Een munt zonder land is misleidend

Een munt zonder land is misleidend image
Afbeelding ‘Mosaic of speakers’ van European Parliament (CC BY-NC-ND 2.0)
31 okt 2011 |
Bernard van Praag bepleitte onlangs op deze plek een route om de crisis in de eurozone te beteugelen. Het geldverkeer zou op ingrijpende wijze moeten worden gereguleerd door een krachtdadige Europese leider van het kaliber Piet Lieftinck. De voormalig directeur van De Nederlandsche Bank, Martin Fase, bekritiseert dit radicale pleidooi . De historische en economische context klopt niet en de ruimte voor een krachtdadige politieke leider met ruime bevoegdheden ontbreekt ook ten enenmale in de Eurozone. De weg van de geleidelijkheid valt volgens Fase nog altijd te prefereren boven radicale, onconventionele stappen.

Het verlangen naar Lieftinck

Op deze site stond een opiniestuk geschreven door collega B.M.S. van Praag met als kop “Waarom Europa een nieuwe Pieter Lieftinck nodig heeft” . Zonder twijfel was dat een pakkende kop voor wie nog weet wie Lieftinck was al zal die groep intussen niet zo groot meer zijn: sic transit gloria mundi. Bovenal en daar gaat het mij om,is deze kop echter een voorbeeld van retorisch taalgebruik dat de historische metafoor trefzeker benut als argument om te overtuigen. Maar dat is een schijnargument. Waar het feitelijk om gaat zijn de echte inhoudelijke argumenten en hun historische context. Beide mist het opiniestuk van Van Praag.

Van Praags pleidooi

Van Praags bijdrage bepleit een los raken van conventionele denkschema’s om de eurocrisis te lijf te gaan zonder dat hij verteld wat zou moeten gebeuren. Maar dat hoeft ook niet per se want het was een opiniërend betoog om bij te dragen aan de oordeelsvorming die het gangbare pad verlaat.

Als suggestief voorbeeld van een onconventionele weg in de eurocrisis bepleit Van Praag een teruggrijpen op de maatregelen van minister Lieftinck in september 1945 om het geldverkeer tijdelijk maar ingrijpend te reguleren. Die geldsanering was destijds inderdaad succesvol, evenals dat het geval was in een aantal andere landen waar door de oorlog de geldsomloop overmatig was opgeblazen. Daarom klinkt op het eerste gezicht dit pleidooi overtuigend. Nochtans is het dat bij nader inzien helemaal niet omdat de huidige institutionele omstandigheden en de toenmalige wereld in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog heel anders zijn. In de eerste plaats beoogden Lieftincks maatregelen van destijds, de overmatige geldhoeveelheid in Nederland die een potentiële bron van inflatie vormde, tot een aanvaarbare proportie terug te brengen. In de tweede plaats opereerde minister Lieftinck binnen de strakke en beproefde regels van een parlementaire democratie met wettelijke verantwoordingsplicht en legitiem gezag. Beide elementen ontbreken in de EU en ondergraven de bepleite ingreep.

Geen overmatige geldhoeveelheid

Ten eerste is er In de EU geen sprake van een overmatige geldhoeveelheid en overliquiditeit die zou noodzaken tot een drastische geldsanering als minister Lieftinck tot uitvoering bracht en waaraan ook het bankwezen zijn volle medewerking verleende. Het financiële stelsel van toen stond bovendien geheel niet onder de druk van solvabiliteits- en rendementsrisico’s zoals thans wel het geval lijkt te zijn terwijl de liquiditeit van het bankwezen ruim was. De beheersing van de geldhoeveelheid is verder nu geen nationale taak meer. Binnen de EMU draagt het monetaire beleid van de ECB daar zorg voor en die verantwoordelijkheid is thans, anders dan in het Nederland van 1945, losgekoppeld van politieke beïnvloeding, waarmee niet gezegd is dat die voortdurend op de loer ligt. Een actueel voorbeeld daarvan zijn de overmatige begrotingstekorten omwille van binnenlandse politieke druk in de lidstaten ondanks afspraken deze niet groter te laten zijn dan drie procent. Dit blijkt voorshands een onvoldoende afdwingbare begrotingsregel te zijn als de nood aan de man komt in de EU. Dat vergt niet zozeer de sterke man die Van Praag bepleit als wel politieke wil van de lidstaten.

EU ontbeert politieke autoriteit

Ten tweede bestaat er anders dan ten tijde van Lieftinck in zijn Nederland, in de EU geen krachtdadige politieke autoriteit met ruime bevoegdheden die het mogelijk maken drastische maatregelen aan de landen opleggen à la Lieftinck in 1945. Men brengt dit beleidsmatige tekort soms wel eens beeldend onder woorden door de euro binnen de EMU te karakteriseren als een munt zonder land. En dat is thans het grote probleem.

Tegenstrijdige nationale belangen waarbij landelijke herverkiezingoverwegingen voortdurend een grote rol spelen kunnen niet door een centraal gezag tot een oplossing worden gebracht met als richtsnoer het belang voor de eurozone als geheel en wellicht voor de wereld. Dit staat snelle en effectieve oplossingen in de weg en schept grote onzekerheden met hun weerslag op de financiële markten. Overigens is dit ontbreken van een centraal gezag niet een toevallige weeffout maar het gevolg van de bewuste politieke keuze om een monetaire unie te vormen als een mogelijk voorportaal van een politieke unie. Die zou naar het oordeel van de toentertijd verantwoordelijke politici slechts mondjesmaat tot stand kunnen komen wanneer de geesten in de deelnemende landen daaraan aan toe zouden zijn. De enorme risico’s van deze politieke strategie treden nu aan de dag en dreigen gepaard te gaan met voelbare welvaartsverliezen voor de burgers van Europa en elders. Maar als steeds geldt ook voor nationaal gekozen politici dat het hemd nader is dan de rok en het internationale belang vaak strijdig is met de eigen belangen van de deelnemende landen.

De weg van de geleidelijkheid

Hoop is er echter wel als we terugblikken in de monetaire en economische geschiedenis van Europa. Het verleden van de laatste vijfenzestig jaar laat onmiskenbaar zien dat ernstige politieke en economische gebeurtenissen soms met horten en stoten ook werken als een katalysator voor economische en monetaire samenwerking op weg naar politieke integratie. En die ging meestal mondjesmaat. De geschiedenis leert echter ook dat een falend gemeenschappelijk beleid resulteert in mislukking en uiteenvallen van eerder aangegane, de individuele landen overstijgende economische en monetaire samenwerkingsverbanden. De Latijnse Muntunie die bestond van 1866 tot 1926 en waarvan naast Frankrijk en Zwitserland ook Italië en Griekenland deel uitmaakten, is een fraai historisch voorbeeld. Hierbij zij opgemerkt dat deze samenwerking al feitelijk niet meer functioneerde vanaf 1875. Interessant is dat met lapmiddelen haar bestaan toen werd gerekt. Maar niet anders dan nu met de EMU en EU waren de welvaartsverliezen van het uitblijven van een politieke oplossing groot. Misschien maakt de recente opkomst van de Occupy-beweging met haar pleidooi voor maatschappelijke betrokkenheid ook deel uit van die vrees voor welvaartsverlies in brede zin. Maar het pad van de kleine stappen lijkt doelmatiger dan onconventionele sprongen in de lucht. Het opdringen van een sterke man in een Europa dat vooralsnog hecht aan de eigen nationale belangen zal meer kwaad dan goed doen.

Naschrift Bernard van Praag, d.d. 2 november 2011

Met enige verbazing heb ik kennis genomen van het artikel van collega Martin Fase, waamee hij reageert op mijn artikel in de Volkskrant van 21 oktober, overgenomen in MeJudice. Hij beticht mij van "retorisch taalgebruik dat de historische metafoor trefzeker benut als argument om te overtuigen. Maar dat is een schijnargument. Waar het feitelijk om gaat zijn de echte inhoudelijke argumenten en hun historische context. Beide mist het opiniestuk van Van Praag."

In mijn bijdrage uitte ik mijn zorg over de instabiliteit van het bankwezen en de miljarden die over de aardbol zwerven zonder dat daar reële transacties aan ten grondslag liggen. Ik pleitte ook voor het weer invoeren van een Glass-Steagall Act voor de VS en voor de EU. In dat verband suggereerde ik ook het mogelijk toepassen van ongebruikelijke instrumenten zoals indertijd door minister Lieftinck gehanteerd. Ik zal mijn betoog verder niet herhalen, behalve dat ik opmerkte dat "Uiteraard herhaalt de geschiedenis zich nooit precies, en de situatie nu lijkt in niets op de situatie in de jaren 1945-'55.”

De eruptie van Fase komt hierop neer dat hij mij aanwrijft dat ik een zekere overeenkomst zie tussen de situatie in ’45-’55 en nu in 2011 en dat hij mij daarom als kenner van de vaderlandse monetaire geschiedenis belerend toespreekt dat die overeenkomst er niet is. Uit mijn laatste citaat moge duidelijk zijn dat ik een dergelijke overenkomst ook helemaal niet heb gesuggereerd. Sterker nog, ik ben het van harte met Martin eens,dat er geen overeenkomst is. Ik stelde slechts "dat het verstandig zou zijn dit vergeten instrumentarium eens van de rommelzolder te halen en te kijken wat ons nu van dienst zou kunnen zijn." Kortom , de reactie van mijn collega is dit maal slechts gebaseerd op slordig lezen en overhaast de pen grijpen en heeft niets van doen met de inhoud van mijn artikel. Dit in tegenstelling tot zijn meestal zeer doorwrochte en lezenswaardige bijdragen.

B.M.S. van Praag

Te citeren als

Martin Fase, “Een munt zonder land is misleidend”, Me Judice, 31 oktober 2011.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.