Dilemma’s van een druk-druk-druk samenleving

Dilemma’s van een druk-druk-druk samenleving image
Afbeelding ‘Busy Life’ van Sadiq Alam (CC BY-NC 2.0)
3 mei 2016 | | 409 keer bekeken

Flexibilisering van de samenleving maakt de mens onrustig en rusteloos. Voor de een is dit mateloze leven een genot en een voorrecht en voor weer anderen een vloek. Harry Hummels bespreekt aan de hand van het recent verschenen boek Rusteloosheid van de filosoof Ignaas Devisch de dilemma’s van een maatschappij die zich volledig overgeeft aan de rat race om het maximale uit het leven te halen. Vooral het elitaire karakter van dit verschijnsel en het probleem om controle over je leven te behouden moet men in de gaten houden wanneer men een lofzang hoort over mateloos leven.

Rusteloze mensen

‘Living life to the max’, eruit halen wat erin zit. Dat lijkt het motto van onze tijd. We willen vooruitkomen in ons werk, een ruime vriendenkring onderhouden, een gezonde levensstijl erop nahouden, een goede ouder en partner zijn, en onszelf ontplooien. De flexibilisering van de samenleving en een keur aan nieuwe technologie maakt het ook nog eens mogelijk dat allemaal door elkaar heen te doen. Onder het werk even een boodschap doen of de laatste whatsappjes uitwisselen, wordt even makkelijk gedaan als het ’s avonds op de bank voorbereiden van een vergadering voor de volgende dag. Geen wonder dat we het druk hebben en soms behoefte hebben aan rust. Maar, zo betoogt de Vlaamse filosoof Ignaas Devisch in zijn boek Rusteloosheid, pleidooi voor een mateloos leven, het ‘druk, druk, druk’ dat we overal om ons heen horen is geen oproep om het rustiger aan te doen. Het is ook geen verschijnsel dat bijzonder nieuw is. We zijn rusteloos op zoek naar steeds weer nieuwe uitdagingen, zo schetst Devisch onze westerse ‘condition humaine’ met een verwijzing naar een keur aan filosofen. Zo beschrijft de 17e-eeuwse Franse filosoof Blaise Pascal in zijn Pensées hoe de mens met het verlaten van de middeleeuwse ordening en het toetreden tot de moderniteit “als een verdoolde in deze uithoek van het universum aan zichzelf overgelaten” is (p.50). Wij verkiezen de jacht boven de buit. Is de buit binnen, dan dreigt de verveling en de rusteloosheid. Weliswaar belonen we onszelf met een tijdelijk moment van verstrooiing, maar dan volgt al snel weer het volgende item op de oneindige agenda.

Onze fundamentele drijfveer is het onophoudelijk streven naar vooruitgang. Met een verwijzing naar de Duitse filosoof Peter Sloterdijk laat Devisch de ‘NV Ik’ en het ‘ondernemend zelf’ centraal zijn komen te staan in ons leven. Devisch schrijft hierover: “Wie je bent en wat je doet, is geen vaststaand gegeven meer, wat tot gevolg heeft dat je steeds opnieuw keuzes moet maken zonder te weten of het de juiste keuze zijn. Dat schept rusteloosheid.” (p.65) We leven als een acrobaat (p.75) die niet meer precies weet welke oefeningen hem behoeden voor de val. Het enige dat ons rest is een continue alertheid voor de risico’s van het leven om ons vervolgens vol in het actieve leven te storten. Zo bouwen we aan wat Devisch met een prachtige term aanduidt als een “existentieel cv”. Dit bouwproject eindigt pas bij het intreden van de dood.

..die ook op zoek naar rust zijn

Tegelijkertijd wordt de moderne mens regelmatig bezocht door een duiveltje dat ons een rustig en ascetisch bestaan voorhoudt. Om (tijdelijk) te ontkomen aan het jachtige bestaan nemen we regelmatig onze toevlucht tot zen of andere vormen van meditatie, mindfulness en yoga. Echte rust brengt het niet, want de les, oefening of cursus is nog niet afgelopen of het project ‘leven’ roept weer. Met een verwijzing naar Schopenhauer laat Devisch zien dat wij als volwaardige flagellanten de gesel over ons eigen leven halen: “zolang we overgeleverd blijven aan de aandrang van onze wensen – met alle hoop en vrees van dien – zolang we subject zijn van ons willen, zal ons nooit duurzaam geluk of rust beschoren zijn. (…) Zo ligt het subject van het willen onafgebroken op het almaar draaiende rad van Ixion, moet het steeds maar water gieten in het vat der Danaïden en is hem hetzelfde lot beschoren als de eeuwig smachtende Tantalus.” (p.80,81).

Tegelijkertijd laat Devisch aan de hand van Kierkegaard zien dat het aanvaarden van het Tantalus’ lot, gecombineerd met de constante versnelling in ons bestaan die gepaard gaat met een sterke toename van communicatiemiddelen, het steeds maar online zijn en het najagen van steeds meer vluchtige doelen, de kwaliteit van dat bestaan kan aantasten. De continue stroom aan communicatie die er het gevolg van is leidt vooral tot oppervlakkigheid. Voor Devisch is dat een bijzaak. Hij ziet vooral de kansen, de uitdagingen, de mogelijkheden om een gepassioneerd, enerverend turboleven te leiden en breekt een lans voor een mateloze onderdompeling in de ‘vita activa’. Waarom zouden wij een rustig of een gebalanceerd leven moeten leiden? Velen zullen het hem nazeggen en naleven, want Devisch is als actieve hoogleraar, auteur, spreker, echtgenoot, vriend, marathonloper en vermoedelijk nog veel meer, een exponent van zijn eigen filosofie.

Persoonlijk sta ik eveneens zeer sympathiek tegenover zijn betoog en probeer net als Devisch het onderste uit het Danaïdisch vat te halen. En tegelijkertijd knaagt er iets aan het betoog van de Vlaamse filosoof. Twee aspecten blijven mijns inziens onderbelicht, die van belang zijn om te begrijpen of rusteloosheid nu werkelijk zo’n zegen is voor de moderne mens van onze tijd. Het eerste betreft het vraagstuk van de verdeling van kansen en mogelijkheden om het gepassioneerde leven te leiden dat Devisch voor ogen staat. Het tweede vraagstuk betreft de organisatie van het rusteloze leven en het feit dat ieder individu onderdeel uitmaakt van talrijke netwerken en verbanden die eisen aan haar of hem stellen of tenminste verwachtingen hebben omtrent de actieve betrokkenheid van het individu.

Het verdelingsvraagstuk

Devisch geeft talrijke voorbeelden van mensen die hem voor ogen staan om duidelijk te maken dat rusteloosheid een positieve karakteristiek is van ons bevoorrechte leven: een topkok, een centrale bankier, een journalist, hijzelf, enkele schrijvers, enzovoort. Zij ervaren allen dezelfde rusteloosheid en zijn daar tevreden mee omdat het een gevoel geeft werkelijk te leven: presteren op vele fronten tegelijk leidt tot het gevoel van een vervuld leven. In beginsel zou dat moeten gelden ongeacht rang of stand – en in zekere zin is dat natuurlijk ook zo. Ook de verpleegster, de agent, de vuilnisman, de onderwijzeres, de bankmedewerker of de loods kunnen volop ten onder gaan in een rusteloos bestaan. Zij kunnen zich op hun werk storten, om zich ’s avonds geheel en al te over te geven aan het bereiden van exquise gerechten, salsa dansen, coachen van een hockeyteam, een boom opzetten met vrienden of het analyseren van de beurskoersen.

Elitair

Toch kan Devisch met zijn voorbeelden niet verhullen dat het rusteloze leven vooral is weggelegd voor de Goliaths van onze wereld. Dat begint al met de mogelijkheden om zich in hun werk – en niet alleen door hun werk – te ontplooien. Hij ziet dit ook en verwijst terecht naar de velen die ten prooi zijn gevallen aan wat Hannah Arendt aanduidt als ‘arbeid’ – de repeterende activiteit die er op gericht is onszelf en ons systeem in stand te houden. Bij arbeid, dat wordt onderscheiden van het maken of werken en van het handelen, staat de reproductie van de levenskracht centraal. Anders dan de onderwijzer, verpleger, agente of baliemedewerkster – die veel meer werken onder de druk van het heilige moeten en de beperkte (financiële) middelen die zij daarmee verwerven – zijn de kansen voor een hoogleraar om zich betekenisvol te onderscheiden in rusteloosheid groot. Het mag dan wel vermoeiend zijn om telkens te worden uitgenodigd voor een lezing her en der, maar als dat er toe leidt om in contact te komen met machtige, krachtige of inspirerende mensen dan is de beloning navenant. Er lijkt derhalve geen sprake van een eerlijke verdeling van de mogelijkheden die de rusteloosheid met zich brengt – en van de verdeling van de voor- en nadelen ervan.

Controle

Dat brengt mij bij mijn tweede punt. In hoeverre zit het individu nog aan het stuur als de sociale verbanden waarin het participeert steeds meer van haar of hem verlangt? Wat is de ruimte om nee te zeggen of om het anders te doen dan wat de omgeving van ons vraagt? Als we onderdeel uitmaken van verschillende (deel)systemen waarin we een rol vervullen – of dat nu binnen de naaste familie, het werk, de sportvereniging, de kookclub, de sociëteit, de vereniging van filosofen of welk verband dan ook – dan wordt van ons een actieve betrokkenheid verwacht. Het volstaat dan niet, zoals Devisch betoogt, om te zeggen dat drukte geen exclusieve uitdaging voor onze tijd is, noch dat een gebrek aan ervaren zinvolheid van het leven ook kan ontstaan in een omgeving die vrij is van maatschappelijke druk. De centrale vraag is of de organisatie van ons leven en ons werk het individu in al zijn of haar deelsystemen de (regel)ruimte laat het gaspedaal van de rusteloosheid te bedienen. Verschillen in vrijheidsgraden en regelruimte tussen verschillende groepen individuen behoeven nadere analyse, teneinde vast te stellen waar en wanneer de risico’s toenemen dat rusteloosheid ook tot serieuze vormen van stress leidt. Het gaat dan niet louter om het ‘coping behaviour’ van een behendige acrobaat, maar om het creëren van veilige structuren waarin ook anderen van hun rusteloosheid kunnen genieten. Waar dat achterwege blijft lijkt rusteloosheid toch vooral het voorrecht voor hen die het zich kunnen permitteren.

Afrondend, Ignaas Devisch heeft een uitdagend boek geschreven dat de moeite van het lezen zeker waard is. Het wijst ons erop dat de mensheid al eeuwen geen berusting kan vinden in het rustig verwijlen aan de randen van het werkzame bestaan. Het blijkt daarbij niet relevant dat onze werktijd is afgenomen. Er is altijd het heilig moeten in de werkomgeving en in de privésfeer. Dat is echter niet alleen een heilig moeten dat van buitenaf wordt opgelegd, maar juist ook van binnenuit wordt aangewakkerd. De uitdaging zal echter zijn het bedieningspaneel te vinden en daar controle over te krijgen, omdat ‘Living to the max’ uitdrukkelijk ook risico’s inhoud – voor onszelf en voor de verbanden en netwerken waar we deel vanuit maken.

Te citeren als

Harry Hummels, “Dilemma’s van een druk-druk-druk samenleving”, Me Judice, 3 mei 2016.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.