Hoe ziet het Nederlandse bankenlandschap er over vijf jaar uit?

Hoofdkantoor ABN AMRO aan de Zuidas in Amsterdam
Afbeelding ‘DSC_0267’ van IK's World Trip (CC BY 2.0)
21 feb 2011 | | 2495 keer bekeken
Minister De Jager heeft het streven geformuleerd hoe de overheid langzaam maar zeker de komende vijf jaar haar belang in de financiële sector afbouwt. Dit roept de vraag op hoe de bankensector er over vijf jaar eruit ziet. De econoom en oud-bankier Van den Goorbergh laat zijn blik schijnen over het toekomstig bankenlandschap en de rol van de grootbanken daarin. De door het Ministerie van Financiën op te richten Stichting Administratiekantoor moet een actieve rol spelen bij de vormgeving van de nieuwe aandeelhoudersstructuur van ABN AMRO.

Exit overheidsbelang

Op 24 januari 2011 schrijft de Minister van Financiën in een brief aan de Tweede Kamer dat hij ernaar streeft de overheidsbelangen in de financiële sector binnen vijf jaar zeer substantieel terug te brengen, mits en voor zover aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

 

  1. De financiële sector is stabiel. Twijfels over interbancair verkeer, kwaliteit van activa en soliditeit van individuele systeembanken zijn weggenomen.
  2. De markt is klaar voor de beoogde transacties. Er is voldoende absorptievermogen, er is belangstelling voor investeringen in de financiële sector en de verwachte opbrengst is daarmee in lijn.
  3. De betrokken ondernemingen zijn klaar voor de beoogde vorm van verkoop of afwikkeling. Er is een goed financieel track record, de kwaliteit van de verslaggeving is berekend op de toekomst, het profiel van de bestuurders past bij de uitgezette strategie en er is uitzicht, vooral bij een zelfstandig voortbestaan, op duurzame waardeontwikkeling.
  4. Het streven is erop gericht zoveel als mogelijk de totale investering in genoemde ondernemingen, vermeerderd met de kapitaalkosten van de Staat, terug te verdienen.

De aandelen ABN AMRO (en ASR Nederland) zullen worden ondergebracht in een Stichting Administratiekantoor, die de verkoop van de belangen van de Staat zal uitvoeren. De Minister blijft evenwel verantwoordelijk voor de exit-strategie en stelt deze dan ook vast.

Maar wat dan?

Het is opvallend dat de internationale context waarin deze exercitie zal plaats vinden geen speciale aandacht krijgt. Over het toekomstige bankenlandschap in Nederland kan gezegd worden dat het vermoedelijk een veel sterker internationaal karakter zal hebben dan we tot dusverre gewend waren. Grote partijen als Deutsche Bank en BNP Paribas zullen naar verwachting in ons land relevante posities opbouwen in de retail en zakelijke markten. Toetreding van andere grote buitenlandse banken in de Nederlandse markt zijn zeker niet uit te sluiten, hetzij via de oprichting dan wel uitbouw van een eigen bedrijf of via een overname.

Banken in een nieuwe omgeving

Banken zullen gaan opereren onder nieuwe condities: meer en scherper toezicht en vooral ook veel zwaardere kapitaal- en liquiditeitseisen. Hogere kapitaaleisen zetten via de verminderde kracht van de hefboomwerking het rendement op eigen vermogen onder druk en een soortgelijk effect gaat uit van de aantasting van het mismatch resultaat door de nieuwe liquiditeitseisen. Beleggers in bankaandelen en bankbestuurders zullen zich hier nog wel enige tijd tegen blijven verzetten, maar financieel-economisch gezien is een bepaalde mate van terugkeer naar het bankaandeel als zoals Hazelhoff (ABN) dat ooit betitelde “een obligatie met een lekkertje” niet onlogisch: door alle toezichtmaatregelen neemt het risicoprofiel van de bank immers sterk af. Of door al deze risicobeperkende maatregelen één van de maatschappelijke kernfuncties van een bank - het transformeren van kortlopende besparingen in langlopende investeringen - in het gedrang zal kunnen komen verdient overigens wel blijvende aandacht.

De druk op de winstgevendheid van banken zal ongetwijfeld afwentelingeffecten hebben. Op de hoogte van de arbeidsbeloning en vooral op de tarieven voor de kredietklanten. Vanwege de gunstige behandeling van spaargeld onder de liquiditeitseisen zal de concurrentie om spaargeld krachtig blijven en daarmede de spaarrente relatief hoog. Dat geldt zeker in Nederland waar door de verplichte pensioenbesparingen een relatief kleine markt voor vrije besparingen bestaat. Overigens is een situatie waarin particulieren en bedrijven in hun rol als klant van een bank via de door hen te betalen tarieven bijdragen aan de continuïteit van hun bank te verkiezen boven de huidige constellatie waarin zij dat als belastingbetalers doen. Volksvertegenwoordigers zouden zich hiervan wellicht wat meer bewust kunnen zijn als zij kritiek leveren op vermeende hoge tarieven en marges die voor kredieten in rekening worden gebracht.

Corporate governance op nieuwe leest

In het rapport “Naar herstel van vertrouwen” dd 7 april 2009 van de Adviescommissie Toekomst Banken (Commissie Maas) is er reeds op gewezen dat het centraal stellen van de klant en het waarborgen van de continuïteit van de maatschappelijke kernfuncties van een bank consequenties behoort te hebben voor de aandeelhoudersstructuur van de bank. De Commissie deed de volgende aanbevelingen (2.14 t/m 2.18.):

  • Iedere financiële instelling dient een keuze te maken ten aanzien van de meest wenselijke aandeelhoudersstructuur. Deze structuur dient te waarborgen dat er een goede balans bestaat tussen de belangen van de aandeelhouders en die van de overige stakeholders: de klanten, de medewerkers en de samenleving als geheel. Het primaat van die balans hoort te liggen bij de klanten.
  • Voor beursgenoteerde banken wordt aanbevolen te streven naar een stabiele groep van aandeelhouders die zich op langere termijn aan de vennootschap wenst te verbinden. Daardoor kunnen deze banken in staat worden gesteld zich te richten op het genereren van toegevoegde waarde op langere termijn.
  • Stabiele aandeelhouders van banken dienen extra te worden beloond. Dit kan bijvoorbeeld door uitkering van een loyaliteitsdividend, versterkt stemrecht of anderszins. De horizon voor zo’n stabiele aandeelhouder is bij voorkeur vier jaar of langer.
  • Omwille van het belang van een goede dialoog tussen een bank en haar aandeelhouders dient er net als in de meeste landen van de Europese Unie een registratie van de aandeelhouders te komen.
  • Het certificeren van aandelen van een bank kan een nuttig instrument zijn om te vermijden dat een beperkt aantal aandeelhouders een onevenredig grote invloed hebben op de Vergadering van Aandeelhouders. Teneinde te voorkomen dat certificering de invloed van aandeelhouders structureel beperkt, dienen op de Vergadering van Aandeelhouders aanwezige of vertegenwoordigde certificaathouders te allen tijde stemrecht te kunnen uitoefenen.

Al deze aanbevelingen zijn nog steeds actueel en relevant: voor alle banken, maar in het bijzonder voor ING en ABN AMRO die, naast de Rabobank, een sleutelrol vervullen binnen de Nederlandse economische orde. De verhouding van de staat ten opzichte van beide banken is overigens wel sterk verschillend. Met ING kunnen deze thema’s vooral besproken worden via de staatssteunrelatie en wellicht ook via de door de staat bij ING benoemde commissarissen. Als eigenaar van ABN AMRO kan de Staat over al deze thema’s tot een eigen oordeel komen en daar naar (laten) handelen.

Het belang van ING en ABN AMRO

Bezien vanuit het Nederlandse belang, lijkt het gewenst dat er in Nederland naast de Rabobank nog tenminste één en bij voorkeur twee brede universele banken, met een voor Nederlandse ondernemingen relevant buitenlands netwerk, gevestigd zijn met een significante Nederlandse signatuur. Met dat laatste wordt onder meer bedoeld dat het hoofdkantoor in Nederland staat en dat de raad van commissarissen en raad van bestuur een grote betrokkenheid hebben op Nederlandse ondernemingen, instellingen en particulieren en vertrouwd zijn met de maatschappelijke cultuur. En met die voorwaarde wordt de vraag naar de wenselijke toekomst van het Nederlandse bankenlandschap vooral een vraag naar de wenselijke toekomst van ING na de afsplitsing van de verzekeringsbedrijven en van ABN AMRO.

Van de buitenzijde te beoordelen is de staatssteun voor ING vooral nog van belang om een ordelijke afwikkeling van de Alt-A portefeuille en het bijbehorende spaarbedrijf in de Verenigde Staten te faciliteren. De terugbetaling van de nog resterende kapitaalinjectie van €5 miljard euro lijkt een kwestie die binnen afzienbare tijd haar beslag zal krijgen; vermoedelijk in samenhang met de vervreemding van de verzekeringsbedrijven.

De beantwoording van de vraag wanneer en tegen welke prijs de aandelen ABN AMRO zullen worden verkocht krijgt thans meer aandacht dan de wellicht relevantere vraag aan wie en met welk perspectief. De aanbevelingen van de Commissie Maas kunnen behulpzaam zijn om dit perspectief te vinden. Daarnaast zou de vraag in welke mate de klanten van de bank een plaats kunnen krijgen in de governance van de bank en in de kapitaalverschaffing ervan zeker ook aan de orde dienen te komen. Naar voorbeeld van de Rabobank zou hierbij gedacht kunnen worden aan de introductie van klantencertificaten.

Juist op deze punten, die samenhangen met de gewenste aandeelhoudersstructuur van het op den duur weer te vervreemden bezit van ABN AMRO, zou de op te richten Stichting Administratiekantoor een serieuze rol kunnen vervullen. Het zou een gemiste kans zijn haar slechts te belasten met de verkoop in technische zin.

Te citeren als

Wim van den Goorbergh, “Hoe ziet het Nederlandse bankenlandschap er over vijf jaar uit?”, Me Judice, 21 februari 2011.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.