Hoe internationale banken reageerden op de val van Lehman Brothers

Voormalig CEO van Lehman Brothers, Richard Fuld
Afbeelding ‘fuld testifies’ van CODEPINK Women For Peace (CC BY-SA 2.0)
De crisis van 2007-2009 heeft het debat over de voor- en nadelen van financiële globalisering aangewakkerd. De financiële verwevenheid van landen, vooral in de vorm van grensoverschrijdende zakelijke kredietverlening, wordt gezien als een belangrijk kanaal waarlangs de crisis zich over landsgrenzen verspreidde. Het IMF en de G20 hebben de instabiliteit van grensoverschrijdend kapitaalverkeer dan ook tot een belangrijk aandachtspunt gemaakt bij de hervorming van het internationale financiële systeem. Tijdens de crisis namen kapitaalstromen tussen landen inderdaad drastisch af. Na de val van Lehman Brothers in september 2008 nam de grensoverschrijdende stroom van bijvoorbeeld syndicaatleningen (d.w.z. leningen verleend door een groep van banken) af met gemiddeld 53 procent.

Figuur 1: Verdeling van de verandering in grensoverschrijdende kredietverlening na de val van Lehman Brothers

Figuur 1: Verdeling van de verandering in grensoverschrijdende kredietverlening na de val van Lehman Brothers
Bron: Dealogic Loan Analytics

Figuur 1 laat echter zien dat het opdrogen van deze vorm van internationaal kapitaalverkeer sterk verschilde per land. Een belangrijke vraag is waarom grensoverschrijdende kredietverlening naar sommige landen veel stabieler is dan naar andere landen? In een recent working paper (De Haas en Van Horen, 2011) laten we zien dat toegang tot informatie over zakelijke klanten in belangrijke mate bepaalt hoe stabiel de kredietverlening naar een land is tijdens een crisis.

Geografische afstand, informatie en de stabiliteit van kredietverlening

Banken pogen de informatieasymmetrie ten opzichte van (potentiële) klanten te verminderen door deze te screenen en te monitoren. Het gemak waarmee dit gebeurt, is afhankelijk van het type klant. Het is bijvoorbeeld veel moeilijker om kleine bedrijven dan grote bedrijven, die op Euronext genoteerd staan, te screenen of in de gaten te houden. Wanneer screenen en monitoren lastig is, blijft de kans op adverse selection of moral hazard groot en banken zullen dientengevolge hun toevlucht zoeken tot kredietrantsoenering (Stiglitz en Weiss, 1981).

Het belang van screenen en monitoren varieert ook over de tijd. Een negatieve economische schok vergroot de noodzaak van screenen en monitoren omdat de kans op bedrijfsfaillissementen toeneemt. Tijdens een recessie of crisis daalt bovendien de netto waarde van bedrijven, neemt de kans op adverse selection en moral hazard toe en zullen banken dus meer moeten screenen en monitoren. Bij intransparante bedrijven is dat echter moeilijk, met een ‘flight to quality’ tot gevolg: banken schroeven met name hun kredietverlening aan intransparante bedrijven terug (Bernanke, Gertler en Gilchrist, 1996).

Op basis van deze theoretische overwegingen verwachten we dat tijdens de financiële crisis banken vooral hun grensoverschrijdende kredietverlening verminderden naar landen waar ze de toegenomen onzekerheid over buitenlandse klanten niet konden compenseren met extra informatie. Verschillende factoren kunnen helpen of juist tegenwerken bij het vergaren van bruikbare en betrouwbare informatie over potentiële klanten.

Geografische afstand

Een eerste factor is de geografische afstand tussen bank en klant. Het is moeilijker om klanten te screenen en monitoren die fysiek ver weg zijn (Jaffee and Modigliani, 1971). Het is dan vooral lastig om ‘zachte’ informatie te verzamelen en te gebruiken (zoals een inschatting over de betrouwbaarheid van het bedrijfsmanagement). In lijn met dergelijke geografische kredietrantsoenering verwachten we daarom een negatieve relatie tussen afstand en de stabiliteit van grensoverschrijdend krediet.

Functionele afstand binnen bank

Ook het hebben van een dochterbank kan het screenen en monitoren vereenvoudigen omdat het voor lokale bankmedewerkers gemakkelijker is om informatie te genereren. Hoewel een dochterbank de fysieke afstand tussen bankmedewerker en bedrijf verkleint, wordt er tegelijk een functionele afstand geschapen binnen de bank. De in het buitenland gevestigde bankmedewerkers zitten weliswaar dicht bij de lokale klanten, maar moeten lokaal gegenereerde informatie over deze klanten wel ook effectief kunnen doorspelen naar hun superieuren in het hoofdkantoor. Dergelijke informatieoverdracht binnen een bank is vaak moeilijk, vooral wanneer de geografische afstand tussen moeder- en dochterbank groot is of als er veel hiërarchische lagen getrotseerd moeten worden (Aghion en Tirole, 1997). De aanwezigheid van een dochterbank in een land kan dus zowel een positief als een negatief effect hebben op de stabiliteit van de kredietverlening van een bank naar dat land.

Samenwerkingsverbanden

Daarnaast kunnen samenwerkingsverbanden met binnenlandse banken een positieve invloed hebben op het gemak waarmee banken informatie kunnen genereren over klanten. Binnenlandse banken hebben immers vaak meer en betere informatie over de kredietwaardigheid van lokale bedrijven. We verwachten daarom dat banken hun kredietverlening meer op peil hebben gehouden naar landen waarin ze toegang hebben tot een netwerk van binnenlandse banken.

Landenervaring

Ten slotte kan ervaring met kredietverlening aan bedrijven in een bepaald land ook een positief effect hebben op de stabiliteit van grensoverschrijdende kredietverlening. Veelvuldig zaken doen in een land maakt de bank bekend met de lokale cultuur en instituties, waardoor het gemakkelijker wordt om informatie te genereren.

Door gebruik te maken van een unieke dataset met gedetailleerde informatie over internationale syndicaatleningen testen we of bovenstaande factoren van invloed zijn geweest op de stabiliteit van de grensoverschrijdende kredietverlening tijdens de financiële crisis. Onze dataset stelt ons in staat om voor iedere maand de exacte kredietverlening van 118 internationale banken naar alle landen waarin zij actief zijn, in kaart te brengen. Per bank-land combinatie berekenen we de verandering in grensoverschrijdende kredietverlening in het jaar na de ondergang van Lehman Brothers ten opzichte van de precrisis periode (januari 2005 tot en met juli 2007). Met behulp van OLS en logit regressies testen we in welke mate de afstand tussen het hoofdkantoor van de bank en het buitenlandse bedrijf, het hebben van een dochterbank in het land, de mate van integratie in een netwerk van binnenlandse banken, en eerdere ervaring met zakelijke kredietverlening in een bepaald land, van invloed zijn geweest op de stabiliteit van grensoverschrijdend zakelijk krediet.

Resultaten: Beter een goede buur...

Onze resultaten laten zien dat tijdens de financiële crisis banken hun grensoverschrijdende kredietverlening minder lieten afnemen naar landen die geografisch dichtbij waren, waar ze konden profiteren van de lokale kennis van binnenlandse banken, en waar ze al aanzienlijke ervaring in de zakelijke kredietverlening hadden. Voor opkomende economieën, waar het niet alleen moeilijk is om zachte maar ook om harde informatie te verzamelen (zoals een betrouwbare winst- en verliesrekening), vinden we daarnaast dat het hebben van een dochteronderneming een stabiliserende invloed heeft op de grensoverschrijdende kredietverlening. Toegang tot informatie over (potentiële) klanten blijkt belangrijk te zien voor de stabiliteit van grensoverschrijdende kredietverlening aan zowel nieuwe klanten als aan klanten waarmee de bank al eerder zaken heeft gedaan.

Opvallende uitzondering vormen interbancaire leningen: de hoeveelheid krediet die banken tijdens de crisis aan buitenlandse banken verleenden blijkt los te staan van factoren als afstand en het hebben van een dochteronderneming. De vertrouwensbreuk tussen banken die tijdens de crisis leidde tot het opdrogen van de interbancaire geldmarkt, blijkt ook van invloed te zijn geweest op de markt voor langetermijnleningen tussen banken. We vinden dan ook dat de plotselinge opdrogen van grensoverschrijdende kredietverlening naar banken veel scherper was dan die naar niet-banken.

Tenslotte laat Figuur 2 zien dat de meeste landen niet in staat zijn bleken om de afname in grensoverschrijdend krediet te compenseren door een toename van de binnenlandse gesyndiceerde kredietverlening. De linkergrafiek laat zien dat slechts in een handvol landen – India, China, Japan – de toename in de binnenlandse kredietverlening (veelal door staatsbanken) de afname in grensoverschrijdende instroom meer dan teniet deed.

Figuur 2: De verandering in de grensoverschrijdende en de totale hoeveelheid syndicaatsleningen na de ondergang van Lehman Brothers

Figuur 2: De verandering in de grensoverschrijdende en de totale hoeveelheid syndicaatsleningen na de ondergang van Lehman Brothers

De rechtergrafiek laat zien dat de meeste landen geconfronteerd werden met een afname in de totale kredietverlening die even scherp was als de afname in de grensoverschrijdende kredietverlening (landen op de 45º lijn). Deze imperfectie substitutie tussen grensoverschrijdende en binnenlandse kredietverlening impliceert dat onze resultaten belangrijke consequenties hebben gehad voor het geaggregeerde kredietaanbod in landen.

Beleidsimplicaties

Onze resultaten dragen bij aan het debat over financiële globalisering; vooral aan het beantwoorden van de vraag of en hoe landen hun financiële systeem moeten integreren met internationale kapitaalmarkten. We laten zien dat de stabiliteit van grensoverschrijdende kredietverlening sterk uiteenloopt tussen landen. Kredietverlening door banken die geografisch ver weg zijn is in tijden van crisis bijvoorbeeld minder betrouwbaar. Dit geeft aan dat beleidsmakers zichzelf niet alleen de vraag moeten stellen in hoeverre ze hun financiële sector willen openstellen voor internationaal kapitaalverkeer, maar ook welke banken ze willen toelaten. Daarnaast lijkt het voor opkomende economieën die graag toegang willen hebben tot internationaal kapitaal raadzaam om niet alleen grensoverschrijdende kredietverlening toe te staan maar internationale banken ook de gelegenheid te bieden om lokale dochterbanken op te zetten.

Ten slotte laten we zien dat binnenlandse financiële ontwikkeling en financiële integratie complementair kunnen zijn. Het feit dat samenwerking tussen binnenlandse en internationale banken de kredietverlening van laatstgenoemde groep stabieler maakt, laat zien dat het mogelijk is om de voordelen van binnenlandse banken (effectievere screening en monitoring) te combineren met die van internationale banken (ruime toegang tot kapitaal en liquiditeit).

* Disclaimer: De meningen verkondigd in dit artikel zijn van de auteurs en niet noodzakelijkerwijs van De Nederlandsche Bank, de EBRD of de Directies van deze instellingen.

Referenties

Bernanke, B., M. Gertler, en S. Gilchrist (1996), The financial accelerator and the flight to quality, Review of Economics and Statistics, 78, 1-15.

De Haas, R. en N. Van Horen (2011), Running for the exit: International banks and crisis transmission, EBRD Working Paper No. 124 and DNB Working Paper No.279.

Aghion, P. en J. Tirole (1997), Formal and real authority in organisations, Journal of Political Economy 105, 1-29.

Jaffee, D.M. en F. Modigliani (1971), A theory and test of credit rationing, American Economic Review 59, 850-872.

Ruckes, M. (2004), Bank competition and credit standards, Review of Financial Studies, 17, 1073-1102.

Stiglitz, J. en A. Weiss (1981), Credit rationing in markets with imperfect information, American Economic Review, 71, 393-410.

Te citeren als

Ralph de Haas, Neeltje van Horen, “Hoe internationale banken reageerden op de val van Lehman Brothers”, Me Judice, 9 februari 2011.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.