De ene revolutie is de andere niet

Menigte op het Tahrir plein, 12 februari 2011
Afbeelding ‘25 Jan 2011 Egypt Revolution’ van Darla Hueske (CC BY-ND 2.0)
15 feb 2011 |
De politieke en economische frustraties vormden een explosief mengsel in landen als Egypte en Tunesië. Op het oog lijkt de revolutie in deze landen geboren uit een Malthusiaanse crisis waarbij de spanning tussen voedselproductie en bevolkingsgroei voelbaar is. In werkelijkheid is de onvrede echter vooral gericht op dictatoriale regimes en dan vooral op de machthebbers die zich met steun van het Westen vooral als ‘vrienden’ van Israël toonden. De politieke paradox, aldus de Maastrichtse econoom Soete, is dat dictatoriale regimes in het Midden-Oosten met een anti-Israël retoriek wellicht minder te vrezen hebben van de democratiseringsgolf.

Het Midden Oosten ontwaakt

Plots ontwaken we, aan de start van dit nieuwe decennium, in een revolutionair tijdperk. Niet bij ons, maar aan de andere kant van Europa, van wat de Romeinen destijds Nostra Mare noemden, onze (middellandse) zee. En het was ook voorspelbaar. Sinds lang vormen de toenemende frustratie en de uitzichtloosheid op een betere toekomst van de enorme concentratie van werkloze jongeren in het Midden-Oosten een tikkende tijdbom. En dat de revolutie zou starten in landen die het meest afhankelijk zijn van voedselimport was ook niet verwonderlijk. Het Midden-Oosten kenmerkt zich door een reeks opmerkelijke verschillen zoals Tabel 1 illustreert, zowel wat olie- versus toeristeninkomsten als wat voedselimport betreft.

Tabel 1: Relevantie van de bronnen van externe inkomsten van Arabische landen (% van BBP, 2006)

Tabel 1: Relevantie van de bronnen van externe inkomsten van Arabische landen (% van BBP, 2006)
Bron: Brach en Loewe (2010)

Malthus revisited

Zoals de cijfers in tabel 1 aangeven worden Egypte, Tunesië, Libanon, Marokko en Jordanië gekenmerkt door lage (Egypte) of negatieve olie-inkomsten, buitenlandse voedselafhankelijkheid en belangrijke toeristeninkomsten. Het zijn, zoals de meeste andere Arabische landen, ook landen met een relatief hoge bevolkingsgroei. Een combinatie die nog het meest doet denken aan de denkbeelden van Thomas Malthus, de Britse politieke econoom die zo’n 200 jaar geleden met een eenvoudige demografische stelling zijn naam voor eeuwig graveerde in economie schoolboeken: de bevolking heeft de neiging te groeien als een geometrische reeks (1, 2, 4, 8, 16), terwijl de productie van landbouw slechts als een rekenkundige reeks toeneemt (1, 2, 3, 4, 5). De wereld was gedoemd om steeds weer geconfronteerd te worden met regelmatig voorkomende hongersnoden. Die hongersnoden waren in Malthus’ woorden "nature's last most dreadful resource". Thomas Malthus kreeg het gelijk niet aan zijn zijde, integendeel. Ten tijde van ‘s werelds wellicht snelste bevolkingsexplosie ooit, de naoorlogse jaren van de vorige eeuw, groeide de wereld landbouwproductie nog veel harder dank zij onder meer betere productietechnieken, het gebruik van betere veredelde gewassen, van meststoffen en van onkruidbestrijdingsmiddelen, zodat weinig van de verschillende hongersnoden die de wereld de laatste zestig jaar gekend heeft iets van doen hadden met voedseltekorten, eerder met politieke conflicten en menselijk falen in voedseldistributie. Tegelijkertijd nam de groei van de wereldbevolking de afgelopen dertig jaar ook sterk af, opnieuw dankzij contraceptietechnologie, en is er al lang geen sprake meer van een geometrische groei in de wereldbevolking. Het is zoals op zoveel andere terreinen, technologische ontwikkeling die de wereld gered hebben van Maltus’ pessimistisch toekomstbeeld.

Het gebied waar op het eerste zicht Malthus nog steeds relevant lijkt te zijn, is het Midden-Oosten en met name de Magreb-landen in Noord-Afrika: de bevolkingsgroei heeft er misschien geen geometrische tendensen, maar blijft er bijzonder hoog. En schrijnende hongerplaatjes zullen er ook niet te vinden zijn, maar armoede, uitzichtloosheid voor jongeren zijn er alomtegenwoordig. Zoals elders geargumenteerd (Soete, 2008), convergeren juist de aspiraties van jongeren uit deze landen middels Facebook en de vele andere sociale netwerken steeds meer met die van hun tijdsgenoten in Europa.

Frustraties

In die zin vormen de gebeurtenissen die zich begin dit jaar voordeden in Tunesië en nu in Egypte de lont aan het kruitvat van economische en politieke frustraties in het Midden Oosten. Die frustraties richten zich eerst en vooral naar de lokale machthebbers en hun vazallen. Deze personen hebben zich decennialang met medeweten en steun van het Westen op dramatische wijze persoonlijk verrijkt, en hebben nu geen weet hoe ze om moeten gaan met stijgende voedselprijzen, die niet enkel de armsten treffen maar ook de middenklasse. In het geval van Ben Ali was die hebzucht nog relatief beperkt tot zijn familie en die van zijn vrouw; in het geval van Hosni Mubarak is dit veel wijdverbreider en treft het ook grote delen van de Egyptische maatschappij, zelfs het leger. De inkomsten uit aardgas en het Suezkanaal zijn er ook veel hoger. Daarom hield Mubarak het, in tegenstelling tot Ben Ali, langer vol.

Mismanagement voedselaanbod

Maar in beide gevallen ligt lokaal mismanagement van voedselaanbod aan de bron van de revolutie. De van oorsprong Indische Nobelprijswinnaar Amartya Sen heeft er begin jaren tachtig een meesterwerk over geschreven: "Armoede en Hongersnood". Zijn stelling die nu zowel in Tunesië als Egypte bewezen lijkt te worden, luidde: “hongersnood heeft meer van doen met een gebrek aan vrije pers en democratische verkozen overheid dan met een tekort aan voedsel”. De manier waarop voedselhulp georganiseerd kan en moet worden heeft trouwens een lange geschiedenis. In de vierde eeuw voor Christus, kon men in Kautilya’s Arthasastra, een Sanskriet boek over overheidsadvies lezen: "During famine, the king should make a store of food stuffs and show favor (to the subjects) or (institute) the building of forts or water works with the grant of food." (Prasad, 1993). Ben Ali en Hosni Mubarak hadden zich wat meer in de inzichten van economen dienen te verdiepen, dan in hun eigen rijkdom.

Maar de woede en frustratie richt zich niet alleen op de lokale machthebbers. Het is typerend dat de huidige revolutie juist die landen treft waarvan de politieke leiders aan de basis stonden van de ‘koude oorlog/vrede’ met Israel. Vanuit deze optiek mag verwacht worden dat de democratische lont na Tunesië en Egypte overslaat naar Jordanië, en juist niet naar landen zoals Syrië en Iran waar de politieke leiders hun populariteit juist hebben weten te handhaven dankzij hun anti-Israël retoriek. Het is wellicht de politieke paradox ten top. In plaats van de democratische revoluties in het Midden Oosten te verwelkomen, maken onze politici zich vooral zorgen om de veiligheid van Israël.

* Dit artikel verscheen eerder in verkorte vorm in De Limburger van 12 februari 2011.

Referenties:

Brach, J. and Loewe, M. (2010), The global financial crisis and the Arab world: Impact, reactions and consequences, Mediterranean Politics 15: 1, 45-71.

Prasad, M.G. (1993),“Social Justice in Ancient India” in Irani, K.D. and Morris Silver (Eds.) Social Justice in the Ancient World, City University of New York, p. 96.

Sen, A. (1981), Poverty and Famines: An Essay on Entitlement and Deprivation. Oxford, Clarendon Press 1981.

Soete, L. (2009), Malthus' Revenge, UNU-MERIT Working Paper.

Te citeren als

Luc Soete, “De ene revolutie is de andere niet”, Me Judice, 15 februari 2011.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.