Geloofwaardig economisch beleid in Oost-Europa verkleint risico van lenen in euro’s

Geloofwaardig economisch beleid in Oost-Europa verkleint risico van lenen in euro’s image
24 jan 2011 | | 1902 keer bekeken
Veel leningen bij banken in Oost-Europa zijn genoteerd in euro’s in plaats van de eigen munt. De kredietcrisis heeft laten zien dat dit kan resulteren in grote valutarisico’s voor bedrijven en particulieren. Deze risico’s kunnen Oost-Europese overheden het beste beperken door de onderliggende oorzaak ervan aan te pakken: een gebrek aan vertrouwen in het eigen economische beleid. Dit blijkt uit een onderzoek van de economen Martin Brown en Ralph de Haas.

Veel leningen niet in eigen munt

In Oost-Europa verlenen banken een groot deel van hun leningen in euro’s of Zwitserse franken in plaats van de lokale munteenheid. Meer dan de helft van alle kredieten in bijvoorbeeld Bulgarije en Hongarije is momenteel gedenomineerd in (of gekoppeld aan) een buitenlandse valuta. Veel van deze FX (foreign exchange) leningen worden verstrekt aan huishoudens en kleine bedrijfjes die doorgaans een inkomen in de binnenlandse valuta hebben en dus een valutarisico gaan lopen. Tegenover dit risico staat natuurlijk het voordeel dat FX leningen vaak aanzienlijk goedkoper zijn dan zloty- of forintleningen.

Toen tijdens de financiële crisis van 2008/2009 een aantal Oost-Europese wisselkoersen deprecieerden, kwam een deel van deze klanten in betalingsproblemen. In andere landen zorgde de hoge mate van euroisatie ervoor dat de overheid geen gebruik kon maken van neerwaartse wisselkoersflexibiliteit om externe schokken op te vangen, aangezien dit tot grootschalige faillissementen in de private sector zou hebben geleid.

Een waaier aan maatregelen

Naar aanleiding van deze problemen zijn centrale banken en toezichthouders maatregelen gaan treffen om euroisatie af te remmen. In Hongarije, Letland en Polen hebben toezichthouders banken aangespoord om valutarisico’s beter aan klanten uit te leggen. De achterliggende gedachte is dat betere informatie de vraag naar FX leningen zal doen afnemen. In Kazachstan, Kroatië, en Roemenië moeten banken hogere voorzieningen aanhouden op FX leningen dan op leningen in de lokale valuta. De achterliggende gedachte is dat hierdoor het aanbod van FX leningen zal afnemen. Ten slotte hebben sommige landen FX hypotheken (Oekraïne) of alle FX retailleningen (Wit-Rusland) simpelweg verboden. De achterliggende gedachte is dat de risico’s en de negatieve externaliteiten van FX leningen simpelweg groter zijn dan de baten.

De variëteit in maatregelen weerspiegelt het gebrek aan overeenstemming over de oorzaken van euroisatie. Enerzijds wordt met een beschuldigende vinger gewezen naar de instroom van (FX gedenomineerd) kapitaal in de vorm van bankleningen, obligaties en intrabancaire leningen van moeder- aan dochterbanken. Anderzijds wordt gesteld dat de diepere oorzaak van euroisatie is gelegen in de macro-economische instabiliteit in Oost-Europa. Hierdoor vragen bedrijven en huishoudens eerder een lening in FX dan in de lokale valuta. Beide oorzaken sluiten elkaar niet uit: een hoge vraag naar FX leningen in een land met een grillig inflatieverloop zal beter beantwoord kunnen worden met een aanbod van FX leningen als dat land financieel sterk geïntegreerd is.

Om de vraag te beantwoorden of en hoe FX leningen ontmoedigd moeten worden, is het belangrijk beter te begrijpen waarom euroisatie in sommige landen zo’n hoge vlucht heeft genomen. Empirisch bewijs voor de diepere oorzaken van euroisatie in Oost-Europa is echter schaars. In een nieuw working paper gebruiken we unieke data over de kredietverlening van individuele banken om te analyseren welke factoren een doorslaggevende rol spelen in het Oost-Europese euroisatieproces (Brown en De Haas, 2010). We bekijken in het bijzonder of dochters van buitenlandse banken, zoals de Nederlandse ING, een speciale rol spelen in het promoten en verspreiden van FX leningen.

Gegevens over kredietverlening

Onze databron is de EBRD Banking Environment and Performance Survey (BEPS) waarvoor in 2005 het topmanagement van 220 buitenlandse en binnenlandse banken in 20 transitielanden werd geïnterviewd. De BEPS bevat gedetailleerde informatie over de kredietverlening, financieringsstructuur, risicomanagement en de visie van het bankmanagement op crediteurenbescherming en het bankentoezicht. We koppelen deze data (beschikbaar voor 2001 en 2004) aan balansgegevens uit BankScope en aan verschillende macro-economische indicatoren.

Gedurende 2001-2004 was euroisatie van zakelijk krediet al wijdverspreid in Oost-Europa. Het gemiddelde percentage zakelijke leningen in FX was 41 procent in 2001 en 44 procent in 2004. Tussen 2001 en 2004 lieten veel banken echter een veel sterkere verandering zien in de valutadenominatie van hun retailportfolio.

Gemiddeld genomen nam het percentage FX leningen aan huishoudens toe van 28 procent in 2001 tot 38 procent in 2004. Dit gemiddelde maskeert aanzienlijke verschillen tussen banken. In ons paper onderzoeken we in welke mate veranderingen in de valutadenominatie van zakelijke en huishoudelijke kredieten verklaard kunnen worden door de eigendoms- en financieringsstructuur van banken en door macro-economische omstandigheden.

Eigendomsstructuur banken geen belangrijke verklaring voor euroisatie

Onze resultaten laten zien dat de grootschalige aanwezigheid van buitenlandse banken niet de belangrijkste factor is geweest achter de hoge mate van euroisatie in Oost-Europa. Alhoewel buitenlandse banken een groter deel van hun zakelijke leningen in FX verlenen dan binnenlandse banken, geldt dit niet voor de huishoudelijke kredietverlening (waar juist de sterkste stijging in euroisatie plaatsvond). We tonen ook aan dat banken die door een buitenlandse bank worden overgenomen, niet opeens meer krediet in FX gaan verlenen. Ten slotte vinden we geen bewijs voor convergentie van euroisatie tussen dochterbanken van dezelfde moederbank. Een dergelijk convergentieproces zou erop kunnen wijzen dat moederbanken via hun interne kapitaalmarkt de FX kredietverlening van hun dochters naar een groepsgemiddelde toesturen. We vinden hier echter geen enkel bewijs voor.

We vinden wel bewijs voor ‘besmetting’ van euroisatie tussen banken binnen hetzelfde land: banken met een relatief lage mate van euroisatie in 2001, ten opzichte van andere banken in hetzelfde land, lieten hun FX kredietverlening veel sterker toenemen gedurende de volgende drie jaren.

Een tweede bevinding is dat macro-economische stabiliteit een belangrijke invloed uitoefent op FX kredietverlening door alle banken, ongeacht hun eigendomsstructuur. Reële wisselkoersvolatiliteit in het bijzonder heeft een sterk ontmoedigend effect op kredietverlening in FX. Interessant genoeg vinden we ook, in lijn met recente resultaten van Brown e.a. (2011), dat renteverschillen niet positief gecorreleerd zijn met het percentage FX leningen. In tegendeel, we vinden dat banken in landen die een sterke afname zagen in het korterenteverschil ten opzichte van de euro, juist hun FX kredietverlening uitbreidden gedurende 2001-2004. Dit suggereert dat de (verwachte) macro-economische stabiliteit die ten grondslag lag aan de afnemende renteverschillen een sterkere determinant is van euroisatie dan de afname in die renteverschillen zelf.

Een andere aanwijzing voor het belang van macro-economische stabiliteit is dat het percentage deposito’s dat in FX wordt aangehouden – en waarvan mag worden aangenomen dat dit sterk samenhangt met de mate van macro-economische stabiliteit in een land – een belangrijke determinant blijkt te zijn van FX kredietverlening. Een 10 procent hogere proportie van deposito’s die in FX worden aangehouden, hangt samen met een 5 tot 6 procent hoger percentage FX leningen. Een dergelijke samenhang vinden we niet tussen de wholesale funding van een bank en haar FX kredietverlening.

Tsjechië als voorbeeld

Onze resultaten kunnen van belang zijn voor beleidsmakers in Oost- en West-Europa die momenteel bekijken hoe FX leningen teruggedrongen kunnen worden. We laten zien dat FX deposito’s een belangrijke invloed hebben op FX kredietverlening in Oost-Europa. Dit suggereert dat een geloofwaardig macro-economisch beleid, dat deposanten aanmoedigt om in de lokale valuta te sparen, belangrijker is dan het introduceren van beperkingen aan banken om grensoverschrijdende financiering aan te trekken. Landen zoals Tsjechië laten zien dat het consistent vasthouden aan een geloofwaardig macro-economisch beleid kan leiden tot een relatief laag euroisatieniveau, zelfs wanneer een meerderheid van het bankwezen in buitenlandse handen is. Op vergelijkbare wijze hebben verschillende Latijns-Amerikaanse landen laten zien dat ‘de-dollarisatie’ mogelijk is door te kiezen voor een macro-economisch raamwerk dat financiering in de lokale valuta aantrekkelijker maakt, zoals flexibele wisselkoersregimes en inflation targeting (Zettelmeyer et al., 2010).

In landen met zwakke monetaire en fiscale instituties zou een harde aanpak van FX leningen door toezichthouders zelfs schadelijk kunnen zijn aangezien leningen in de binnenlandse valuta geen reëel alternatief zijn op de korte termijn. In zulke gevallen zal het tegengaan van FX kredieten simpelweg leiden tot minder kredietverlening in z’n geheel. Dit wil niet zeggen dat regulering geen enkele rol kan spelen in het beperken van FX leningen. Polen is een voorbeeld van een land dat relatief succesvol is geweest in het tegengaan van FX leningen door de introductie van de zogenaamde ‘Recommendation S’, waarbij banken verplicht werden om een strengere kredietbeoordeling toe te passen indien ze FX krediet verleenden en om FX risico’s transparant te maken. Dergelijke maatregelen kunnen ervoor zorgen dat zowel banken als hun klanten een betere afweging maken tussen de voor- en nadelen van FX leningen.

Referenties:

Brown, M. en R. De Haas (2010). ‘ Foreign Currency Lending in Emerging Europe: Bank-Level Evidence’, EBRD Working Paper Nr. 122 en paper voor de 54ste Panel Meeting van Economic Policy in April 2011.

Brown, M., S. Ongena, en P. Yesin (2011). ‘FX Borrowing by Small Firms’, Journal of Financial Intermediation, in voorbereiding.

Zettelmeyer, J., P. Nagy, en S. Jeffrey (2010). ‘Addressing Private Sector Currency Mismatches in Emerging Europe’, EBRD Working Paper Nr. 115, Londen.: Steve Cadman, Flickr

Dit artikel kan worden overgenomen met bronvermelding. Toezending van bewijsexemplaren wordt op prijs gesteld. © Me Judice

Te citeren als

Martin Brown, Ralph de Haas, “Geloofwaardig economisch beleid in Oost-Europa verkleint risico van lenen in euro’s”, Me Judice, 24 januari 2011.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.