Economiemuseum: de economie als machine

Economiemuseum: de economie als machine image

Afbeelding ‘Charlie Chaplin in Modern Times’ van Jim Forest (CC BY-NC-ND 2.0)

23 mrt 2016 | | 466 keer bekeken
In de eerste aflevering in deze reeks legde volksfilosoof Bas Haring uit waarom hij een economie-museum mist; die zijn er in de wereld nauwelijks terwijl veel andere vakgebieden wel hun eigen museum hebben. In deze vervolgaflevering denkt hij na over hoe je de economie tastbaar en begrijpelijk kan maken voor buitenstaanders. Vanuit het groot inzoomen op de kleinste eenheid van de economie is zijn adagium en vooral het gebruik van cijfers.

Economiemuseum

Een museum bestaat uit een collectie van objecten. Maar het vakgebied van de economie kent niet veel in het oog springende, bepalende objecten. Gelukkig kan het begrip "object" ruim worden opgevat. Een foto van een gebeurtenis is ook een object; of een relikwie van een belangrijk persoon; zelfs een spelletje is als een object te beschouwen. De eerste vraag die je je bij het opzetten van een museum moet stellen is wat de relatie gaat zijn tussen de verschillende objecten in de collectie, en met welk idee die objecten worden geordend. Ik heb dit overigens niet van mezelf, maar van een museum-deskundige die me helpt bij een en ander. Naturalis – vol opgezette dieren – is wat dat betreft een inspirerend voorbeeld. Het complete museum is vormgegeven rondom "the tree of life": een boomstructuur die de evolutionaire geschiedenis van het leven weergeeft. De zoogdieren staan bij elkaar, de vogels, de vissen enzovoort. Het schijnt overigens dat die tree of life overboord gegooid gaat worden bij de aanstaande verbouwing van Naturalis, maar ik blijf het een goed idee vinden.

Hoe ga ik de objecten in het virtuele economie-museum ordenen? Aan de ene kant heb ik hier een voordeel: er is nog niks en dus ook nog geen objecten die met hangen en wurgen met elkaar in verband moeten worden gebracht. Bestaande wetenschapsmusea hebben het wat dat betreft vaak lastiger. Die moeten een plek vinden voor voorwerpen die vaak decennia en soms zelfs al een eeuwen in de collectie zitten. Aan de andere kant heb ik hier een nadeel: er is geen evidente ordening van economische onderwerpen. Het vak geschiedenis bijvoorbeeld heeft het wat dat betreft makkelijker. Daar zet men gewoon alles chronologisch op rij. De canon van de Nederlandse geschiedenis is precies zo georganiseerd. Van de prehistorie via de middeleeuwen en de Gouden Eeuw naar het heden.

De canon van de economie zoals die gemaakt is door ESB biedt geen houvast: dat is een flinke verzameling verhalen die tezamen het volledige vakgebied proberen af te dekken, maar die onderling verder niet op een boeiende manier geordend lijken te zijn. En bovendien vooral bedoeld voor andere economen. Je kunt niet een economie-museum maken met canon-onderwerpen als monetaire economie, internationale economie en institutionele economie. Dat zijn begrippen die slechts relevant zijn voor de mensen die al weten waar economie over gaat.

Definitie

Maar waar gaat economie eigenlijk over dan? Misschien moet ik eerst een antwoord op die vraag hebben voor ik zinvol na kan denken over de opzet van een economie-museum. Voor leken zoals ik is het woord "economie" vrij problematisch. Ikzelf raak vooral verward bij uitspraken als "puntje puntje is slecht voor de economie". Alsof de economie een wezen is. Een groot monster dat tevreden gehouden moet worden. En als iets hem niet zint; kijk dan maar uit. Maar "de economie" is helemaal geen wezen.

Voor mij is economie de studie naar het relatief zakelijke en tastbare gedeelte van de samenleving. Dat is misschien een beetje vaag: wat is het verschil dan tussen sociologie en economie? Maar ik hoop dat het voldoende de lading dekt. Een kreet als "economie is de wetenschap over schaarste" is mij, en de leek in het algemeen naar ik vermoed, niet echt verhelderend.

Beelden

Is er ook een beeld dat bij het vakgebied hoort en dat ik kan gebruiken als leidraad voor het ordenen van die collectie? Ik ben simpelweg gaan zoeken op omslagen van lesboeken, posters en dat soort beelden. En het terugkerende plaatje is dat van een wanordelijke machinerie. De illustratie op de voorkant van Jan Pens Kijk, economie uit de jaren 70 is precies zo'n machinerie, maar ook andere boekomslagen en plaatjes verbeelden op een dergelijke manier het vakgebied.

Beelden van de economie als machine

Dat is bij nader inzien eigenlijk best een logisch beeld. De begrippen die in het vakgebied gebruikt worden zijn meestal begrijpelijk en voorstelbaar: geld, werkloosheid, groei, markt, prijzen. Stuk voor stuk woorden met een heel alledaagse betekenis. Het lastige zijn de relaties tussen die begrippen. Die zijn complex, grillig en voor sommigen zelfs mysterieus. Vandaar dat het beeld van een complexe machinerie van op zichzelf niet zo complexe onderdelen wel past.

Zo'n grillige machine staat volgens mij voor de economie van een land. Niet voor een gezin, een bedrijf, of voor de hele wereld, maar voor een land. Dat is misschien wat mager. Economie gaat niet slechts over landen, maar ook over veel kleinere eenheden; gezinnen, individuen, bedrijven. Er is nog iets meer nodig. Uiteindelijk heb ik me ook laten inspireren door The Powers of Ten. Een korte film van ontwerpers-echtpaar Eames (die weer geïnspireerd is op het boek Cosmic View van de Nederlandse onderwijs-vernieuwer Kees Boeke). De film begint met een foto van een man picknickend op een kleed. Van boven genomen; van een meter of drie à vier hoog. Daarna zoomt de film een factor tien uit en zie je de omgeving rondom de picknick; daarna nog een keer een factor tien enzovoort. Ik kan er wel meer over schrijven, maar vermoedelijk spreken de plaatjes voor zich.

Uitzoomen in tien stappen

Uiteindelijk stel ik me het virtuele economie-museum als volgt voor: je ziet in eerste instantie een grillig verbonden geheel van individuen, bedrijven, instellingen en wat al niet. Dat geheel staat voor Nederland. En bij dat beeld staan wat kerncijfers gepresenteerd – ik ga zo dadelijk in op wat voor cijfers dat mijns inziens moeten zijn. Vanuit dat beeld kun je een stukje inzoomen op kleinere stukjes: de relatie tussen bedrijven en individuen, of tussen banken en bedrijven et cetera. Bij ieder van die relaties hoort een museaal object plus een begeleidende tekst. En tenslotte kun je nog inzoomen tot op het niveau van het individu. Kleiner dan dat hoeft het wat mij betreft niet in de economie. Tenzij je je bezighoudt met iets exotisch als neuromarketing, maar dergelijke vakgebieden negeer ik even.

En bij dat laatste niveau zal ik ook beginnen. Volgende keer. Bij het mensbeeld dat economen hebben. Het beeld van de min of meer rationele mens die zo veel mogelijk van het positieve wil ten koste van zo weinig mogelijk ellende. Een beeld dat nogal aan kritiek onderhevig is: "Sinds de opkomst van de gedragseconomie is de homo economicus volkomen achterhaald." Maar waar, ondanks alle kritiek, toch best nog wat voor te zeggen is. Middels een eenvoudig spelletje hoop ik dat te kunnen laten zien. Maar zoals gezegd, volgende keer. Eerst wil ik nog wat kwijt over de kerncijfers op landniveau die je direct bij binnenkomst of aanvang van dat museum ziet.

Objectieve distantie

Voordat mensen dat museum ingaan wil ik een soort van "objectieve distantie" scheppen. Ga je een regulier museum in, zoals het Rijksmuseum, dan ben je simpelweg nieuwsgierig naar de werken die er allemaal te zien zijn en met een onbevangen blik stap je naar binnen om te gaan ervaren. Maar economie gaat over onszelf en over economie zijn we niet zo onbevangen. Zonder dat we ons daar altijd van bewust zijn zitten we vol meningen en oordelen over economische onderwerpen. Die meningen en oordelen moeten iets naar de achtergrond worden gedrukt. Dat is wat ik bedoel met "objectieve distantie". Een beetje zoals de houding van een bioloog die een nieuw organisme bestudeert. Puur afstandelijk, cijfermatig en objectief wil zo'n bioloog eerst een aantal kerngegevens weten: Waar leven deze dieren? Wat eten ze? Wat doen ze overdag en 's nachts? Wie zijn hun vijanden? En hoe zorgen ze voor hun kinderen?

 

Om de bezoeker in een dergelijke positie te manoeuvreren wil ik aan het begin van het museum een aantal kerncijfers presenteren. Allicht over onszelf, en niet over een andere diersoort. Maar misschien wel in combinatie met cijfers over andere diersoorten. Cijfers als het aantal jaren dat een doorsnee Nederlander werkt voor zijn huis: een jaar of tien. Of voor zijn eten: zes uur per week. Dat is flink minder dan de wilde konijnen in mijn tuin. Die zijn zo goed als de hele dag aan het eten, en als ze niet eten dan slapen ze.

Over Nederland als geheel zou ik ook wat cijfers kwijt willen, maar Nederland is een onoverzichtelijk brij van heel veel mensen. Ik kan me niks voorstellen bij 17 miljoen inwoners, en nog minder bij een begrotingstekort van 20 miljard euro of een staatsschuld van 400 miljard euro. Daarom zou ik Nederland in willen krimpen tot het formaat van een klas. Dertig mensen. Dat kan ik overzien. Als je van 17 miljoen naar dertig mensen gaat verlies je nogal wat details, maar het wordt er wel overzichtelijk op. Van die dertig mensen werken er acht nog niet – ze zitten nog op school of zijn zelfs daar te jong voor. Zes zijn al klaar met werken en vijftien mensen werken er. En één iemand van die dertig is werkloos. Zo ziet Nederland er dus uit: de helft van de mensen werkt, en de niet-werkende helft is vooral óf te jong óf te oud. Wat die mensen doen laat ik vermoedelijk in het midden, maar misschien ook niet. Twee van de vijftien zijn er twee ambtenaar. Dat is waarschijnlijk minder dan de meesten verwachten. En ondanks het feit dat er in Nederland een boel voedsel wordt geproduceerd, drie keer meer dan we met z'n allen op kunnen, werkt er niemand van die dertig klasgenoten in de landbouw. Het is alsof het eten gratis in Nederland groeit en zelfs in zulke hoeveelheden dat het merendeel aan het buitenland verkocht kan worden.

Ten slotte wil soortgelijke cijfers presenteren voor een aantal uiteenlopende landen kunnen: Suriname, Roemenië, Japan. Flink verschillende landen. Niet omdat die cijfers zelf het onthouden waard zijn, maar wel dus om die objectieve distantie te scheppen – die volgens mij ook hoort bij het vak economie – en om een beetje gevoel te creëren over de omvang der dingen.

Maar volgende keer dus eerst over het kleinste elementen in die machinerie: het individu.

Te citeren als

Bas Haring, “Economiemuseum: de economie als machine”, Me Judice, 23 maart 2016.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.