Deugt de ijdelheidsindex?

24 okt 2013 |

Een ranglijst met bescheiden en onbescheiden economen werd vorige week gepresenteerd door de website Follow the Money. Het leverde zowel vrolijkheid als irritatie op. Volkskrant journalist Peter de Waard laat zijn licht schijnen over de waarde van dit soort rankings. De ranking moet niet al te serieus genomen worden, maar belangrijker nog economen mogen ook wel eens meer zelfrelativering aan de dag leggen.

De kwestie

De in 2006 overleden Amerikaanse econoom John Kenneth Galbraith zei een keer: 'Economie is alleen goed voor de werkgelegenheid van economen.' Dat zal wel schertsend bedoeld zijn, want economen dragen ook tastbaar bij aan de productie. Ze fabriceren modellen, indicatoren en indices over het wel en wee van de economie en het bedrijfsleven. De financiële sector wordt dagelijks tot vervelens gebombardeerd met cijfers en grafieken over het producentenvertrouwen, het consumentenvertrouwen, het aantal nieuwe banen, de prijsontwikkeling en de aandelenkoersen. En dit is maar een heel kleine greep, want tegenwoordig zijn er ook de Big Mac- en Billy-indices. 

Follow the Money

Vorige week berekende een journalist van Follow the Money een index over de ijdelheid van Nederlandse economen. Hij baseerde zich daarbij op gegevens die de economen aan hun eigen site Me Judice hadden toevertrouwd. Die had de tamelijk onschuldige vraag gesteld om aan hun expertise op acht uiteenlopende deelgebieden zoals beurs, arbeidsmarkt en pensioenen een cijfer tussen de 1 (weinig) en 5 (fenomenaal) te geven. Misschien hebben sommige economen daarop een hele middag zitten studeren, terwijl anderen het binnen vijf seconden invulden. Wat ze niet hadden verwacht was dat iemand daaruit een index zou construeren, want dat is hun eigen specialiteit. 

Nu kunnen economen aardig uitdelen, maar niet zo goed incasseren. De tien bescheidensten wreven zich in de handen of klopten zich op de borst. De tien grootste ijdeltuiten waren not amused. Koploper Sweder van Wijnbergen zei nog dat het hem 'niets kon schelen', maar nummer twee, Sylvester Eijffinger, reageerde als door een wesp gestoken. 'Ik blaas helemaal niet hoog van de toren. Zo weet ik weinig van milieu-economie', aldus de Tilburgse hoogleraar.

Erg serieus moet het lijstje niet worden genomen. Iemand had bijvoorbeeld ook een ijdelheidslijstje kunnen maken op basis van het aantal malen dat de economen het woord 'ik' in hun columns en publicaties gebruiken of het aantal keren dat ze hebben afgezegd voor een optreden in DWDD of P&W. Daar zou de ranglijst er mogelijk anders uit hebben gezien. 

Zwarte Piet

De economen voelen zich Zwarte Piet. Een columniste in NRC Handelsblad nam zaterdag de beroepsgroep in bescherming met de opmerking dat economen niet zo moeten worden bekritiseerd omdat ze met een rijkdom aan ideeën basale vragen beantwoorden zoals: is de 800 miljoen voor de publieke omroepen een goede investering? Maar de groenteboer of de romancier heeft daar soms ook goede ideeën over. Misschien zijn die niet allemaal bruikbaar, maar dat zijn die van de economen ook niet. Kijk maar naar de kop boven een interview met Robert Shiller in dezelfde krant: 'Niet al mijn ideeën verdwijnen in de prullemand'.

Het is eerder tijd voor meer dan voor minder zelfrelativering.

* Dit artikel verscheen eerder in de Volkskrant van 23 oktober 2013.

Te citeren als

Peter de Waard, “Deugt de ijdelheidsindex?”, Me Judice, 24 oktober 2013.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.