De stakeholder en de portemonnee van de onderneming

28 aug 2014 | | 503 keer bekeken
In Europa hebben stakeholders uitgesproken meningen over wie eigenaar is van een onderneming en aan wie verantwoording moet worden afgelegd over het ondernemingsbeleid. De bedrijfsethicus Harry Hummels bepleit een herwaardering van de visie van Friedman op stakeholders en verantwoord ondernemen. Die staat haaks op de Europese visie, waarin de stakeholders vaak bepalen wat verantwoord is en wat niet, en daarbij maar al te graag spelen met andermans geld.

Friedmans visie op verantwoord ondernemen

Door de jaren heen ben ik Milton Friedman meer gaan waarderen. Dat klinkt wellicht vreemd voor een Europese hoogleraar Ethiek. Friedman heeft een kristalheldere, maar vaak verguisde, visie op verantwoord ondernemen. Het is de maatschappelijke verantwoordelijkheid van een onderneming om zoveel mogelijk winst te maken, binnen de grenzen van de wet en het fatsoen. Kom daar na de financiële crisis nog eens om in het door het stakeholder denken gedomineerde Europa. Om Friedman beter te begrijpen beginnen we met de vraag wat eigenlijk een onderneming is.

De onderneming

Historisch gezien is de onderneming een op winst gerichte entiteit die een maatschappelijke taak vervult. Om te kunnen ondernemen was de goedkeuring van de samenleving vereist en die was gebonden aan een nauwkeurig omschreven maatschappelijke taak. Pas met de introductie van de Oost-Indische Compagnie kon een onderneming na het uitvoeren van haar missie blijven bestaan. Tot die tijd kwamen financiers bijeen, droegen bij aan de bekostiging en gaven opdracht tot uitvoering van het doel van de onderneming – bijvoorbeeld het verwerven van specerijen. Bij terugkomst werden de goederen verkocht en de opbrengsten pro rato verdeeld, waarna de onderneming werd ontbonden (Monks, 2001; Fentrop, 2002). Nog eeuwen na het door de VOC geïntroduceerde ondernemingsconcept, bleef er sprake van een toetsing van de maatschappelijke doelstellingen van de onderneming. In de kern namen de financiers of eigenaren van de onderneming in dit model het risico om uit eigen zak een maatschappelijke taak te verrichten waarvoor zij de goedkeuring hadden van de samenleving. Centraal in dit denken staat dus de bereidheid van een financier of ondernemer om risico te nemen ten behoeve en in opdracht van de samenleving. Om dat risico te beheersen waren betrouwbare uitvoerders vereist, waarop toezicht moest worden gehouden – zowel in het eigen financieel belang als in het belang van de samenleving (vgl. Clark, 1981). Hier ligt de oorsprong van het denken over ‘good governance’, waarbij managers optreden als uitvoerders – de ‘agents’ – van de opdrachtgevers – de ‘principles’.

Het stakeholder denken

Hoe anders is de wereld op dit moment. De instemming van de samenleving beperkt zich tot de inschrijving bij de Kamer van Koophandel, terwijl de maatschappelijke taak bestaat uit het aanbod van alles dat niet verboden is of overlast veroorzaakt. Wie zich aan de regels houdt, heeft vrijwel onbegrensde speelruimte. Het is mede om deze reden dat ‘stakeholders’ zich in toenemende mate roeren. Stakeholders zijn belanghebbenden en er zijn, grosso modo, twee soorten. Allereerst zijn er de strategische stakeholders die de realisatie van de doelstellingen van de onderneming kunnen beïnvloeden. Daarnaast zijn er de normatieve stakeholders. Zij worden in hun belangen geraakt door de bedrijfsactiviteiten vaak zonder dat zij daarom hebben gevraagd. De opkomst van de stakeholder-economie ligt vooral in het tweede, normatieve domein. Per slot van rekening zal de onderneming uit zichzelf rekening willen houden met alle belanghebbenden die haar doelstellingen kunnen beïnvloeden, zoals de financiers, goed opgeleide medewerkers, of de klanten. In de bedrijfsuitingen geldt dat ook voor de belangen van ongeschoolde arbeiders in opkomende landen, toekomstige generaties of het milieu. De praktijk wijst veelal anders uit.

Continentaal Europa wordt gedomineerd door het aan Ed Freeman (1984) ontleende stakeholder-denken. En soms is dat terecht, zoals bij de ramp met de kledingfabriek in Dhaka op 24 april 2013. Druk vanuit de samenleving op de grote merken om te zorgen voor een goede veiligheid en adequate arbeidsomstandigheden bij hun toeleveranciers is dan gepast. Ook het betalen van een leefbaar inkomen is in toenemende mate op zijn plaats. De vraag is dan: wie draait voor de kosten op? De opdrachtgevers wijzen al snel naar de toeleveranciers, terwijl maatschappelijke organisaties de verantwoordelijkheid neerleggen bij de grote merken. Zij moeten de toeleveranciers in staat stellen om zorg te dragen voor veilige en goede arbeidsomstandigheden.

Een greep uit andermans portemonnee

Nu is het altijd makkelijk om te regeren over andermans portemonnee. Daarbij wordt echter in de regel geen rekening gehouden met de mogelijke externe effecten van dergelijke maatregelen. Wie de lonen van ongeschoolde werkers of de veiligheid verhoogt doet iets moreel lovenswaardigs, maar zet daarmee mogelijk het bestaande business model onder druk. Uiteindelijk kan de onderneming in een mondiale financiële markt alleen kapitaal verwerven als de verstrekkers ervan marktconform worden gecompenseerd. En dat is nu de wijze les die Friedman ons in zijn artikel uit 1970 leert. Een onderneming kan zijn geld maar een keer uitgeven: aan de aandeelhouders voor een hoger dividend, aan de werknemers voor een hoger loon, aan de klant voor een lagere prijs, of aan haar maatschappelijke verantwoordelijkheid door de veiligheid van de bedrijfsprocessen te verbeteren. Juist de stakeholders kunnen en willen niet kiezen. Ze vinden alle aanspraken legitiem – die van de aandeelhouders vermoedelijk nog het minst. Laat dat nu net degenen zijn die als zogenaamde ‘residual claimants’ het meeste risico lopen met hun investering. Zij krijgen pas uitbetaald als er keurig is afgerekend met alle andere belanghebbenden. Tegelijkertijd zijn zij wel degenen die bepalen waar zij hun geld investeren en waar niet.

In de VS – en in Friedmans denken – zijn de aandeelhouders de eigenaren van de onderneming aan wie het management verantwoording aflegt. In Europa leeft een ander beeld. Het management dient zich te verantwoorden ten overstaan van alle stakeholders – of zij nu direct worden geraakt in hun belangen of zich opwerpen als vertegenwoordigers zijn van het algemeen belang. Corporate managers hebben inmiddels geleerd dat zij het gesprek dienen te voeren met (maatschappelijke) stakeholders, op straffe van slechte publiciteit en mogelijk reputatieverlies. Corpwatch laat zien dat aan voorbeelden geen gebrek is: van de oliesector in kwetsbare natuurgebieden tot financiële instellingen en van de kledingindustrie tot de mijnbouwsector. Dat ondernemingen aangesproken dienen te worden op hun verantwoordelijkheid als zij aantoonbaar de belangen schaden van aanwijsbare stakeholders staat vast. Dat is wat anders dan het hameren op ‘single issues’ die vaak geen directe relatie hebben met de doelstellingen van de onderneming. Op lange termijn hebben de stakeholders meer belang bij het bevorderen van ‘good governance’ en een goede kwaliteit van het management. Hierin vinden ze aandeelhouders aan hun kant, zolang de laatsten adequaat worden gecompenseerd voor het risico dat zij lopen. Wie niet inziet dat in een mondiale kapitaalmarkt aandeelhouders marktconforme rendementen verwachten, prijst zichzelf uit de markt. In een mondiale markt zijn er voldoende mogelijkheden tot interessante investeringen, waarvoor een adequate vergoeding wordt geboden. Als aandeelhouders zich terugtrekken heeft dat gevolgen voor de werkgelegenheid en de beschikbaarheid van de producten. Daar gaat in de regel niemand dood aan, maar juist Europese ondernemingen blijken dan kwetsbaarder dan menig stakeholder beseft. Juist Friedman realiseerde zich dit toen hij aangaf: “There is no such thing as a free lunch”. Ook niet voor stakeholder-denkers.

Referenties:

Clark, R.C. 1981, The Four Stages of Capitalism, Harvard Law Review, Vol. 94.

Fentrop, P., 2002, Ondernemingen en hun aandeelhouders sinds de VOC, Amsterdam.

Friedman, M., 1970,‘The social responsibility of business is to increase its profits’. In: New York Times Sunday edition, 13 september 1970

Freeman, R.E., 1984, Strategic Management. A Stakeholder Approach, Pitman, Boston, MA.

Monks, R., 2001, The New Global Investors, Capstone, Oxford.

Te citeren als

Harry Hummels, “De stakeholder en de portemonnee van de onderneming”, Me Judice, 28 augustus 2014.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.