De Nederlandse vrouw die meer wil werken staat onder dubbele druk

De Nederlandse vrouw die meer wil werken staat onder dubbele druk image
23 dec 2008 | | 30595 keer bekeken
De arbeidsdeelname van Nederlandse vrouwen is in de afgelopen drie decennia sterk toegenomen. De Nederlandse vrouw is echter kampioen deeltijdwerk. Terwijl in een land als Zweden deeltijdwerk een overgangsverschijnsel was, blijkt het in Nederland een hardnekkig verschijnsel. De verklaring is simpel: de Nederlandse werkende vrouw heeft te maken met een dubbele druk van de fiscus en het thuisfront: de financiële prikkel om meer te werken is niet groot en de last vanuit het huishouden neemt ook niet navenant af als men meer uren gaat werken. De partner helpt niet erg mee om de huishoudelijke druk op te vangen.

De discussie of deeltijdarbeid goed of slecht is voor de arbeidsmarktpositie van vrouwen kent een lange geschiedenis. De Zweedse econome Marianne Sundström (1991) bijvoorbeeld verwijst naar een discussie in de jaren zeventig die nog niets aan actualiteitswaarde heeft verloren. Die discussie gaat over de vraag of deeltijdarbeid een val is of kansen biedt. De val bestaat eruit dat deeltijdwerk slecht betaald wordt, weinig promotiemogelijkheden biedt en weinig perspectieven geeft op een voltijdbaan. Het werken in deeltijd leidt hierdoor tot marginalisering van vrouwen op de arbeidsmarkt. Daar staat tegenover dat het voor sommige vrouwen om wat voor reden dan ook niet mogelijk is voltijds te werken. Een deeltijdbaan geeft dan de gelegenheid om te werken en een inkomen te genereren. Sundström laat zien dat op de Zweedse arbeidsmarkt deeltijdbanen de positie van vrouwen niet gemarginaliseerd hebben. In tegendeel, die deeltijdbanen hebben hun positie op de arbeidsmarkt versterkt. De sterke groei van deeltijdarbeid bleek een overgangsfase te zijn. Met het doorgroeien van de arbeidsparticipatie in Zweden nam het aandeel in deeltijd werkende vrouwen weer af.

Nederlandse vrouw aan het werk

De participatie van vrouwen op de Nederlandse arbeidsmarkt is sterk toegenomen in de afgelopen decennia. Nu heeft ruim 65% van de vrouwen van 15-64 jaar een baan van 1 uur per week of meer, dertig jaar geleden was dit nog maar 30% (1). Ook het aantal in deeltijd werkende vrouwen is sterk toegenomen. Die twee ontwikkelingen hangen nauw met elkaar samen. Zonder deeltijdarbeid was de participatie lang niet zo snel gestegen. De overheid heeft zich aanvankelijk niet met die groei bemoeid. Pas in de jaren tachtig toen inmiddels de helft van de werkende vrouwen een deeltijdbaan had ging de overheid deeltijdwerk actief stimuleren om de arbeidsparticipatie van vrouwen te verhogen. Inmiddels werkt van de werkende vrouwen meer dan de helft in deeltijd. En, dat doen ze niet tegen hun zin. Volgens het SCP komt het nauwelijks voor dat vrouwen in deeltijd werken omdat ze geen voltijdbaan kunnen vinden. Vrouwen zijn over het algemeen tevreden over het werken in deeltijd. Voor jonge vrouwen wordt de keuze voor deeltijdarbeid ingegeven doordat het moeilijk is arbeid en zorg voor kinderen te combineren. Maar ook oudere vrouwen, die geen jonge kinderen hebben werken zeer veel in kleine deeltijdbanen (Portegijs et al., 2008b). Van de totale groep in deeltijd werkende vrouwen is 40% moeder van jonge kinderen (0-11 jaar). Zo'n 10% is jong zonder kinderen en bijna de helft van de deeltijdwerkers zijn vrouwen boven de 40 jaar zonder kleine kinderen. De vier meest genoemde redenen om in deeltijd te werken zijn: het zelf willen verzorgen voor de kinderen (38%), het huishouden (21%), tijd voor jezelf (17%) en tijd voor sociale contacten of hobby's (13%).

Momenteel staat deeltijdarbeid onder druk. De trots van beleidsmakers op de hoge arbeidsparticipatie van vrouwen heeft plaats gemaakt voor schaamte voor het grote aantal in deeltijd werkende vrouwen. De commissie Bakker stelt bijvoorbeeld: “In een arbeidsmarkt die steeds krapper wordt en waarin het aanbod van arbeid substantieel afneemt, kunnen we ons deze onderbenutting van vrouwelijk talent niet langer veroorloven” (Commissie Arbeidsparticipatie, 2008). Ook in recente rapporten van het Sociaal en Cultureel Planbureau (Portegijs et al., 2008a en 2008b) wordt aandacht besteed aan de mogelijkheden om in deeltijd werkende vrouwen te verleiden tot het uitbreiden van hun arbeidstijd. De arbeidsdeelname van vrouwen moet volgens het SCP omhoog al was het alleen al vanwege de vergrijzende bevolking.

Werken prikkels?

De vraag hoe vrouwen die in deeltijd werken ertoe gebracht kunnen worden om langer te gaan werken is niet gemakkelijk te beantwoorden. De commissie Bakker stelt fiscale maatregelen voor. De overheid moet de overdraagbaarheid van de heffingskorting volledig afschaffen en daarvoor in de plaats een fiscale bonus instellen voor tweeverdieners. De marginale belastingdruk voor deeltijdwerker is hoog; de mediane deeltijdwerker heeft een marginale druk van 47 procent: van iedere euro die men extra verdient verdwijnt 47 procent naar de fiscus. Daarnaast stelt de commissie voor de kinderopvangtoeslag afhankelijk te maken van uitsluitend het inkomen van de meest verdienende partner in plaats van het verzamelinkomen van het hele huishouden. Volgens het SCP is er geen duidelijk antwoord op de vraag of het vooral financiële prikkels of culturele factoren zijn die de beslissingen van vrouwen over de arbeidsdeelname bepalen (Portegijs et al., 2008a). Als het gaat om financiële prikkels lijkt die wat meer de keuze voor het al dan niet werken te beïnvloeden dan de beslissing over het aantal uren.

Hardnekkige voorkeuren

Uit een recente analyse van het Centraal Planbureau blijkt wel dat er onder recente cohorten vrouwen vaker in deeltijd wordt gewerkt, maar de toename betreft zowel kleine als grote deeltijdbanen (Bosch et al. 2008). Het leeftijd-uren profiel is vrij constant. Onder werkende vrouwen wordt het maximum aantal van 33 uur per week bereikt op ongeveer 26-jarige leeftijd; daarna neemt het aantal uren af. Tussen de 35 en 55 jaar is het gemiddelde aantal gewerkte uren stabiel met ongeveer 25 uur per week. Het is niet zo dat jongere cohorten vrouwen meer geneigd zijn om langer te werken dan oudere cohorten. Wat dit betreft is de voorkeur voor een beperkt aantal arbeidsuren per week een “gestold verschijnsel”. De arbeidsparticipatie van vrouwen is sterk toegenomen, de arbeidstijd gegeven de participatie niet.

Waarom zo weinig beweging?

Waarom gaan deeltijdwerkers niet langer werken? Al is het maar voor enkele uren per week zoals de commissie Bakker graag zou zien. Wel, de prikkels om dat te doen zijn niet bijzonder groot. Naast de al eerder genoemde beperkte financiële prikkel is er ook nog een beperkte huishoudelijke prikkel. Voor zover er binnen een gezin een afruil plaatsvindt tussen huishoudelijke activiteiten en betaalde arbeid is die voor vrouwen niet erg gunstig. In een gezin waarin bij een gegeven aantal uren betaalde arbeid van de man de vrouw meer betaalde arbeid gaat verrichten neemt de man nauwelijks een groter deel van de huishoudelijke arbeid voor zijn rekening. Uit onderzoek naar de verdeling van huishoudelijke en betaalde arbeid tussen partners in Australische gezinnen bleek dat indien de vrouw 1% meer van de betaalde arbeid voor haar rekening nam daar slechts een vermindering van huishoudelijke taken van 0.2-0.3% tegenover stond (Booth en Van Ours, 2009). Ook in Amerikaanse gezinnen bleek een dergelijke voor vrouwen ongunstige afruil te bestaan (Akerlof en Kranton, 2000). In Nederland is dat niet anders. Op basis gegevens uit het Tijdbestedingsonderzoek 2000 heb ik Figuur 1 gemaakt.

Figuur 1: Aantal uren huishoudelijk werk als functie van het aantal uren betaald werk van de vrouw (uren per week)

Toelichting: De grafiek is gebaseerd op gegevens van 772 gezinnen waarvan de man een volledige baan heeft en de vrouw tussen 25 en 55 jaar oud is; Bron: Tijdbestedingsonderzoek 2000.

Het gaat om tweepartner-gezinnen – met en zonder kinderen – waarvan de man een voltijdbaan heeft. De figuur laat zien dat met het toenemen van het aantal uren betaalde arbeid van de vrouw het aantal uren huishoudelijke arbeid van de man nauwelijks toeneemt. Het aantal uren huishoudelijke arbeid van de vrouw daalt wel, maar minder dan proportioneel. Gemiddeld gezien geldt voor vrouwen die 8-11 uur werken dat ze voor elk uur extra betaalde arbeid 33 minuten minder huishoudelijk werk verrichten, terwijl hun partner 6 minuten meer huishoudelijk werk verricht. Met andere woorden de marginale “huishoudelijke druk” voor de vrouw bedraagt 45 procent en is hiermee ongeveer even groot als de marginale belastingdruk.

Tot slot

Met een oplopende werkloosheid is het probleem van de lage arbeidsdeelname van vrouwen iets minder urgent geworden maar de schaarste op de Nederlandse arbeidsmarkt zal ongetwijfeld weer snel terugkomen. Het grote aandeel deeltijdwerkers onder Nederlandse vrouwen lijkt niet van voorbijgaande aard te zijn. Anders dan in Zweden waar deeltijdarbeid een overgangsfase bleek lijkt de hoge graad van deeltijdarbeid voor vrouwen een evenwichtssituatie die moeilijk te veranderen is. Vrouwen die langer zouden willen werken worden geconfronteerd met een dubbele marginale druk: een financiële en een huishoudelijke. Die dubbele druk moedigt de uitbreiding van de arbeidstijd bepaald niet aan.

Voetnoot:

(1) Onder mannen van 15-64 jaar was de arbeidsdeelname met 80% in 2006 even groot als in 1975; bron: Portegijs et al. (2008b).

Referenties:

Akerlof, G.A., Kranton, R.E. (2000) Economics and identity, Quarterly Journal of Economics, 115, 715-753.

Booth, A.L., Van Ours, J.C. (2009) Hours of work and gender identity: Does part-time work make the family happier? Economica, te verschijnen.

Bosch, N., A. Deelen, R. Euwals (2008) Is part-time employment here to stay? Discussion Paper 100, Centraal Planbureau, Den Haag.

Commissie Arbeidsparticipatie, 2008, Naar een toekomst die werkt, Den Haag, zie tevens op deze site het artikel van: Lans

Bovenberg en Jan Willem Oosterwijk, "Naar een toekomst die werkt", Me Judice, 19 juni 2008.

Portegijs, W., Keuzenkamp, S. (2008a) Nederland deeltijdland, Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag.

Portegijs, W., Cloïn M., Keuzenkamp, S., Merens, A., Steenvoorden, E. (2008b) Verdeelde tijd; waarom vrouwen in deeltijd werken, Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag.

M Sundström (1991) Part-time work in Sweden: trends and equality effects, Journal of Economics Issues, 25, 167-178.

Te citeren als

Jan van Ours, “De Nederlandse vrouw die meer wil werken staat onder dubbele druk”, Me Judice, 23 december 2008.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.