Een agenda voor hervorming van de arbeidsmarkt

Een agenda voor hervorming van de arbeidsmarkt image
Het grote aantal zelfstandigen dat het bijna zonder sociale zekerheid moet redden laat zien dat de arbeidsmarkt ongewenste wegen baant als het beleid zich niet tijdig aanpast. Het is tijd voor een hervorming van de overheidsregels voor de arbeidsmarkt, stellen de Amsterdamse hoogleraren economie Pieter Gautier en Bas van der Klaauw. Het grote overheidstekort vormt hiervoor een goede aanleiding: een beter functionerende arbeidsmarkt is een relatief pijnloze manier om de openbare financiën te verbeteren. De belastinginkomsten gaan omhoog, uitkeringskosten omlaag en de productiviteit stijgt omdat mensen sneller terecht komen op de plekken waar ze het meest nodig zijn.

Problemen op de Nederlandse arbeidsmarkt

Ten opzichte van andere westerse economieën scoort Nederland nog goed. De werkloosheid is laag, in het bijzonder onder jongeren, maar daar staat tegenover dat de langdurige werkloosheid relatief hoog is en dat de arbeidsparticipatie van ouderen nog steeds laag is. Ook de arbeidsparticipatie onder vrouwen is niet zo hoog als bijvoorbeeld in de Scandinavische landen en veel vrouwen werken in deeltijd. De afgelopen jaren is het aantal zzp-ers erg snel toegenomen en steeds vaker zitten zzp-ers aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Ten slotte zitten er veel mensen in de WAJong (arbeidsongeschiktheidsuitkering voor jongeren) en dit zullen er in de toekomst alleen maar meer worden.

Ontslagbescherming

Vergeleken met andere OESO landen is het in Nederland relatief kostbaar om mensen te ontslaan. Dit komt voornamelijk door allerlei procedurele kosten. Waarschijnlijk is dit ook de oorzaak van het snel stijgend aantal zzp-ers. Aan de onderkant van de arbeidsmarkt ontstaat hierdoor een kwetsbare groep, omdat zzp-ers nauwelijks gedekt worden door sociale zekerheid. Het uitbreiden van sociale zekerheid, zodat ook zzp-ers hierop aanspraak kunnen maken is echter symptoombestrijding. Het is veel beter om de kwaal (de strikte ontslagbescherming) aan te pakken. Een illustratief voorbeeld van wat de gevolgen van strikte ontslagbescherming doet met een arbeidsmarkt is Spanje. Spanje heeft een duale arbeidsmarkt, aan de ene kant zijn er de permanente banen die extreem goed beschermd zijn terwijl vooral jongeren aangewezen zijn op banen met tijdelijke contracten die in tijden van crisis alle klappen opvangen. De jeugdwerkloosheid in Spanje is inmiddels opgelopen tot 40 procent.

Het beperken van de ontslagbescherming zorgt er voor dat bedrijven meer risico zullen nemen bij het aannemen van werknemers. Ook kwetsbare groepen (de outsiders) zullen zo meer kansen op de arbeidsmarkt krijgen. Dit verkleint de langdurige werkloosheid, die in Nederland traditioneel hoog is (als fractie van het aantal werklozen). Tot slot remt ontslagbescherming vooral baancreatie in innovatieve en risicovolle sectoren, zie Bartelsman, Gautier en de Wind (2010).

Dus beperk de ontslagvergoeding en maximaliseer deze bijvoorbeeld op drie maanden loon van de werknemer. Het extra belasten of maximeren van de enorme vertrekpremies in de top van het bedrijfsleven is ook een goed idee. Een falende manager zoals bij BP moet weggestuurd kunnen worden zonder dat dat miljoenen kost. Hoge vertrekpremies werken nog verstorender dan hoge bonussen. Ook is het wenselijk om de ontslagvergoeding in mindering te brengen op de uitkering van de werknemer. Dit is de ideale manier om mensen die werkloos dreigen te worden te stimuleren om snel werk te vinden. Nu is het nog erg aantrekkelijk om te wachten op daadwerkelijk ontslag voordat actie wordt ondernomen om nieuw werk te vinden. Tot slot zouden de procedures moeten worden versimpeld, zeker als het om regulier ontslag gaat. Vanzelfsprekend moeten werknemers wel beschermd blijven tegen opportunistisch gedrag van werkgevers die bijvoorbeeld klokkenluiders of kritische werknemers willen ontslaan.

Hoge maar korte uitkeringen

Er bestaat overtuigend bewijs uit empirisch onderzoek dat de periode van werkloosheid langer duurt naarmate de uitkeringduur langer is (zie bijvoorbeeld Lalive, 2008). Het beperken van de maximale WW-duur lijkt dus effectief beleid om langdurige werkloosheid tegen te gaan. Omdat in een normale arbeidsmarkt ongeveer 50 procent van de instromers in de WW binnen 16 weken werk vindt, lijkt een maximale ww-duur van een jaar voldoende. Met een beperking van de ontslagbescherming is de huidige hoogte van de uitkeringen geen probleem. Wel is het verstandig om hoge uitkeringen te koppelen aan streng beleid. Dus verplicht werklozen om meer te solliciteren en leg strafkortingen op de uitkering als werklozen zich onvoldoende inspannen om een baan te vinden. Abbring, Van den Berg en Van Ours (2005) geven empirisch bewijs dat strafkortingen op de uitkering de werkhervatting stimuleert van zowel WW-ers als bijstandgerechtigden. Recente empirische studies laten zien dat zelfs voor ouderen de verplichting om te solliciteren tot een significant snellere werkhervatting leidt (zie Bloemen, Hochguertel en Lammers, 2010).

Voor werknemers in de publieke sector bestaan nog steeds allerlei bovenwettelijke regelingen die uitkeringen verhogen, maar vooral de uitkeringduur sterk verlengen. Het ligt voor de hand om deze regelingen zo snel mogelijk af te schaffen zodat dezelfde prikkels gelden voor werknemers uit de publieke sector als voor werknemers in de private sector.

Verhoog de AOW-leeftijd

Gemiddeld ging de Nederlandse man eerder met pensioen dan de Griekse man bleek uit recente OESO cijfers, zie OESO (2010). Tegenstanders claimen dat nu nauwelijks iemand tot 65 werkt. Veel ouderen hebben echter zelf voldoende financiële mogelijkheden om twee of drie jaar te overbruggen tussen stoppen met werk en de start van het pensioen/AOW. Echter het afschaffen van de fiscale voordelen van het vroegpensioen heeft er al voor gezorgd dat de arbeidsparticipatie onder ouderen is toegenomen. Dat betekent dus dat financiële prikkels belangrijk zijn bij de uittredingsbeslissing. Het verhogen van de AOW zal er dus toe leiden dat mensen langer door werken. Het invoeren moet gefaseerd gebeuren, maar het is belangrijk om niet te laat te beginnen. De last van de vergrijzing komt anders volledig op de schouders van de jongere generatie terecht en kan een probleem worden voor de solidariteit tussen generaties.

Overdraagbaarheid van heffingskortingen en kinderopvang

De arbeidsparticipatie onder vrouwen is de afgelopen jaren toegenomen maar wordt nog steeds gefrustreerd door beleid. De overdraagbaarheid van de heffingskortingen (aanrechtsubsidie) zorgt er nog steeds voor dat voor sommige vrouwen werk niet loont. Bosch en Van der Klaauw (2009) laten zien dat de arbeidsparticipatiebeslissing van vrouwen wel degelijk afhankelijk is van financiële prikkels. Daarnaast wordt het tijd om de tegemoetkoming voor kosten in de kinderopvang volledig conditioneel te maken op het daadwerkelijk werken van beide partners. Investeren in de kwaliteit van kinderopvang kan ook geen kwaad. Zeker in vergelijking met de Scandinavische landen waar het arbeidsaanbod van vrouwen veel hoger is, is de kwaliteit van de kinderopvang in Nederland erg laag.

Eigenlijk geldt het bovenstaande voor alle inkomensafhankelijke subsidies en premies. Deze creëren net zoals de overdraagbaarheid van de heffingskortingen een armoedeval aan de onderkant van de arbeidsmarkt. De arbeidsmarkt werkt daarom veel efficiënter als inkomenspolitiek loopt via de belastingschijven.

WAJong

Momenteel zijn er 170,000 mensen met een WAJong uitkering. De verwachting is dat dit aantal zal stijgen tot 400,000 in 2025. Dat is veel te veel. Er zit nog voldoende arbeidspotentieel in de WAJong. Niet alleen zal kritisch moeten worden gekeken naar de instroom in de WAJong, maar het is ook belangrijk dat mensen met een lichte handicap gestimuleerd worden om mee te doen aan het arbeidsproces.

Activerend arbeidsmarktbeleid

In Nederland wordt relatief veel geld uitgegeven aan activerend arbeidsmarktbeleid. Van veel programma’s die hieronder vallen is nauwelijk bekend wat de effectiviteit is. En de programma’s waarvoor wel iets bekend is, blijken vaak geen positief effect te hebben (zie Van der Klaauw, 2010). Een kritische blik op de uitgaven aan activerend arbeidsmarktbeleid is daarom vereist.

Minimumloon

Het minimumloon lijkt in Nederland weinig problemen te genereren. Een te hoog minimumloon genereert structurele werkloosheid omdat de productiviteit van sommige individuen lager is dan het minimumloon. In vergelijking met andere OESO landen is de werkloosheid en met name de jeugdwerkloosheid echter laag. Dat duidt erop dat er nog geen urgente aanleiding is om het minimumloon te verlagen.

Een hoog minimumloon hoeft ook niet tot veel baanverlies te leiden als werkgevers aan de onderkant van de arbeidsmarkt relatief veel onderhandelingsmacht hebben. In dat geval kan het zelfs de participatie verhogen. Een hoog minimumloon heeft echter ook het risico dat werkgevers dat zullen proberen te vermijden, bijvoorbeeld door mensen in een zzp-constructie te laten werken in plaats van via een regulier arbeidscontract.

Conclusie

De Nederlandse arbeidsmarkt is de afgelopen jaren al veel dynamischer geworden. Werknemers veranderen steeds vaker van baan en de baan voor het leven bestaat nauwelijks meer. De Nederlandse instituties lopen echter nog ver achter bij de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Dat heeft geleid tot onwenselijke uitkomsten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de zzp-ers aan de onderkant van de arbeidsmarkt die nauwelijks gedekt worden door enige sociale zekerheid. Het wordt daarom tijd om de instituties te moderniseren. Dat betekent niet alleen dat politieke partijen hun oude dogma’s achter zich moeten laten, maar ook dat vakbonden zich constructief moeten opstellen. Dit zal leiden tot een meer dynamische arbeidsmarkt waarin er meer banen komen en minder mensen afhankelijk zijn van sociale zekerheid. In een dynamische arbeidsmarkt worden werkgevers gedwongen goed voor hun werknemers te zorgen omdat deze anders snel weer vertrekken en wordt de“last” van het werkloos zijn niet bij een kleine groep gelegd. Als de overheid zorgt voor de juiste instituties, dan worden alle partijen daar beter van.

Referenties:

Abbring, J.H., G.J. van den Berg, en J.C. van Ours (2005), The Effect of Unemployment Insurance Sanctions on the Transition Rate from Unemployment to Employment, Economic Journal , 115 (2005), 602–30.

Bartelsman, E.J., P.A. Gautier en J. de Wind (2010) ,Ontslagbescherming en houdbare overheidsfinanciën, ESB, 95 (4586).

Bloemen, H., S. Hochguertel en M. Lammers (2010), The effect of job search requirements for the older workers, Vrije Universiteit, Mimeo.

Bosch, Nicole en Bas van der Klaauw, 2009, Analyzing female labour supply evidence from a Dutch tax reform, CEPR Discussion Paper 7337.

Klauw, Bas van der, Minder uitgeven aan re-integratie werklozen is geen ramp, Me Judice, jaargang 3, 15 maart 2010.

Lalive, R. (2008), How do extended benefits affect unemployment duration? A regression discontinuity approach, Journal of Econometrics 142, 785—806

OESO (2010), Economic Survey of the Netherlands, Parijs.

Te citeren als

Pieter Gautier, Bas van der Klaauw, “Een agenda voor hervorming van de arbeidsmarkt”, Me Judice, 24 juni 2010.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.