Een pensioenregeling waar jong en oud zich goed bij voelt

Een pensioenregeling waar jong en oud zich goed bij voelt image
Ouderen die tegen hun pensioen aanzitten willen zekerheid, jongeren willen hun lange beleggingshorizon maximaal benutten en daarbij best wat risico lopen. In deze twee wensen valt te voorzien door de aard van de pensioenbeleggingen van werknemers gedurende hun werkzame leven aan te passen. Voor ouderen geldt dan een harde garantie vanuit de kapitaalmarkt, voor jongeren een belegging met een nog onzeker rendement. Hiervoor is wel nodig dat de fiscale pensioenregels worden vernieuwd en de verplichtstelling wordt geschrapt. Tjitsger Hulshoff en Alexander Brouwer werken dit idee uit.

Resultaten uit het verleden…

Nederland staat voor de uitdaging om een internationaal gezien uitstekend pensioenstelsel toekomstbestedig te maken. De goede reputatie van het Nederlandse stelsel is gebaseerd op relatief hoge pensioenuitkeringen in combinatie met relatief lage uitvoeringskosten (OESO, 2009). De kracht van het stelsel ligt in het het delen van risico’s onder de belanghebbenden (Boender et al., 2000). Maar er moet iets veranderen. Zonder aanpassingen worden de pensioenverplichtingen te groot voor de werkgevers, mede door de vergrijzing. Ook zijn de lasten steeds oneerlijker verdeeld tussen jongeren en ouderen (Kuné, 2006). Het gevaar is dat de ‘betalende partij’ uitstapt. Tenslotte verliezen collectieve reguleringen (Defined Benefit) in toenemende mate terrein aan individuele (Defined Contribution). Een van de redenen voor deze verschuiving vormt beter inzicht in de pensioenlasten en –risico’s van collectieve regelingen dankzij nieuwe internationale boekhoudkundige regels.

Combineer collectieve met individuele regeling

Uitgangspunt van een nieuw en toekomstbestendig pensioencontract is het behoud van de krachten van het huidige systeem. Daarnaast dient het nieuwe pensioencontract volledig transparant te zijn en beter aan te sluiten op het nieuwe werken. Wil een nieuw systeem kans van slagen hebben, dan moet het voor alle partijen aansluiten bij de wensen en doelstellingen. De vier stakeholders in het pensioencontract zijn de gepensioneerden, de werkgever, de werknemers en de toekomstige generaties.

Figuur 1. Het pensioencontract

c

Wat willen deze belanghebbenden? Werkgevers willen voorspelbaarheid van kosten. Gepensioneerden zijn geïnteresseerd in zekerheid en waardevastheid. Voor de jongeren in een pensioenfonds is zekerheid van minder belang, zij willen een zo laag mogelijke premie en zoveel mogelijk profiteren van hun lange termijn beleggingshorizon. Hoe jonger de deelnemer, hoe minder zekerheid van belang is. Naarmate een deelnemer dichterbij pensioen komt, wordt zekerheid steeds belangrijker. De toekomstige deelnemer wil toetreden in een pensioensysteem dat voldoende solide is en geen schuld met zich meebrengt. Dit laatste is het geval indien een deelnemer toetreedt in een pensioenfonds met onderdekking.

Deze wensen zijn te bereiken door een combinatie van aanpassingen aan het pensioencontract en beleggingsbeleid. Allereerst is het van belang de pensioenaanspraak afhankelijk te maken van het beleggingsresultaat. Dit wordt ook in het pensioenakkoord voorgesteld. Het verschil tussen ons voorstel en het pensioenakkoord ligt in de manier wordt deze aanpassing wordt doorgevoerd.

De door ons voorgestelde oplossingsrichting ligt in een hybride vorm van DB (collectieve regeling met gegarandeerde aanspraak) en DC (individuele spaar/beleggingsvorm van pensioen). Deze vorm garandeert een waardevast pensioen voor gepensioneerden en biedt een opwaarts (en neerwaarts) potentieel van voor jongeren en combineert de kostenefficiëntie van een collectief pensioen.

Pensioen is essentie niets meer dan een reeks toekomstige verwachte inflatiegerelateerde uitkeringen. Deze uitkeringenstroom is te repliceren door middel van een combinatie van kasgeld, interest rate swaps en inflation swaps. Een dergelijke combinatie noemen we een ‘synthetische DB regeling’ (zie ook Siegelaer, 2009).

Door gebruik te maken van een collectieve uitvoering is het mogelijk om de actuariële risico’s (risico dat men korter of langer leeft dan verwacht) via het collectieve structurisering kostenefficiënt vorm te geven. Hierbij stellen wij voor om het kortlevenrisico te herverzekeren via een nu reeds gangbare verzekeringstechniek en om het langlevenrisico - in afwachting van verder ontwikkelingen op de financiële markt – te structuriseren via een interne collectieve optie (noot 1 en 2). Zie voor nadere details Hulshoff (2010).

De crux zit in het flexibiliseren van een individuele asset allocatie, voornamelijk gebaseerd op leeftijd en persoonlijke preferenties. Een gepensioneerde deelnemer heeft een volledige allocatie naar een synthetisch DB portefeuille. Voor de oudere deelnemer is zijn pensioen gegarandeerd, niet door een zachte garantie tussen sociale partners, maar door een harde garantie vanuit de kapitaalmarkt.

Een jonge deelnemer daarentegen heeft een volledige allocatie naar een rendementsbeleggingsportefeuille. Voor de jongere deelnemer geldt dat zijn uiteindelijk te bereiken pensioen onzeker is, maar dat hij volledig kan profiteren van zijn lange beleggingshorizon en volledig aanspraak maakt op de lusten en lasten van beleggingsrisico. Naarmate de deelnemer ouder wordt zal een groeiend deel van zijn pensioenvermogen worden gealloceerd naar een synthetisch DB portefeuille, en zal zijn zekerheid over zijn te bereiken pensioen groeien.

Deze vorm van pensioenuitvoering sluit aan bij de economische theorie van Lifecycle beleggen (zie bijvoorbeeld Samuelson, 1969).

Fiscaliteit: een oude regeling

Afgezien van de overstap zijn er nog enkele barrières te nemen. In de eerste plaats denken we hierbij aan de huidige fiscale regels omtrent maximaal toegestane DC-premiestaffels (leeftijdsafhankelijk contributies, laag voor jonge deelnemer, stijgend naarmate de deelnemer ouder wordt). De huidige regels zijn gebaseerd op ouderwetse principes; middelloonregelingen met een vaste – niet marktconforme – rekenrente. Hierdoor is het fiscaal niet toegestaan om een vaste premie te hanteren, ongeacht de leeftijd van de deelnemer, hetgeen in een moderne omgeving economisch efficiënt is. Het pensioenakkoord vergeet deze fiscale regels te moderniseren.

Schaalgrootte

Het gebruik van het instrumentarium om een synthetisch DB portefeuille te construeren vereist dat een pensioenfonds een zekere schaal heeft, enerzijds voor de benodigde governance, anderzijds om überhaupt op een efficiënte wijze toegang te krijgen tot de relevante financiële markten. Wij schatten dit momenteel op minimaal 500 miljoen euro.

Schaf verplichtstelling af

Voor de realisatie van dit idee moet de markt een flinke stimulans krijgen. De verplichtstelling staat dit in de weg.

Dankzij de verplichtstelling hebben we in Nederland een hoge participatiegraad en lage armoede onder gepensioneerden Maar is deze verplichtstelling nog wel van deze tijd? Het opbouwen van een volwaardig pensioen is tegenwoordig volledig ingebed in onze maatschappij, waarmee de zorgplicht van de overheid ook op een andere wijze kan worden verankerd.

Daarnaast heeft de verplichtstelling een aantal duidelijke nadelen. Ten eerste zorgt de vergrote, door de overheid aangemoedigde, arbeidsmobiliteit ervoor dat deelnemers vaak een sterk versnipperde pensioenopbouw krijgen. Niet alleen kunnen onvergelijkbare pensioenuitvoeringvormen er voor zorgen dat de pensioenopbouw erg onoverzichtelijk wordt, vaak kunnen oude regeling moeilijk in de bestaande vorm worden meegenomen, bijvoorbeeld als er verzekeringselementen in de regeling zijn verwoven. Daarnaast kunnen korte termijn marktfluctuaties ervoor zorgen dat er bij omzetten van een voor de lange termijn bedoelde pensioenregeling veel pensioenvermogen verloren gaat. Pensioenregelingen worden meestal ook niet ontworpen of getoetst op hun mobiliteitskarakter en sluiten daarom slecht aan op de huidige flexibele arbeidsmarkt. Ten tweede zit er in de pensioenopbouw van de deelnemer geen eenduidige strategie. Telkens wordt een deelnemer geconfronteerd met een nieuwe pensioenregeling met een nieuw pensioenbeleid. Deze regelingen bieden vaak weinig tot geen ruimte tot maatwerk of persoonlijke financiële planning. Door verplicht deel te moeten nemen aan een generiek opgestelde pensioenregeling zit een deelnemer opgescheept met een oplossing voor de gemiddelde deelnemer, hetgeen niet noodzakelijkerwijs overeenstemt met de doelstelling van de individuele deelnemer. Ten derde zijn er relatief hoge kosten gemoeid met het wisselen van pensioenregeling. Naast de administratieve kosten dient ook het vermogen te worden geliquideerd en herbelegd. De kosten hiervan kunnen wel oplopen tot 0.5 – 1.0% van het belegd vermogen.

Van de individuele financiële planning is de pensioenopbouw bij de meeste mensen het hoofdbestanddeel. Toch kan men hierop weinig tot geen invloed uitoefenen (noot 3). Doordat pensioenfondsen als eilandjes opereren, belemmert de verplichtstelling het proces waarin de markt producten ontwikkelt die beter zijn toegespitst op een totale individuele financiële planning. Bij een dergelijke planning wordt ook rekening gehouden met onder andere het kopen van een huis, het nemen van een sabbatical, het starten van een eigen onderneming, het eerder met pensioen willen gaan of simpelweg veranderende persoonlijke omstandigheden. Het afschaffen van de verplichtstelling zou het pensioenstelsel van een aanbod gedreven pensioenstelsel naar een meer vraag gedreven pensioenstelsel duwen. Dit zou de overgang naar de hedendaagse pensionbehoefte en betere individuele financiële planning beter zou kunnen faciliteren.

Het loslaten van de verplichting hoeft de in de pensioenwet opgenomen zorgplicht niet te belemmeren, zelfs als deze bij een door een werknemer aangewezen pensioenuitvoerder zou liggen. Bovendien zal het pensioen als arbeidsvoorwaarde ook makkelijker kunnen worden onderhandeld tussen werkgever en werknemer, doordat de discussie niet meer gaat over obscure technische elementen als franchise, opbouwpercentage en uitruilfactoren, maar over de hoogte van de bijdrage.

De nieuwe uitvoeringvorm Premie Pensioen Instelling (PPI) geeft een eerste aanzet in deze richting. Omdat een verscheidenheid aan deelnemers kan deelnemen in een PPI, zullen deelnemers kunnen blijven profiteren van schaalgrote bij zowel administratie als vermogensbeheer. De afgelopen maanden heeft een verscheidenheid van professionele organisaties een PPI opgezet waarin alle onderdelen voor de pensioenuitvoering worden aangeboden. .

Conclusie

Het huidige pensioensysteem in Nederland is kwalitatief hoogstaand, maar niet toekomstbestendig. Het nieuwe pensioenakkoord lost de onderliggende problemen niet op. Door een slimme invulling van het pensioencontract en van het beleggingsbeleid is het mogelijk om een systeem te creëren dat wel een oplossing biedt voor de problemen en wel toekomstbestendig is. Hiervoor is wel nodig dat de fiscale pensioenregels worden vernieuwd en de verplichtstelling wordt geschrapt.

Dit artikel is geschreven op persoonlijke titel.

Noten

Noot 1. Op de financiële markten is sinds enkele jaren een ontwikkeling gaande om producten te maken waarbij de uitbetaling afhangt van een actuariële component. De op dit moment meest ontwikkelde variant betreft longevity swaps; een financieel contract waarbij de kosten van verwachte sterfte worden ‘uitgeruild’ tegen de kosten van werkelijke sterfte. In het Verenigd Koninkrijk zijn reeds meerdere van dergelijke transacties uitgevoerd, in Nederland heeft nog geen enkel pensioenfonds de stap gemaakt.

Noot 2. Via structurisatie en een Special Purpose Vehicle.

Noot 3. Dit geldt in ieder geval voor de eerste (AOW) en tweede (werkgeverspensioen) pijler van het pensioenstelsel. In de derde pijler (de individuele pensioenspaarpot) kan iedereen persoonlijk sparen, maar niet profiteren van de schaalgrootte, de kostenvoordelen en de expertise die binnen de tweede pijler is ingebed.

Referenties

Atos Consulting. 2009. “De pensioenmarkt in 2020”.

Bikker J.A. en de Dreu J. 2006. "Uitvoeringskosten van pensioenverstrekkers". Kosten en baten van collectieve pensioensystemen. Kluwer Publishers. Page 69-96.

DNB en SZW. 2011. “Onderzoek naar alternatieve risicovrije rentes voor pensioenfondsen”. Mei.

DNB. 2011. “Statistisch Bulletin december 2010".

TJB Hulshoff. 2011. “Next Generation Defined Benefit”. VBA Journal #1 2011.

TJB Hulshoff. 2010. “Next Generation Defined Benefit Schemes”. Thesis. Msc. Investment Management, Vrije Universiteit Amsterdam.

Kuné J.B. 2006. "Solidariteiten in collectieve pensioenregelingen". Kosten en baten van collectieve pensioensystemen. Kluwer Publishers. Page 23-46.

Samuelson, P.A. 1969. Lifetime Portfolio Selection by Dynamic Stochastic Programming. Review of Economics and Statistics 51, 239-246.

Siegelaer. 2009. "Solidariteit in een nieuw jasje". Financieele Dagblad. 26 maart.

Bron foto: Flickr, Daniel Blume.

Te citeren als

Alexander Brouwer, Tjitsger Hulshoff, “Een pensioenregeling waar jong en oud zich goed bij voelt”, Me Judice, 5 september 2011.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.