De kenniseconomie valt niet centraal te sturen

De kenniseconomie valt niet centraal te sturen image
Afbeelding ‘Studentenprotest 21/01/11’ van Thijs Kuipers (CC BY-NC-SA 2.0)
De kenniseconomie is de speelbal van bestuurders die denken dat innovatie een proces is dat van bovenaf gestuurd kan worden. Deze denkfout is volgens zes wetenschappers van de Radboud Universiteit een zeer kostbare. Wie een florerende economie wil hebben, moet beseffen dat kenniscreatie een onvoorspelbaar proces is en daarom durven te vertrouwen op het zelfsturende vermogen van wetenschap en innovatie.

Van kennis naar kassa

Na de opening van het academisch jaar staan ook de verkiezingen voor de deur. Alle serieuze partijen streven naar een versterking van de kenniseconomie als dé weg om ons hoge welvaartsniveau te bestendigen. De typisch Hollandse slogan ‘Kennis-Kunde-Kassa’ suggereert daarbij dat de universiteiten aan het begin staan van een lopende band, met aan het begin studenten en fundamenteel onderzoek en aan het eind economische groei via innovatie. Met deze ‘top-down’ aanpak spant de politiek echter het paard achter de wagen: zoals de geschiedenis leert floreert innovatie juist bij een ‘bottom-up’ benadering.

De lopende band wordt gestuurd door middel van een afrekencultuur rond output en rendement, concreet ingevuld door voortdurende en tijdverslindende competities om onderzoeksmiddelen, scores bij visitaties, en plaatsen op internationale ranglijstjes. Het ‘New Public Management’, de sinds begin jaren negentig in het kielzog van het neo-liberalisme uit de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk overgewaaide vorm van marktdenken voor de publieke sector, veronderstelt daarbij dat universiteiten zo efficiënt mogelijk meetbare en voorspelbare doelen na dienen te streven. Hetzelfde geldt voor de beoogde publiek-private samenwerking, waar vooral sinds het topsectorenbeleid van de huidige regering weinig aan het toeval wordt overgelaten.

Sturing en wantrouwen

Wat is er mis met deze ‘top-down’ benadering? De politiek straalt ten eerste een groot wantrouwen uit jegens het traditionele zelforganiserend en zelfreinigend vermogen van de wetenschap, die ook zonder politici, maar bijvoorbeeld via peer-review, al voortdurend wordt getoetst en gecontroleerd. De nieuwe straf- en beloningsmethodes voor hoger onderwijs van de overheid voegen niets toe aan deze interne kwaliteitscontrole.

Affaires als die rond Diederik Stapel vormen een hoge uitzondering en zelfs daar vond de ontmaskering plaats door andere wetenschappers, en niet via het huidige controlesysteem, waarin hij juist hoog scoorde. Alle Nederlandse universiteiten behoren al een eeuw lang wereldwijd tot de top-200: een unieke, langdurige topprestatie met navenante uitstraling naar onze economie en welvaart.

De stap van wetenschap naar welvaart is onvoorspelbaar

Ten tweede miskent de ‘top-down’ benadering de rol van universiteiten en wetenschappelijk onderzoek in de kenniseconomie. De geschiedenis leert dat economisch cruciale ontwikkelingen als elektriciteit, de computer en het internet voortkwamen uit juist het fundamentele onderzoek dat nu wordt wegbezuinigd. De omzetting van wetenschap in welvaart, die de basis vormt van de moderne westerse samenleving, is een onvoorspelbaar proces, dat haar uiteindelijke basis heeft in de nieuwsgierigheid, originaliteit en ambitie van individuele geesten die in het juiste klimaat zelf hun bakens uitzetten en zich niet laten leiden door ‘beleid’.

Ook rond de publiek-private samenwerking, die uiteraard een onmisbaar onderdeel is van het innovatieproces, dreigt het overheidsingrijpen een averechts effect te hebben. Een directe relatie tussen input (overheidsgeld) en output (economische groei via innovatie), bijvoorbeeld via een lineaire route van onderzoek op de universiteit naar commerciële toepassing, is in het algemeen meetbaar noch verantwoordbaar. Het expliciet daarop aansturen is zelfs contraproductief, zeker als dit budgetneutraal gebeurt. Recent waarschuwde de Europese Commissie de Nederlandse regering dan ook uitdrukkelijk voor de gevolgen van het topsectorenbeleid:

"Daarnaast kan het negeren van fundamenteel onderzoek en het bevorderen van toegepast onderzoek op lange termijn de groeivooruitzichten van de economie schaden. Wat dat betreft is het zorgwekkend dat de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) in het kader van de ‘topsector’-aanpak een aanzienlijk deel van de middelen voor fundamenteel onderzoek heeft bestemd voor toegepaste doeleinden." (COM(2012) 322 final, p. 23)

Zinnig alternatief

Wat is dan het alternatief voor de ‘top-down’ aanpak? In onze ogen moet de overheid niet — met achteruitziende blik — de producten van innovatie stimuleren, maar juist het onderliggende proces. Het beleid moet gericht zijn op het onderhouden en versterken van een kennis- en innovatieklimaat, waarin de universiteiten een centrale rol spelen. Deze rol bestaat uit het archiveren, met elkaar verbinden, en verder ontwikkelen van her en der ontstane kennis, en in nauwe samenhang daarmee het aan de volgende generatie doorgeven van dit gesynthetiseerde kennisarchief. De aldus opgeleide mensen kunnen vervolgens naar hartenlust gaan innoveren, of dit nu gebeurt in een eigen bedrijfje, bij een multinational, of zonder winstoogmerk.

Universiteiten zijn niet het begin van een lopende band, maar een bijzonder knooppunt in een netwerk. Geld dat initieel in de universiteiten is geïnvesteerd hoeft allerminst in de vorm van geld terug te komen, waarbij het uiteraard ook binnen deze aanpak doodnormaal is dat verantwoording wordt afgelegd over de besteding van overheidsgeld. Publiek-private samenwerking moet daarbij niet geforceerd, maar aangemoedigd worden. De geschiedenis van de Industriële Revolutie leert dat dergelijke samenwerking spontaan ontstond, en wel op onmogelijk van tevoren te voorspellen gebieden. Slechts op een dergelijke ‘bottom-up’ wijze kan het chaotische proces van innovatie groeien en bloeien.

Kortom, investeer niet ten koste van de breedtesport in de bekende namen die in 2012 goud wonnen, maar versterk het proces dat de nu nog onbekende topsporters van 2028 gaat opleveren. De rest gaat vanzelf.

Referenties

COM(2012) 322 final: Beoordeling van het nationaal hervormingsprogramma 2012 en het stabiliteitsprogramma 2012 voor Nederland,

Edgerton, D., 2006, The Shock of the Old, Oxford: Oxford University Press.

Mirowski, Ph., 2011, Science Mart, Cambridge, MA: Harvard University Press.

Mokyr, J., 2010, The Enlightened Economy: An Economic History of Britain 1700-1850, New Haven:Yale University Press.

Münch, R., 2011, Akademischer Kapitalismus, Frankfurt: Suhrkamp.

Gaye Tuchman, 2009, Wannabe U, Chicago: University of Chicago Press.

* Dit stuk verscheen in gewijzigde vorm in de Volkskrant van 3 september 2012.

Te citeren als

Robert-Jan Wille, Esther-Mirjam Sent, Christoph Lüthy, Klaas Landman, Floris Heukelom, Willem Halffman, “De kenniseconomie valt niet centraal te sturen”, Me Judice, 3 september 2012.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.