De Wereldhandelsorganisatie is overbodig

De Wereldhandelsorganisatie is overbodig image

Afbeelding ‘WTO comes to Hong Kong’ van Edwin Lee (CC BY-ND 2.0)

De Wereldhandelsorganisatie (WHO) was een belangrijke factor in het corrigeren of opheffen van handelsbelemmeringen in de wereld. Echter de wereld van de handel is allang niet meer de traditionele wereld van handel van de negentiende eeuw. Het productieproces wordt steeds meer opgeknipt en de problemen waar de WHO voor op zou moeten komen zijn van een andere orde. Volgens Brakman en Van Witteloostuijn maakt de WHO zichzelf overbodig als men zich niet aanpast aan de nieuwe realiteit.

Nieuw DG

In een opmerkelijk open procedure is de nieuwe directeur-generaal van de Wereldhandelsorganisatie (WHO) gekozen. De longlist met negen kandidaten, die zich in het openbaar aan het grote publiek moesten voorstellen, werd teruggebracht tot een shortlist met Herminio Blanco (Mexico), en Roberto Carvalho de Azevêdo (Brazilië). Inmiddels is De Azevedo gekozen en hij kan zijn lastige werk op 1 september beginnen. Hij hoeft zich niet te vervelen gezien de vele protectionistische gevaren die in deze crisisjaren de kop op steken. Denk alleen al aan het dreigende conflict tussen de EU en China dat zonnepanelen op de Europese markt verkoopt die door Chinese subsidies (te) goedkoop worden verkocht. De EU dreigt nu met importheffingen op zonnepanelen. Bij alle crisisdiscussies van dit moment wordt opmerkelijk weinig aandacht gegeven aan de WHO. Dit is ten onrechte. De ontwikkeling van de wereldhandel is voor open economieën als die van Nederland immers van doorslaggevende invloed. Over twee problemen kan de nieuwe directeur zich in juni direct buigen: het nieuw protectionisme en de WHO zelf.

De huidige Doha-handelsronde – die grosso modo tot doel heeft importtarieven te beperken - sleept zich al meer dan een decennium voort en is grotendeels mislukt. Snel stopzetten van dit hopeloze project lijkt hier het devies. In het kielzog van deze mislukking zijn veel landen overgegaan tot het sluiten van regionale handelsovereenkomsten, waarbij een beperkt aantal landen betrokken is. Het aantal regionale overeenkomsten is de afgelopen jaren explosief toegenomen, zoals onlangs in een Gronings proefschrift (Kohl, 2012) werd aangetoond. Latijns-Amerika, de thuisbasis van de WHO president, laat zich hierbij niet onbetuigd. Ook de Europese Unie (EU) doet mee: onderhandelingen over een bilaterale overeenkomst met de Verenigde Staten (VS) zijn begonnen.

Schaduwzijde handelsverdragen

Het probleem van dit soort regionale overeenkomsten is dat het niet alleen positieve effecten heeft, doordat de handel onderling toeneemt, maar ook negatieve omdat het ‘derde’ landen uitsluit. Bij alle fanfare over het mogelijk aanstaande handelsverdrag tussen de VS en de EU is dit uitsluitende karakter één van de grootste bezwaren: wat betekent dit verdrag bijvoorbeeld voor de toegang tot de markten van de EU of VS voor China of Japan? De statistieken over protectionistische tendensen in de wereld zijn daarom deels misleidend: ze laten dalende invoertarieven zien, maar vertellen niet dat die veelal slechts regionaal van toepassing zijn en dus tegelijkertijd niet gelden voor de niet-clubleden. Dat het netto-effect van deze gelijktijdige insluiting én uitsluiting positief is, zoals de ondertekenaars lijken te denken, is alles behalve zeker.

Nieuwe handelsprocessen

Deze regionale fragmentatie komt deels voort uit frustratie met de mislukte DOHA-ronde, maar gaat ook samen met een relatief nieuw kenmerk van de wereldhandel zelf. Het is niet langer het geval dat, zeg, wijn wordt geruild tegen textiel, zoals in de negentiende en een groot deel van de twintigste eeuw. Bij deze handel is de rol van de WHO duidelijk: vrije toegang tot de markt van de één wordt uitgeruild tegen vrije toegang tot die van de ander, waarbij iedereen gelijkmatig meeprofiteert – een klassieke win-win uitkomst. Maar deze oude wereld is snel aan het verdwijnen: het type handel waarbij eindproducten A en B worden verhandeld tegen andere eindproducten C en D wordt relatief minder belangrijk. Steeds meer wordt het productieproces opgeknipt in kleine deelprocessen die deelproducten produceren, waarbij die deelprocessen kunnen worden verplaatst naar het buitenland. Softwareontwikkeling kan naar India worden verplaatst en computerchipfabricage naar Zuid-Korea, waarbij gebruik wordt gemaakt van de machines van het Nederlandse ASML.

WHO niet berekend op nieuwe wereld

In dit aanbodketennetwerk is een hoofdrol weggelegd voor China, Duitsland, Japan en de VS. In dit web van onderlinge afhankelijkheid is het huidige WHO-model niet langer relevant. Regionale overeenkomsten volgen als het ware de aanbodketen, waarbij vooral wordt gekeken naar sterk gespecialiseerde onderlinge leveranties. Hierbij is maatwerk eerder regel dan uitzondering. Voor de deelnemers aan zo’n netwerk is het belangrijker dat tegenover goedkope, niet door importtarieven belaste, sterk gespecialiseerde intermediaire handel vrije investeringstoegang wordt geregeld tot de landen waar de productie plaatsvindt. Hierbij is het vooral van groot belang dat het intellectuele eigendom wordt beschermd en dat investeringsbelemmeringen worden weggenomen. Het is dus, zoals de bekende internationale econoom Richard Baldwin opmerkt, niet langer ‘mijn markt voor jou markt’, maar ‘jou handel voor mijn fabriek’. In de praktijk kunnen regionale handelsovereenkomsten dergelijke arrangementen makkelijker realiseren dan de WHO, dat vooral gericht is op het sluiten van mondiale overeenkomsten.

Aanpassing WHO noodzaak

Het gevaar bestaat dus dat de WHO simpelweg wordt gepasseerd en wordt weggezet als behorend tot ‘de wereld van gisteren.’ Dit is een ongewenste uitkomst. Nog steeds dreigt protectionisme de kop op te steken, en nog steeds hebben regionale overeenkomsten het negatieve bijeffect van uitsluiting van derde landen. De nieuwe directeur kan hiermee meteen aan de slag. Als eerste moet hij de huidige DOHA-ronde beëindigen, om vervolgens meteen een nieuwe ronde te starten die op een nieuwe leest wordt geschoeid. Als de WHO zich niet aanpast aan de veranderende omstandigheden in de wereldeconomie en de nieuwe onderhandelingen deels inricht vanuit het moderne aanbodketenperspectief, dan dreigt deze organisatie overbodig te worden en naar de onderhandelingsperiferie te verdwijnen. In dat geval kan de nieuwe directeur aan de slag met het tweede probleem: de WHO zelf. De oplossing van dat tweede probleem is dan uiterst eenvoudig: de WHO kan worden ontmanteld. De nieuwe directeur is dan meteen de laatste. 

Referenties

Baldwin, R.E., 2012, WTO 2.0: Thinking ahead on Global Trade Governance, Vox, 22 December 2012.

Baldwin, R.E., 2012, Understanding the GATTs wins and the WTO's woes, CEPR Policy Insight, no.49, London.

Kohl, T., 2012. Trade Agreements Galore: Who, Waht, When, Where, Why, How and How Much?, Proefschrift, RUG, Groningen.

* Dit artikel verscheen eerder in NRC Handelsblad van 21 juni 2013.

Te citeren als

Steven Brakman, Arjen van Witteloostuijn, “De Wereldhandelsorganisatie is overbodig”, Me Judice, 22 juni 2013.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.