Jacques Polak: van onschatbare waarde voor modelbouw en denken IMF

Jacques Polak: van onschatbare waarde voor modelbouw en denken IMF image
4 mrt 2010 | | 2070 keer bekeken
Op 26 februari 2010 is op 95-jarige leeftijd Jacques (Koos) Polak overleden. Polak behoort tot de meest invloedrijke Nederlandse economen van de tweede helft van de vorige eeuw. De naam van Polak is vooral verbonden met het IMF. In 1944 was hij als lid van de Nederlandse delegatie één van de deelnemers aan de conferentie van Bretton Woods en was daar betrokken bij de oprichting van het IMF en de Wereldbank. In 1947 begon Polak zijn loopbaan als medewerker van de onderzoeksdienst van het IMF. In 1958 werd hij directeur van die dienst en kreeg zo de positie van hoofdeconoom van het IMF. Die functie hield hij tot zijn pensionering in 1979, maar ook lang daarna vervulde hij nog verschillende functies bij het IMF. Zo heeft hij in 1981 Ruding opgevolgd als Nederlandse bewindsvoerder.

Fundamentele bijdragen

Als hoofdeconoom van het IMF leverde Polak een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van het internationaal monetair systeem. Zo kan hij worden beschouwd als de intellectuele vader van de bijzondere trekkingsrechten (SDR’s) , dat zijn internationale reservevaluta waarmee soelaas wordt geboden aan landen die in liquiditeitsproblemen zijn geraakt. De belangrijkste bijdrage van Polak aan het IMF en daarmee aan de economische analyse is echter het “model van Polak” dat hij in 1957 ontwikkelde en dat daarna meer dan 40 jaar dienst heeft gedaan voor het opstellen van herstelprogramma’s voor landen die in financiële problemen zijn geraakt.

Telg van Tinbergen

Met deze nadruk op het gebruik van empirisch economische modellen in de beleidspraktijk toont Polak zich als een ware telg van Tinbergen. Dat is hij ook in directe zin. Toen Polak in 1937 zijn doctoraalscriptie schreef over de benutting van openbare werken om naar Keynesiaanse receptuur de neergang van de conjunctuur te bestrijden, zocht hij contact met Binsbergen om hem daarbij te helpen. In die tijd had Tinbergen zijn eerste econometrische model van de Nederlandse economie gemaakt (1936) en was van Amsterdam naar Genève verhuisd om daar voor de Volkenbond een empirisch vervolg te geven aan de inventarisatie van de conjunctuurtheorieën door Haperen. Tinbergen maakte van deze opdracht gebruik om een macro-econometrisch model voor de Verenigde Staten op te stellen en vroeg Polak om naar Genève te komen om hem bij het empirisch onderzoek te assisteren. Dat bleek een zeer leerzame tijd voor Polak die zijn werktafel naast die van Tinbergen had. Later schreef Polak hierover: "Ik leerde daar meer wiskunde en zelfs, geloof ik, meer economie dan tijdens mijn hele studie. Het werk in Genève verlegde de grenzen van de economie en econometrie.... Onderwerpen geschikt voor tijdschriften waren even gemakkelijk te vinden als gekleurde eieren op Paasochtend. " Zijn eerste artikel schreef Polak in 1939, net nadat Tinbergen weer naar Nederland was teruggekeerd. Hij gebruikte Tinbergens model van de Verenigde Staten om de marginale consumptiequote te schatten voor de gemiddelde werkers, de hoge inkomens en de boeren, en leidde vervolgens hieruit de Keynesiaanse multiplier af.

Wereldmodel

De tijd tussen Genève en zijn komst naar het IMF heeft Polak gebruikt voor een in die tijd zeer ambitieus en baanbrekend project, namelijk de specificatie en schatting van een econometrisch model voor de wereld. Het begon met een eenvoudig model voor 8 landen - de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, België, Tsjecho-Slowakije, Noorwegen, Nederland en Zweden. Met name de beschrijving van het handelsdeel daarbij was pionierswerk, dat van grote invloed is geweest op de latere, meer verfijnde wereldmodellen van onder meer het IMF. Nadien heeft Polak het model uitgebreid tot 25 landen en er meer gedragsvergelijkingen in opgenomen. Uiteindelijk is het model in 1954 gepubliceerd.

Terugblik van Polak

Vanwege deze band met Tinbergen was het een bijzonder gelukkige omstandigheid dat Polak in mei 1997 naar Nederland is gekomen en een bijdrage heeft geleverd aan het congres dat ter viering van het 10-jarig bestaan van het Tinbergen Instituut is georganiseerd. Het onderwerp van het congres was- geheel in lijn met de Nederlandse traditie van Tinbergen – de wisselwerking tussen de theorie van de modelbouw en de praktijk van het modelgebruik in het economisch beleid. Polak gaf daarbij een terugblik op de ontwikkeling van “zijn” model bij het IMF en het gebruik dat daarvan in afgelopen 40 jaar bij de herstelprogramma’s van het IMF is gemaakt (Polak, 1998). Omdat het vooral betalingsbalans problemen zijn waarom landen bij het IMF om hulp vragen, legt het model van Polak, naast de inkomensontwikkeling, de nadruk op de ontwikkeling van de betalingsbalans. In die zin vertoont het model verwantschap met de zogeheten “Monetary Approach to the Balance of Payments” waarbij betalingsbalansoverschotten en –tekorten vooral als een monetair verschijnsel worden gezien. Het model van Polak is zeer eenvoudig en bestaat in zijn oorspronkelijke vorm uit 4 vergelijkingen, namelijk gedragsvergelijkingen voor het geldaanbod en de invoer, en definitievergelijkingen waarin de geldgroei wordt beschreven als het gevolg van binnenlandse kredietverlening en toevloed (of afvloeiing) van geld uit het buitenland. De eenvoud van het model is geboden omdat, zeker in de vijftiger en zestiger jaren, voor de landen die het IMF om steun vroegen, weinig statistische gegevens aanwezig waren. Bovendien moet het model voldoende flexibel zijn om makkelijk te kunnen worden toegespitst op de specifieke situatie en de daarbij passende voorwaarden in de landen, die het IMF met ondersteunende kredieten helpt. Het model heeft een grote disciplinerende werking om draagvlak te krijgen voor de noodzakelijke en vaak onaangename bezuinigingsmaatregelen die landen moeten nemen om met hulp van het IMF hun economie weer op orde te krijgen. De belangrijkste boodschap van het model is dat de binnenlandse kredietverlening moet worden aangepakt om het evenwicht in de economie te herstellen. Er mag zeker geen monetaire financiering van overheidsschuld plaatsvinden.

Verwantschap met Holtrop

Met deze nadruk op de kredietverlening toont het model van Polak ook verwantschap met het monetaire conditiemodel van Holtrop dat in Nederland jarenlang is gebruikt om de liquiditeitsvoorziening door de banken in lijn te houden met de maatschappelijke behoefte aan transactiekassen, zij het dat het model van Holtrop evenwichtscondities beschrijft en het model van Polak ook de dynamiek van betalingsbalans en kredietverlening. Het is opmerkelijk hoe Nederlandse economen in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog een prominente positie innamen in de vormgeving van het economische en monetaire beleid in de wereld. Naast Tinbergen, Polak en Holtrop kan daarbij ook Witteveen genoemd worden die in de periode 1973-1978 Managing Director van het IMF was. Het is een positie die ons land sindsdien langzaamaan is kwijtgeraakt.

Polak is tot op hoge leeftijd als econoom actief gebleven. Tijdens het lustrumcongres van het Tinbergen Instituut was hij op 82-jarige leeftijd een enthousiast deelnemer en zeer gespitst op inhoudelijke discussies. De gave om te vervallen in diplomatieke nietszeggendheid was aan hem minder besteed.

Referentie:

Polak, J.J., 1998, The IMF monetary model at 40, Economic Modelling, 15, 395-410; ook gepubliceerd in F.A.G. den Butter en M.S. Morgan (red.), 2000, Empirical Models and Policy-Making: Interaction and Institutions, Routledge, 39-54.

Te citeren als

Frank den Butter, “Jacques Polak: van onschatbare waarde voor modelbouw en denken IMF”, Me Judice, 4 maart 2010.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.