaterale tekort (€ 21,2 miljard) met China, gevolgd door Noorwegen, Ierland en Japan.

Maar daar houdt de vergelijking tussen China en Duitsland dan ook op. Terwijl China een grote netto-ontvanger van buitenlandse directe investeringen (FDI) is, is Duitsland een grote netto-exporteur van FDI. De netto FDI-instroom van China bedroeg 94 miljard dollar in 2008, vergeleken met een netto FDI-uitstroom van Duitsland van 110 miljard dollar.

Buitenlandse directe investeringen maken eenderde deel uit van de Duitse kapitaalbalans. Meer dan de helft van deze investeringen vinden plaats binnen andere EU-landen, en nog eens 30% gaat naar de V.S. Volgens de Bundesbank zijn de Duitse FDI verantwoordelijk voor bijna zes miljoen banen in het buitenland. Dat cijfer omvat dan nog niet de extra banen die het resultaat zijn van de toegenomen economische activiteit in een regio.

Het Duitse overschot is dus veel minder schadelijk dan het Chinese, want het wordt aangewend voor buitenlandse investeringen die bijdragen aan de productiviteit, de economische groei en het scheppen van werkgelegenheid – hetgeen in de regel gepaard gaat met de overdracht van technologie en de ontwikkeling van human capital.

Het Chinese overschot, daarentegen, is grotendeels geïnvesteerd in Amerikaanse staatsobligaties. Daarmee wordt vooral de persoonlijke consumptie gestimuleerd, enerzijds via de belastingverlagingen van Bush die de Amerikaanse staatsschuld de facto transformeerden tot persoonlijke kredieten, en anderzijds doordat Amerikanen op grote schaal de virtuele overwaarde in de eigen woning te gelde maakten. Natuurlijk heeft de consumptieve vraag – aangewakkerd door het Chinese krediet – ook de economische groei bevorderd, maar dan toch vooral in China, via de sterk stijgende export naar de V.S., en niet in de V.S. zelf.

Nu het gros van de Duitse babyboomers de komende tien jaar met pensioen gaat, heeft Duitsland een geldig motief om te sparen. In het licht van de krimpende beroepsbevolking van het land en de reeds hoge verhouding van kapitaal tot arbeid, is het ook begrijpelijk dat Duitse investeerders niet bijster veel mogelijkheden voor binnenlandse investeringen zien, en in plaats daarvan ervoor kiezen om het buitenland te investeren.

Het is onfortuinlijk dat Duitse banken en pensioenfondsen geld hebben geleend aan landen, zoals Spanje, Griekenland en Portugal op al te gunstige voorwaarden, waardoor speculatieve bellen op de huizenmarkt ontstonden die uiteindelijk moesten barsten. Zoals geldt voor elke schuldeiser die een onverstandige investering doet, zouden de banken en pensioenfondsen een prijs moeten betalen in de vorm van een haircut.

Dat laat onverlet dat de verschillen tussen China en Duitsland veel groter zijn dan de overeenkomsten – niet in het minst in termen van hoe ze hun overschotten gebruiken. Het over één kam scheren van alle landen met een overschot op de lopende rekening – of alle landen met een tekort – zal ons niet helpen om een manier te vinden om de wereldeconomie op een duurzaam groeipad te brengen.

Project Syndicate 2010

Bron foto: Flickr

Te citeren als

Heleen Mees, “De ene onbalans is de andere niet”, Me Judice, 14 september 2010.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.