Het financieel regime: over de gevolgen van een moderne dwaalleer

Het financieel regime: over de gevolgen van een moderne dwaalleer image
Afbeelding ‘Democracy Monument (Bangkok, Thailand)’ van Shubert Ciencia (CC BY 2.0)
20 nov 2010 | | 11613 keer bekeken
Het vrije-marktfundamentalisme werkt in feite niet als ideeënleer, maar als afpersingspraktijk, door nationale regeringen tegen elkaar uit te spelen en steeds het land op te zoeken dat de minste regelingen oplegt en de meeste speelruimte gunt om naar believen te opereren. Zo heeft zich, onder de dekking van de vrije markt, een financieel regiem gevestigd dat in veel opzichten doet denken aan de militaire regimes. Dat is slechts een voorproefje van de Thomas More lezing die Abram de Swaan op 17 november gaf in de Amsterdamse Rode Hoed. Bij uitzondering plaatst de redactie van Me Judice hieronder de volledige tekst van deze uitzonderlijke lezing.

"…no one, in my opinion at least, may be styled a man of letters who has not pored through each and everyone of the sciences." Thomas More (1)

De kredietcrisis heeft talloze miljoenen hun baan gekost, ongetelde miljoenen beleggers hun spaargeld. Die creditcrisis is ook een vertrouwens-crisis: het publiek heeft het vertrouwen in de financiële instellingen verloren en die instellingen vertrouwen elkaar niet meer. De kredietcrisis betekent bovendien het eind van vanzelfsprekendheden die zonder dat mensen dat beseften hun alledaagse zekerheden uitmaakten.

Het vanzelfsprekende is het vanzelfzwijgende: datgene wat geen betoog behoeft, waarover je eigenlijk niet eens hoeft na te denken, dat even onder het oppervlak van de dagelijkse gedachten zweeft, ongereflecteerd, vaak onbeseft, en juist daarom onontkoombaar in zijn uitwerking. Eén zo’n ondergelopen gedachtegoed is de notie van de enkeling, enkel bedacht op eigen, zo groot mogelijk profijt.

De economische wetenschap is gewijd aan de uitwerking van dat individualistisch, maximaliserend mensbeeld. De eerste zet in de economische redenering is dat uit dit éénrichtingsstreven van talloze winstzoekende enkelingen, veelal onbedoeld, ongeweten en onbegrepen, een complexe, evenwichtige en optimale maatschappelijke orde resulteert: de vrije-markteconomie.

Dat is uiteraard vooral het mensbeeld van de econoom en van de ondernemer. Maar het is sinds een half mensenleven ook de leidraad geworden in de bedrijfs - en bestuurskunde, waar de profijtbeluste werknemers en klanten met kleine beloningen subtiel gestuurd kunnen worden, zó dat voor de organisatie de uitkomst optimaal is.

Zo vanzelfzwijgend vanzelfsprekend is deze opvatting van de winststrevende enkeling, dat ze ook op andere diersoorten dan de mens geprojecteerd is, ja zelfs op de gedachteloze, strevingsloze molecuulspiralen van het DNA waarin onze genen ronddraaien. Die visie werd gemeengoed met de verschijning van een boek van Richard Dawkins: Het zelfzuchtige gen – die titel behelst een dubbele spiraal van misverstanden. Het gen denkt niet, het gen wil niet, zucht naar niets, niet eens naar zichzelf, het gen verbreidt zich alleen maar, of juist niet. Maar al in de titel suggereert Dawkins een parallel met een kleine ondernemer die in een competitieve omgeving streeft naar maximale opbrengst door een zo groot mogelijke afzet. (2)

Die noties zijn meestal onbeseft en ondoordacht en juist daarom sturen zie vaak ongemerkt het geestesleven. Er bestaat blijkbaar een westers wereldbeeld dat is gaan gelden, niet alleen voor de markt, maar ook voor de organisaties van overheid en bedrijfsleven, en zelfs voor de gehele levende natuur: het beeld van winstbeluste eenlingen in onderllnge wedijver. Dat is het paradigma, de wetenschappelijke wereldbeschouwing van ons tijdsgewricht.

Ik weet waarvan ik spreek, want ik ben een overtuigd aanhanger, maar met mate, van de vrije-marktgedachte en trouwens ook van de genetische evolutietheorie. Maar ik hang ook een heleboel andere ideeën aan, die met deze denkwijze op enkele wezenlijke punten in strijd zijn.

Hoe heeft dit westers wereldbeeld zo’n greep kunnen krijgen op het denken en doen van hedendaagse mensen? Hoe heeft het kunnen doorschieten tot in het absurde, tot de waanidee van ongebreidelde marktwerking? En hoe kan deze legitimering van een zelfverrijkende elite weerlegd worden?

Het inzicht van Adam Smith en zijn medestanders dat een economische orde kan resulteren uit niets anders dan het zelfzuchtig streven van de mensen in onderlinge wisselwerking is één van de meest geniale en revolutionaire denkbeelden in de mensheidsgeschiedenis. Geen god, geen koning, geen patenten en octrooien, geen arbeidsdwang of productiebevel is nodig om de menselijke inspanningen zo in elkaar te laten grijpen dat zij ‘als vanzelf’, ‘als geleid door een verborgen hand’ tot grote, gezamenlijke welvaart leiden.

Al even radicaal en baanbrekend was het tweede inzicht, dat van Charles Darwin, dat aan de natuur zoals wij die kennen geen god, geen rentmeester, geen intelligent ontwerp, laat staan een kweker of een laborant, te pas gekomen is om de ontwikkeling der soorten zo te laten verlopen dat ze tot steeds andere, steeds complexere overlevensvormen leidt. Het sterkste voorbeeld daarvan is de soort homo sapiens, die, als klap op de vuurpijl, zelf tot dit inzicht in zijn eigen evolutie is gekomen. De redenering luidt in moderne versie, dat als het gen bijdraagt aan de voortplantingskansen van zijn drager in de wedijver met andere dragers, die drager vruchtbare nakomelingen zal verwekken, waarvan dus velen weer datzelfde gen bij zich dragen, dat zich aldus meer zal verbreiden dan alternatieve genen die minder toevoegen aan het voortplantingssucces. Vandaar.

Er is, onmiskenbaar, een vormovereenkomst tussen de theorie van de vrije markt en de evolutietheorie; samen bepalen ze de wetenschappelijke wereldbeschouwing van het moderne westen. Maar die eenvoud en vormvastheid houdt ook een beperking in. Het lukt de economie alleen maar om tot eenduidige gedachteconstructies te komen als ze zich beperkt tot het op winstmaximalisatie gerichte menselijk streven. Dat winstbegrip kan wat ruimer genomen worden of wat krapper, op korte termijn of op lange termijn. Het kan het best in geld gemeten worden, anders moeten aan niet-monetaire grootheden waardes worden toegeschreven en dat is altijd een beetje knoeierig: hoe bepaal je bijvoorbeeld de waarde of de schade van milieubehoud? Net zo kan de bedrijfsboekhouder de winst alleen vaststellen door zich te beperken tot in geld gemeten waarden en dat is al begrotelijk genoeg. De stankoverlast, de onvrede met het werk, de verschraling van het product, zonder bijkomende kunstgrepen blijft het allemaal buiten beschouwing, althans in de verlies- en winstrekening.

Mensen, dat blijkt al uit drie millennia wereldliteratuur, als het u zelf nog niet was opgevallen, streven gelijktijdig verschillende en vaak strijdige doelen na. Ze willen zich inderdaad verrijken, maar ze verlangen ook naar een grote liefde, zij willen hun eer of eigenwaarde niet verliezen, ze jagen opwinding en genot na, ze streven naar meer macht over anderen (die dan des te afhankelijker van hen zullen zijn) ze jagen roem na, glorie in sport,kunst of wetenschap, en ja, ze willen iets het snelste of het hoogste kunnen, ze willen iets moois maken dat nog nooit gemaakt is en ze willen iets bedenken, ontdekken of uitvinden, dat waar is en werkt en dat niemand ooit eerder heeft gevonden.

Het is onmogelijk om tevoren vast te stellen wat de ruilverhouding is tussen die verschillende waarden: wat is de geldswaarde van een eenheid macht, een eenheid eer, of schoonheid, als je daar al een eenheid van zou kunnen bepalen, en wat is de koers van een machtseenheid tegenover een eenheid liefde? Dit zijn onbeantwoordbare, betekenisloze vragen. (3)

Het gaat hier over de incommensurabiliteit van menselijke waarden: de veelheid van menselijke strevingen is niet tot een enkele grootheid te herleiden. Geen mens is te reduceren tot een enkele noemer, ook niet die van het geld. Daarmee is de economie voor altijd veroordeeld tot opsluiting in het reservaat waar het winststreven althans min of meer prevaleert. Maar dat reservaat is ruim genoeg en rijk genoeg om een wetenschap tot habitat te kunnen dienen. Want juist in het tijdperk dat de wetenschap der economie ontstond breidde ook de economische sfeer zich ver uit in het menselijk samenleven. Meer mensen leerden om zich op meer momenten in meer aspecten van hun leven economisch te gedragen, zich goed te informeren en op grond daarvan zo voordelig mogelijk te produceren, te kopen en te verkopen, en hun kosten en opbrengsten in geld te meten. In die zin is het economisch model dus ook steeds waarder geworden. Maar het blijft gelden binnen een reservaat, het reservaat van de markt waar al die mensen elkaar in den lijve of in gedachten ontmoeten om de resultaten van hun inspanningen met elkaar te ruilen. En dat reservaat ging meer en meer menselijke bezigheden van meer en meer mensen omvatten.

Bestuur en organisatie zijn lang bezien vanuit het gezichtspunt van gezag en loyaliteit. Maar in economisch perspectief is de organisatie ook te bekijken als een voortdurend stroomgebied van inspanningen die aangedreven, geremd en gestuurd worden met beloningen waarmee mensen tot het ene of het andere gedrag worden aangezet: ‘incentives’, of op zijn Nederlands ‘prikkels’. Ook dat is een vereenvoudiging, want om verschillende mensen met hun uiteenlopende prestaties te belonen moet je eenheden van prestatie vaststellen die alweer eenduidig zijn.(4) Dat is gebeurd. Met de opkomst van die economisch geïnspireerde bedrijfs- en bestuurskunde werden organisaties eenduidiger, meer ééndimensionaal, economischer. Wanneer de academische economie nog ongelijk heeft verandert de werkelijkheid zich om haar alsnog gelijk te geven.(5) Maar nooit ver genoeg.

Het economisch mensbeeld met zijn vooraf vastgesteld, eenduidig winststreven werkt als een allesbepalende zwaartekracht in de mensenmechanica. En inderdaad, het in deze tijd welhaast universele paradigma van de markt doet denken aan het evenzeer overheersende wereldbeeld van de klok in de zeventiende eeuw. De Newtoniaanse mechanica kon verklaren wat nooit eerder was begrepen, de loop van de sterren en planeten, de val van een appel en de werking van een mechaniek, zoals een uurwerk. Sterker nog, ze kon dat alles exact berekenen en toekomstige standen voorspellen. Ze kon zelfs aangeven wat de grenzen waren van Gods bemoeienis met de wereld. Die mechanica was het wetenschappelijk wereldbeeld van de zeventiende eeuw, zoals het marktmechanisme de wereldbeschouwing bepaalt van deze tijd.

Het marktmechanisch maatschappijbeeld van de economie bleek zich bovendien net als het mechanisch paradigma te lenen voor een wiskundige formulering: het kon in formele termen gevat worden. De fraaiste modellering werd ontleend aan de speltheorie: Theory of Games and Economic Behavior van John von Neumann en Oskar Morgenstern (1943). Het was nu mogelijk om menselijk gedrag, althans menselijk gedrag in sport en spel, en vooral economisch gedrag, af te beelden met wiskundige formules, zoals dat al eerder mogelijk was met de banen der hemellichamen en de beweging van aardse voorwerpen. De intellectuele betovering die van zo’n formalisering uitgaat is alleen te beschrijven in termen van magie, van wijding en ontzag. Het formele is het moderne sacrale.

Ik spreek uit ervaring, ik heb in mijn dissertatie geprobeerd kabinetscoalities in veelpartijenstelsels te verklaren vanuit de n-personen speltheorie en ik heb die speltheorie ook later telkens weer erbij gehaald als ik dacht dat er iets te formaliseren was. Wiskundige modellen gelden als ‘wetenschappelijk’ in de zin van ‘natuurwetenschappelijk’ en de economie is onder de sociale wetenschappen de meest scientistische. Bij natuurwetenschappers hoeven ze daarmee niet aan te komen, maar tegenover menswetenschappers stellen economen zich op als de ‘harde’, de ‘echte’ wetenschapsmensen, vanwege hun formele modellen. Achter die metaforen van ‘hard’ en ‘zacht’ sluimert een man-vrouw dimensie: economen zijn echte vorsers die koen en illusieloos een heldere wereld inblikken, sociologen zijn eigenlijk meer slappe watjes, op z’n zachtst gezegd feminien, die met wat praten en wat kijken een mooi verhaal ophangen (zoiets als dit). Maar alleen aan getal en formule komt dwingende overtuigingskracht toe.

Het achttiende eeuwse inzicht in de werking van de markt als het ongepland en onbedoeld resultaat van talloze menselijke inspanningen die door eigenbelang waren ingegeven was revolutionair en bleek productief ook op heel andere gebieden van wetenschap. Dat inzicht in het marktmechanisme kon ook worden vervat in de universele, formele taal van de wiskunde. Die eerbied voor de formele zetting, dit heilig ontzag voor de formule, kan de greep die deze economie ook nu nog op de geesten houdt voor een goed deel verklaren.

Er zijn in de negentiende eeuw andere mens- en maatschappijbeschouwingen opgekomen, die met het economisch wereldbeeld een dieptestructuur van strijd en wedijver gemeen hadden, ditmaal niet per individu maar groepsgewijs. De oorspronkelijke, Darwinaanse zetting van de evolutietheorie, ging uit van de soort als geheel als eenheid van analyse. De leer van de klassenstrijd nam ook al strijdende collectiviteiten als uitgangspunt. Het marxisme had als kern een heel aannemelijk inzicht, dat de geschiedenis werd voortgedreven door de strijd tussen de bezitters van de productiemiddelen en de bezitslozen. En die plausibele gedachte werd vervolgens ingeweven in een wetenschappelijk, althans een academisch vertoog. (Marx steunde op economen als Smith en Ricardo en leunde tegen de biologie van Darwin aan).

Net zo was het gesteld met die andere negentiende eeuwse doctrine van groepsgewijze strijd, de rassenleer. Iemand die van Darwin’s ideeën over het overleven van de meest geschikte soorten had gehoord kon die noties uiteraard uitproberen op de mensenmaatschappij: de verschillende variëteiten van de menselijke soort concurreren met elkaar om overlevingskansen en de meest geschikte variant, ‘het beste ras’, zal uiteindelijk overwinnen. Daar zit, alweer, op het eerste gezicht iets in. En ook dat denkbeeld ging gehuld in de wade der wetenschap, de Darwiniaans biologie in dit geval. Antropologen kwamen met nieuwe waarnemingen uit het vrije veld, schedelmeters vonden statistische verbanden. In de eerste decennia van de vorige eeuw namen vrijwel alle criminologen en de meeste sociologen de rassenleer heel serieus. Pas na de finale overwinning op het Hitlerisme raakten zulke ideeën in volstrekt diskrediet. Zelfs nu, nu het biologisme met goed fatsoen terug is in de sociale wetenschap, als neodarwinisme, als genetische evolutieleer, wordt tussen mensen geen onderscheid gemaakt naar ‘rassen’.

Ook de notie van klassenstrijd is als instrument van historisch en sociologisch onderzoek nadat de Sovjet-Unie ineen gezakt was voorgoed naar de mestvaalt der geschiedenis verwezen. Mijns inziens is de sociaal-economische klassenanalyse dringend toe aan herwaardering en hergebruik.

Om de fascinatie van zoveel weldenkende en minder weldenkende mensen met die wereldbeschouwingen te kunnen verklaren moeten ze niet vanuit het heden bekeken worden, maar zoals ze zich toen voordeden, in de ideeënwereld van die tijd, als baanbrekende, gedurfde inzichten die in een chaotisch schijnende wereld een brede, sterke samenhang konden onthullen. Die gedachteconstructies hypertrofieerden, ze woekerden in wilde groei tot alomvattende, allesbeheersende ideologieën, zonodig opgelegd met drang en dwang aan ieder die het niet geloven wilde.

In één mensenleven, mijn mensenleven, zijn minstens twee wereldrijken volledig ingestort, imperia die beide werden beheerst door zo’n doorgeschoten waanidee: de ene, Nazi-Duitsland, was in de greep van het nazisme met zijn theorie van de rassenstrijd; de andere, de Sovjet-Unie was in de ban van het marxisme met zijn leer van de klassenstrijd. Waandenkbeelden allebei, maar beide met in de kern een ‘verleidende gedachte’. Hun werking is onverklaarbaar als we die plausibele, die aanlokkelijke aanvangsgedachte niet willen zien en de onweerstaanbare wetenschappelijke inkleding negeren. Maar veel meer, heel veel meer was nodig om zo’n dwaalleer als enige waarheid in stand te houden: een tiran met zijn geheime politie en milities, met gevangenissen en martelkamers, executiepelotons en concentratiekampen, met een propagandamachine en gemuilkorfde media, en met universiteiten, faculteiten, bibliotheken, uitgeverijen, kranten waarin geleerden en schrijvers gewillig, of bang en gehoorzaam, meezongen in de monophonie van de heersende idee.

Toen aan het eind van de jaren tachtig de Sovjet-Unie langzaam inzakte, kwam dat voor velen hier, en vooral daar, als een verrassing. Er was dus niet eens een oorlog, niet eens een revolutie voor nodig geweest, alleen maar de onafwendbare pressie van de militaire, economische, politieke en ook culturele concurrentie.

Zou zoiets ook in het Westen kunnen gebeuren? Nee, dat is onmogelijk in een vrije, open samenleving waar door de niet-aflatende strijd der ideeën alleen de sterkste en meest waarachtige ideeën vooralsnog onweerlegd blijven (weer zo’n biologistische en economistische metafoor van wedijver en selectie). Nee, dat kan hier niet gebeuren, dat kan ons niet overkomen. Ook niet een beetje? Zelfs niet een heleboel?

In dit deel van de wereld is de leer van de vrije markt gaan woekeren. Ze is doorgeschoten naar een hypertrofe variant die de geesten meer en meer ging beheersen. Laten we die dwaalleer het ‘marktisme’ noemen: het vrijemarktfundamentalisme dat alle overheidsbemoeienis en alle regulering afwijst en dat ook elke maatschappelijke samenhang negeert. Alweer, er is een verleidende gedachte: die van de zelfzuchtige enkeling die ondanks zichzelf op de vrije markt aan een optimale orde bijdraagt. En er is de onweerstaanbare wade van wetenschap: de statistische modellen en wiskundige analyses waarmee in de studeerkamer en de collegezaal dat economisch gedrag wordt afgebeeld.

Nadat het Sovjetrijk ineen gezakt was, in China een autoritair regiem de socialistisch bevelseconomie geleidelijk vrijgaf, toen eenmaal in India en tal van andere ontwikkelingslanden de buitenlandse handel en de binnenlandse markt geliberaliseerd werden, ondervond het paradigma van de vrije markt in de wereld, afgezien van Cuba of Noord-Korea, nergens nog tegenstand. De weinige resterende twijfelaars hadden nauwelijks nog iets in te brengen.

Op aanwijzing van academische economen werd in vrijwel alle westerse landen de ene na de andere beperking op het vrije economisch verkeer ontmanteld. ‘Privatisering’, ‘liberalisering’ en ‘deregulering’ waren de slagwoorden van neoliberale en conservatieve politici en als sociaal-democratische partijen aan de macht kwamen, durfden ze de bakens nauwelijks te verzetten, zo overweldigend was het overwicht van de marktistische doctrine. Ook organisaties, zelfs overheids- en semi-overheidsinstanties zonder winstmotief, scholen, universiteiten en ziekenhuizen niet uitgezonderd, werden hervormd volgens de beginselen van de nieuwe bestuurswetenschap, waarvoor economen de toon hadden gezet.(6) Alle tegenspraak kon worden afgedaan als sentimenteel obscurantisme van achterblijvers die diep van binnen bang waren dat ze de nieuwe, exacte, formele, eenduidige metingen van de wetenschappelijke bedrijfsvoering niet zouden kunnen doorstaan. Ik spreek hier in de verleden tijd, maar niet in de voltooid verleden tijd. Het gaat nog altijd door. De scientistische pretenties zijn nooit waargemaakt. De enkelvoudige maatstaven leiden overal tot verschraling en tot schijnaanpassing. Het beruchtste voorbeeld komt van de universiteiten waar publicaties worden afgerekend op het aantal citaties en de getemde geleerden hun artikelen toeschrijven naar die maatstaf.

De verleidende gedachte was allang een dwingende gedachte geworden. Het marktisme werd enthousiast uitgedragen met alle steun van het kapitaal. Op de nieuwe handelsscholen, de Business schools, werd en wordt het aankomend kader in de marktistische leer geschoold en de beste leerlingen uit de klas mogen door naar leidende functies in het bedrijfsleven. Geheel volgens het marktbeginsel worden zij gelokt met hoge salarissen en nog hogere emolumenten: de bonussen. Als zij het hoogst betaald worden, bewijst dat volgens het volkomen-vrije-marktdenken dat zij dus de hoogst begaafden zijn. Hier heeft de ideologie haar fraaiste strik geknoopt: de rijksten zijn de besten en de armsten verdienen niet beter.

Elke samenleving produceert een rechtvaardiging voor de voorrechten van haar elite, deze samenleving niet uitgezonderd. Uiteraard komt aan de hedendaagse legitimering van de bezittende klasse geen god te pas en een gebod ook niet. Het werkt anders, het werkt als vanzelf. De markt selecteert en de markt beloont.

Ik zal die zelfrechtvaardiging hier niet weerleggen. Daar is veel meer voor nodig. Ik ben geen faculteit of denktank, ik heb niet eens een agenda, laat staan een onderzoeksprogramma. Ik zal de redenering in een vijftal punten samenvatten en bij elk één tegenwerping opperen. Dat moet genoeg zijn om twijfel te zaaien aan het groot gelijk van de rijken.

  • De nieuwe elite wordt samengesteld uit de knapste koppen die in open werving zijn geselecteerd door de beste scholen: The best and the brightest. Zou het? Driekwart van de studenten op de business schools in Engeland en de VS komt van particuliere scholen, die voor de grote meerderheid van scholieren onbetaalbaar zijn. Zij zijn dus de studenten met de rijkste ouders. Zouden er op goedkopere scholen niet ook heel wat bovenstebeste brightest rondlopen?
  • Eenmaal in functie dragen de nieuwe leiders een ontzagwekkende verantwoordelijkheid voor duizenden mensen en miljarden dollars. Daarvoor moeten zij ook navenant beloond worden. Dat is waar, maar is het een argument om ze daarom vele tientallen miljoenen uit te keren? De machinist van de hogesnelheidstrein rijdt dagelijks op en neer naar Parijs met twee keer duizend passagiers, elk verzekerd voor, zeg, een miljoen. Hij is verantwoordelijk voor tweeduizend levens en twee miljard euro, per dag. Wanneer hij ’s avonds uit Parijs arriveert op spoor 13a staat dan ook de stationschef klaar met twee miljoen contant voor de machinist, als bonus van de dag. Of vergis ik me nu?
  • De top van de financiële wereld heeft te maken met uitzonderlijk complexe producten die geen ander kan begrijpen, laat staan hanteren. Die financiële papieren zijn ingewikkeld, knap ingewikkeld zelfs, maar zo moeilijk als de spelregels van, zeg, het bridgespel, zijn ze nu ook weer niet. Aan iemand met een normaal, gezond verstand is de werking toch in een paar uur uit te leggen. Het meest complexe product dat ik ben tegengekomen, de synthetic CDS-squared heb ik bij wijze van van oefening in driehonderd woorden voor leken zoals ik verklaard. Gecompliceerd zijn de kansberekeningen waarmee de waarde van het product wordt becijferd. Maar achteraf blijkt dat de gegevens waarop die berekeningen gebaseerd werden grotendeels vervalst waren en dat de coëfficiënten alleen golden voor de juichstemming van een opgaande markt en alle betekenis verloren bij dalende en instortende koersen. Die treurige constatering geldt voor de meeste kwantitatieve modellen waarmee de quants, die bollebozen uit Harvard en MIT, die whizz kids, die wonderkinderen van de rekenmachine, kwamen aanzetten. Al zijn die financiële producten helemaal niet zo ondoorgrondelijk als ze worden voorgesteld, voor de best and the brightest waren ze te moeilijk. Menig bankier is er met open ogen ingetuind en onze allereigenste ABN Amro of ING zouden onder hun schuldenlast bezweken zijn als ze niet door de overheid (die in de marktistische theorie heemaal geen rol hoort te spelen) nog net gered waren.
  • Zulke gigantische kapitalen gaan er in die reuzebedrijven om dat al een klein verschil in leiderschapskwaliteit honderden miljoenen uit kan maken in de beurswaarde van het bedrijf, en dat verschil komt uiteraard de leider toe. In een onderzoek (van Xavier Gabaix) wordt uitgerekend dat een bedrijf dat het moet stellen met een directeur die op de 250ste plaats in de ranglijst staat minder waard is dan hetzelfde bedrijf zou zijn met een directeur die de bovenste plaats in die rangorde inneemt. Toegegeven, het verschil is maar klein: zo’n 16 duizendste procent (dat is minder dan de speling van een zuiger in de meest geavanceerde vliegtuigmotor, dit onderzoek is een mirakel van statistische precisie). Een middelgroot bedrijf van, zeg, een miljard in marktwaarde, zou dus met de beste directeur ter wereld er zestien honderdduizendste op vooruitgaan, ofwel honderdzestigduizend euro komt de directeur als extra beloning toe. Dat is nog onder de Balkenendenorm. Gabaix redeneert de andere kant op, neemt een bedrijf van vijfhonderd miljard en gunt de topman van dat bedrijf vijfhonderd keer zoveel, dus tachtig miljoen, als bonus. Nu is nog te bewijzen dat die waardestijging inderdaad aan de topman kan worden toegerekend en waar te maken dat dit bedrag hem daarom ook als beloning toekomt. Tentamenvraag voor de hoogste klas van de business school: waar vind je een sponsor voor dit onderzoek?
  • Al zijn ze dan niet keurig geklasseerd op een ranglijst, geloof maar dat die topfunctionarissen de besten zijn, want ze worden in vrije werving geselecteerd uit onderling concurrerende sollicitanten. Het kan zijn dat het hoofd van de postkamer zo het bedrijf is binnengekomen, maar op directieniveau gaat het anders. Daar kent men elkaar en polst eens hier en praat eens daar. Soms wordt een koppelaar ingehuurd, een head hunter, die op zoek gaat naar een geschikte partij in zijn uitgebreide kennissenkring, precies zoals dat tot in de vorige eeuw in aanzienlijke kringen gebruikelijk was bij het vinden van een gepaste huwelijkskandidaat. Bij gevorderde marktisten is de vrije markt vooral bedoeld voor anderen.

Hoezeer men in die kringen ook zegt te hechten aan cijfers en harde feiten, als het om de keuze van de hoofdman gaat, prefereert men pure poëzie: de leider moet ‘doortastend zijn, visionair, vertrouwen uitstralen en overwicht’. De heldendichten van Homerus steken er bleekjes en pips bij af. O ja, en ik vergat nog, hij moet zestienduizendste procent aan de marktwaarde van het bedrijf toevoegen.

Die zinsbegoochelende, fantasmagorische bedragen die de topfunctionarissen zich voor bewezen diensten als eindejaarsfooi laten toeschuiven, waren volgens de verstrekkers ‘marktconform’. Ze bedoelen dat een ander bedrijf dezelfde man ongeveer evenveel aan bonus zou betalen en dat ze dus wel moeten, willen ze hem binnenshuis houden. Ze laten zich dus chanteren, en maar al te graag.

De machtspositie van de grote, internationale bedrijven berust voor een aanmerkelijk deel op dezelfde dreigementen. Wanneer de regering in één land schuchter een bescheiden fiscale heffing voorstelt, of verlegen oppert om de bedrijfstak een beperking op te leggen, dan waarschuwt de bedrijfsleiding terstond dat ze van de Amsterdamse Zuid-as naar de Londense City zal verhuizen waar de regeerders niet zo brutaal zijn. Onmiddellijk valt een schare van academisch specialisten het verongelijkte bedrijf bij: ‘de kip, het gouden ei!’ Stamelend van schrik nemen de gezagsdragers hun woorden terug. Schaterend belt de directeur zijn evenknie van het Londens filiaal die tezelfdertijd bij de Engelse bestuurders heeft gedreigd dat hij naar Amsterdam zou gaan.

Dit is niet incidenteel, maar structureel. De grote, internationale ondernemingen ontlenen hun macht voor een aanzienlijk deel aan het chanteren van de regering in het ene land door te dreigen met vertrek naar een ander land. Door de versnelde mondialisering opereren zulke bedrijven in tal van landen en kunnen hun dreigement dus heel geloofwaardig maken tegenover regeringen die naar hun aard nu eenmaal enkel binnen de landsgrenzen kunnen functioneren.

Het vrije-marktfundamentalisme werkt in feite niet als ideeënleer, maar als afpersingspraktijk, door nationale regeringen tegen elkaar uit te spelen en steeds het land op te zoeken dat hun de minste regelingen oplegt en de meeste ruimte gunt om naar believen te opereren, dat geen belastingen int, maar vestigingspremies uitkeert, dat geen milieuregels instelt maar ontheffingen afgeeft, dat geen grenzen aan de bonussen stelt, maar ze uitzondert van de inkomensheffing.

Zo heeft zich in de vrije wereld van het Westen onder de dekking van de vrije markt een financieel regiem gevestigd dat in veel opzichten doet denken aan de militaire regimes die in zoveel landen de overhand hebben. Ook die militairen vervullen, net als de bankiers, een wezenlijke maatschappelijke functie, anders konden ze daaraan geen machtskansen ontlenen. Maar zoals een officierskliek in staat is om een buitenlands gevaar op te roepen dat zij alleen bezweren kunnen, of de dreiging van een opstand die alleen zij kunnen beheersen, en op die manier een machtspositie op te bouwen en allerhande privileges en monopolies af te dwingen, zo ook kan een kongsi van bankiers en ondernemers van de plaatselijke regering allerlei voorrechten en voorkeursposities opeisen, omdat anders een buurland klaar zou staan om ze die voordelen te verschaffen.

Wanneer zodoende eenmaal de gebruikelijke regulering en de gangbare beperkingen zijn afgebroken, het toezicht uitgehold of grotendeels afgeschaft, dan heeft het winststreven vrij spel. Er zijn geen regels of wetten meer, dus crimineel kan het optreden niet genoemd worden, hoogstens amoreel of immoreel, of beter nog ‘precrimineel’. Want al zijn de wetten opgeschort, veel burgers hebben toch nog een vaag rechtsbesef behouden.

Nu komt het creatieve, innovatieve potentieel in het marktisme tot volle wasdom. Hypotheekbemiddelaars smeren mensen die het nooit betalen kunnen een lening aan waarvoor in de aanloopperiode geen rente verschuldigd is. En daarna? Dat zien we dan wel, de provisie is binnen. Voor een goed begrip: ‘daarna’ is nu.

Om een bundel van die leningen te kunnen doorverkopen, vóór de hypotheekbank zelf met de brokken blijft zitten, is het heel nuttig om er een keurmerk van soliditeit aan te laten hangen door een gerenommeerd bureau. Daar bestaan een drietal kredietkeurders voor (credit rating agencies) die zich laten betalen door het te keuren bedrijf. Ze gaven ongezien en ongegeneerd het hoogste waarmerk, ‘AAA’, voor pakketten tjokvol ‘giftig afval’ (toxic junk), zoals ze in de branche zelf bekend staan. Moody’s beurskoers steeg in die paar jaar zevenvoudig als loon voor zijn ‘precrimineel’ gedrag.

In hun haast om vóór de bui binnen te zijn, zagen de banken van taxatie af, maakten geen aktes op, maar lieten een uitzendkracht de papieren invullen. Nadat de leningen een aantal malen waren herschikt en doorverkocht, was hoogst onduidelijk welke bank nu eigenlijk nog bij wanbetaling de beleende woning kon verkopen. Als de zielepoten die er waren ingeluisd een enkele keer de weg naar de rechter wisten te vinden, blijkt regelmatig dat de verkopende bank helemaal niet beschikt over de vereiste papieren. Geen nood. Er is een firma, meldt de International Herald Tribune, die achteraf de benodigde aktes levert voor de verkoop bij executie.

Nu waren er ook wel speculanten die vermoedden dat de huizenmarkt zou instorten en die dus speculeerden ‘a la baisse’: zoals mijn professor Kleerekoper het indertijd nog noemde: ze gingen ‘naked short’. Een grote klant van de Goldman Sachs bank vroeg om voor hem een pakket van de allerberoerdste leningen samen te stellen. De klant leende dat pakket om het aan een andere partij te verkopen tegen de gaande koers en zou eenzelfde pakket over een jaar teruggeven, dan terug te kopen tegen een hopelijk veel lagere koers. Zo gezegd, zo gedaan. En Goldman Sachs vond onder zijn eigen cliëntèle willige kopers van het pakket bedorven leningen. Balletje, balletje.

Bij diezelfde bank wordt gehandeld met supersnelle computers die in duizendsten van seconden een miniem koersverschil kunnen opsporen en een passende handelsorder afgeven. Een wonder van programmering, een mirakel van techniek. Wat blijkt? De bank kreeg van de beurs inzicht in het koersverloop met een duizendste voorsprong op alle anderen. Dat was dus handel met voorkennis.

The best and the brightest. Ja, in balletje, balletje.

De kredietcrisis heeft talloze miljoenen hun baan gekost, ongetelde miljoenen beleggers hun spaargeld. Die kredietcrisis is ook een vertrouwenscrisis: het publiek heeft het vertrouwen in de financiële instellingen verloren en die instellingen vertrouwen elkaar niet meer. En terecht niet.

Het is nu evident waar de marktistische waanidee toe heeft geleid. Regulering is blijkbaar onontbeerlijk en er zijn heel veel regels die tijdelijk opzij geschoven werden, maar die heel goed gewerkt hebben. Uit de laatste crisis is met wat nuchterheid en soberheid ook te leren welke nieuw regelingen er nodig zijn. Terug dus naar een nogal sterke staat en nogal krachtige sociale verbanden, in innige verstrengeling met een tamelijk vrije markt.

Voetnoten

(1) ‘At litteratus mea certe sententia, nisi qui omnes omnino scientias excusserit, appelari nemo debet…’. Thomas More, ‘Letter to Dorp’ (1515) in: (Daniel Kinney ed.) , The complete works of Sir Thomas More. Vol. 15, New Haven and London: Yale U.P., 1986 , pp. 12-3: ‘Geen mens kan, althans naar mijn mening, doorgaan voor geletterd, die zich niet in alle, maar dan ook alle wetenschappen heeft verdiept. ‘

(2) Dawkins kon zich blijkbaar niet weerhouden om zijn boek een even verleidende als misleidende titel mee te geven - het zelfzuchtige gen – die zijn boek de grootst mogelijke verspreiding moest bezorgen: precies volgens het principe dat hij in dat boek verkondigt.

(3) Wat ons overigens niet verhinderde ooit eens in het café te bedenken aan welk wetenschappelijk concept wij onze naam verbonden zouden willen zien. Ik gooide hoge ogen met een ‘nanoDeSwaan’ als kleinste eenheid van macht, maar Harry Mulisch won het spel: elke uitspraak kon ‘waar’ zijn, ‘onwaar’, òf: ‘Mulisch’. Uiteraard, die zin is zelf het beste voorbeeld van een uitspraak die ‘Mulisch’ is.

(4) Het mooiste voorbeeld van zo’n reductionistische ingreep in een organisatie speelt zich nu af, en nog wel aan de Amsterdamse Faculteit van Economie en Bedrijfskunde, waar wéér een leerstoel wordt wegbezuinigd. Boze economiehoogleraren noemen hun bestuurders in een protestbrief daarom ‘bonentellers’. En inderdaad, hun prestaties worden in bedrijfseconomisch perspectief allemaal en zonder onderscheid als één en hetzelfde soort boontje geteld. Dat juist de economen zich daar nu in die termen tegen keren vervult mensen met een minder nobele inborst, zoals ik, met een licht leedvermaak: ‘Boontje komt...’

(5) In zijn pas verschenen boek De utopie van de vrij markt (Rotterdam: Lemniscaat, 2010) spreekt Hans Achterhuis in dit verband van de ‘performativiteit’ van economsiche stellingen.

(6) Zie de mooie rede van Marc Chavannes, Achter de voordeur, onder het bed; de dwaalleer van de etatistische vermarkting. Den Haag: NSOB, 2008.

* Dit is de tekst van de Thomas More Lezing, ‘Het financieel regime; over de gevolgen van een moderne dwaalleer’, die Abram de Swaan woensdag in de Amsterdamse Rode Hoed heeft gehouden voor het Soeterbeeck Programma van de Radboud Universiteit Nijmegen. Een verkorte versie verscheen in NRC Handelsblad van 20 november 2010.

Te citeren als

Abram de Swaan, “Het financieel regime: over de gevolgen van een moderne dwaalleer”, Me Judice, 20 november 2010.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.