Het vermetele vertrouwen in een eenkennig monetaire beleidsvisie

Het vermetele vertrouwen in een eenkennig monetaire beleidsvisie image
Afbeelding ‘A multitude of flags’ van European Parliament (CC BY-NC-ND 2.0)
18 mrt 2016 |

Monetaire beleidsmakers binnen de ECB lijken het niet meer te weten. De effectiviteit van het ruime monetaire beleid heeft niet het beoogde effect op de inflatie, de economische bedrijvigheid en werkgelegenheid en het houdt bovendien geen rekening met verschillen tussen lidstaten. Volgens Martin Fase is te veel vertrouwd op een spontane oplossing die een monetaire unie zonder een politieke unie toch laat werken. Monetair beleid zonder conjunctuurpolitiek is echter hopen op een wonder.

Deflatiegevaar

Het huidige monetaire beeld in de EMU toont lage of zelfs nagenoeg negatieve rentevoeten met tegelijkertijd een overmatige geldvoorziening die verbazend genoeg voorshands niet is uitgemond in een toename van het algemene prijspeil die de theorie voorspelt. Nee, het tegendeel is het geval en allerwegen vreest men dat deflatie op de loer ligt. Met dat verschijnsel is sinds de jaren 1930 nauwelijks ervaring opgedaan maar niettemin waart het rond als een schrikbeeld, vooral in de financiële pers.

De voornaamste overweging van de ECB voor het lage rentebeleid met de begeleidende omvangrijke agressieve aankoopprogramma’s is van conjuncturele aard. De uitkomst van dit beleid is de geweldige aanwas van de geldhoeveelheid binnen de EMU en dus in de lidstaten indien en voor zover dit buiten de bankensector terecht komt. De geldhoeveelheid neemt dan enorm toe wat een enorm inflatiepotentieel is. Dat zal tot werkelijkheid worden zodra de omloopsnelheid van het geld reageert waardoor de geldstroom zal aanzwellen als een tsunami. Voorshands is tussen die achttien landen de economische situatie en bezettingsgraad van het productieapparaat feitelijk zeer verschillend. In sommige van die landen is de werkloosheid hoog of blijven investeringen nagenoeg uit terwijl in andere lidstaten de consumptieve bestedingen of uitvoer een aarzelend beeld laten zien. Dat moet de beleidsdilemma’s verergeren.

Het monetaire beleid van de ECB richt zich op het aanzwengelen van de algemene bedrijvigheid in de EMU zonder zich in het bijzonder met individuele lidstaten bezig te houden. Dat valt ook buiten haar mandaat. De goedkopere euro is wel een nevenresultaat van haar beleid en is soms een onplezierige bijkomstigheid omdat de lagere wisselkoers tot geldontwaarding leidt. Het mitigeert het gevaar van inflatie maar kan ook het deflatieproces aanwakkeren. Maar in elk geval voert de ECB geen specifiek maar wel een algemeen stimuleringsbeleid met monetaire middelen. Het monetaire beleid van de ECB is daarom gelijk voor elke lidstaat van de monetaire unie. De feitelijke economische omstandigheden zijn echter allerminst gelijk en daardoor ook de uitwerking per land. Een illustratief voorbeeld biedt Nederland met zijn pensioenstelsel. Hiervoor pakt het lage rentebeleid slecht uit zoals de aantasting van de dekkingsgraad suggereert met het gevaar dat de betaling van de opgebouwde pensioenrechten in de nabije toekomst niet meer ten volle kan worden zeker gesteld.

Voor ieder lid gelijk

Monetair beleid in de EMU is geen specifiek economisch beleid en houdt daarom geen rekening met verschillen tussen individuele lidstaten. De grote vraag is of de ECB dit voldoende onderkent en of de deelnemers bij het tot stand brengen van de monetaire samenwerking niet een te groot vertrouwen, om niet te zeggen een vermetel vertrouwen, hebben gehad in de mogelijkheden van de geldpolitiek als instrument van conjunctuurpolitiek. Wordt daardoor binnen de ECB de werkzaamheid van haar beleid niet overschat en verwachtingen gewekt die niet realistisch zijn? Het komt me voor dat dit een legitieme vraag is en het verbaast dat deze vraag thans niet meer wordt gesteld al kwam ze tijdens de aanloop tot de EMU voortdurend aan de orde.

Oude lessen

Vanouds stelden de nationale centrale banken in de tijd dat ze nog zelfstandig waren en een enigszins autonoom monetaire politiek konden voeren dat dit geflankeerd moest worden door andere maatregelen zoals een gezond budgettaire beleid en beheerste loonontwikkeling. Zie bijvoorbeeld Zijlstra (1985), een rabiate monetarist als Milton Friedman (1963) of het overzicht van Fase (2002). Dit laat zien dat het monetaire beleid niet te allen tijde alleen bij machte was de verschillende beleidsdoelstellingen te realiseren. Om die reden deed het begrip policy mix zijn intrede en werd dat zelfs een beleidsmantra in sommige beleidskringen. Het waren heel dikwijls beleidspakketten die werden ingezet om conjunctuurpolitiek te voeren. En dat vergde een zekere mate van beleidscoördinatie tussen de beleidsinstanties wat weer mogelijk was wegens de aanwezigheid van een centraal gezag dat uiteindelijk ook monetaire aangelegenheden tot zijn werkterrein kon rekenen.

Met de komst van de EMU en euro ontstond een munt zonder land. Hierdoor werd coördinatie van monetaire beleid met andere vormen van beleid, het creëren van een policy mix derhalve, praktisch lastig tot stand te brengen. Onder die omstandigheden wordt monetaire politiek een soort onafhankelijk opererend beleidseiland dat een zekere eenkennigheid als wezenskenmerk krijgt. Het overkoepelende monetaire beleid kan daardoor afdrijven van de interne economische belangen en oogmerken der lidstaten. De vraag kan daarom gesteld worden of de huidige ongerustheid over de richting van de monetaire politiek van de ECB niet besloten ligt in haar ontstaansgrond waarbij bewust gekozen is voor een monetaire unie zonder politieke unie, een ernstige weeffout wellicht. Anders gezegd een ontwerp waarbij doelbewust en op louter politieke gronden in plaats van uit overwegingen van maatschappelijke doelmatigheid, gekozen is voor het laten varen van een evenwichtig economisch beleid voor een eenzijdig centraal monetair beleid. Dit gebeurde in het vertrouwen dat de wenselijke policy mix wel vanzelf zou komen. Inderdaad, dit blijkt thans een vermetel vertrouwen te zijn nu het monetaire instrument aan het einde van zijn Latijn is gekomen.

Referenties:

Fase, M.M.G., 2002, Van droom naar daad. Veertig jaar monetaire economie in vogelvlucht, Vossiuspers UvA, Amsterdam.

Friedman, M. en A.J. Schwartz, 1963, A Monetary History of the United States 1867-1960, Princeton University Press, Princeton.

Zijlstra, J., 1985, Gematigd monetarisme: 14 jaarverslagen van de Nederlandsche Bank n.v. 1967-1980, Stenfert Kroese, Leiden/Antwerpen.

Te citeren als

Martin Fase, “Het vermetele vertrouwen in een eenkennig monetaire beleidsvisie”, Me Judice, 18 maart 2016.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.