Kijk uit voor uit de hand lopende inflatie

Kijk uit voor uit de hand lopende inflatie image
12 mei 2011 |
Om wille van economische stabiliteit kan het Amerikaanse stelsel van centrale banken zich het best richten op het in de hand houden van de totale inflatie, net zoals de Europese Centrale Bank dat nu doet, stelt Heleen Mees. De huidige doelstelling van de Amerikanen, het beperken van de kerninflatie, dat is de inflatie exclusief voeding- en energieprijzen, kan een te beperkt beeld geven van prijsstijgingen.

Inflatie loopt op

In maart steeg de Amerikaanse index voor consumptieprijzen met een half procent (6 procent op jaarbasis), terwijl de index voor zogenoemde kerninflatie (zonder voedsel en energie) slechts met een tiende procent steeg. Ook in Europa loopt de inflatie op als gevolg van de lang gestegen voedsel- en brandstofprijzen. De inflatiecijfers hebben de discussie aangewakkerd over welke inflatie-index centrale banken moeten proberen te controleren.

De Europese Centrale Bank (ECB) en de Bank of England richten zich traditioneel op de consumentenprijsindex (CPI), die de verandering in de prijzen die stedelijke consumenten betalen voor een vaststaand mandje van consumptiegoederen en diensten meet, waaronder voedsel en energie maatregelen. Vanwege de oplopende inflatie in de eurozone verhoogde de ECB in april de rente met een kwart punt tot 1,25%.

Andere inflatiemaatstaf

In het verleden richtte het Amerikaanse stelsel van centrale banken, de Federal Reserve (Fed), zich ook op de CPI. Maar aan het begin van deze eeuw, met Alan Greenspan nog steeds aan het roer, verwisselde de Fed twee keer stilletjes de inflatiemaatstaf.

In januari 2000, aan het begin van de hausse op de huizenmarkt, verving de Fed de totale CPI (inclusief voedsel en energie) door de PCE index, omdat de laatste minder gedomineerd werd door de (oplopende) kosten van huisvesting dan de CPI, aldus de huidige voorzitter van het Federal Reserve System, Ben Bernanke, in Atlanta (Bernanke, 2010). Hij vergat erbij te vertellen de PCE-inflatie over het algemeen ongeveer een half procent lager uitvalt dan de CPI. Aangezien de Fed het inflatiedoel niet wijzigde, betrof het effectief een aanzienlijke verruiming van het Amerikaanse monetaire beleid (Mees 2011).

Vervolgens, in juli 2004, verving de Fed de PCE index inclusief voedsel en energie voor de zogenoemde kern PCE-index, dat wil zeggen exclusief voedsel- en energieprijzen. Volgens Bernanke ging de Fed ervan uit dat veranderingen in de prijs van voedsel en energie van tijdelijke aard waren, hetgeen opmerkelijk mag heten omdat Alan Greenspan een jaar eerder de invasie in Irak had gesteund vanwege de olievoorraad.

Dat een centrale bank zich richt op de kerninflatie in plaats van de totale inflatie, zoals de Fed dat tegenwoordig doet, is gerechtvaardigd als de kerninflatie is een betere voorspeller van de totale inflatie is dan de totale inflatie zelf. Kerngoederen en -diensten zijn onderworpen aan zogenoemde nominale prijsrigiditeiten, terwijl de prijzen van niet-kerngoederen, zoals landbouwproducten, olie, aardgas, enzovoort, dagelijks worden bepaald op veilingen.

Voorspellen van totale inflatie

Voor een groot deel van de 20e eeuw is de kerninflatie minder volatiel en meer persistent geweest dan de totale inflatie. Echter, de integratie van China en India in de mondiale markt heeft meer dan 2,3 miljard consumenten en producenten toegevoegd aan de mondiale economie. De Chinezen en Indiërs zijn leveranciers van kerngoederen en -diensten en en consumenten van voedsel en energie. Het resultaat is een grote, aanhoudende en voortdurende stijging van de totale inflatie ten opzichte van de kerninflatie (Buiter 2008).

In Atlanta wees Bernanke erop dat zowel de Fed als particuliere inflatievoorspellers er terecht vanuit gingen dat de stijgingen van de energieprijzen in 2007 en 2008 zou afnemen. En hoewel het waar is dat de financiële crisis en de ineenstorting van de wereldhandel in de tweede helft van 2008 tot een scherpe daling van energieprijzen heeft geleid en een overeenkomstige daling van de inflatie, waren de energieprijzen in 2010 alweer terug op het niveau van 2008, ondanks het zwakke economisch herstel in zowel de VS als Europa. Oook na de grondstoffen crash van vorige week, kost een vat nu drie keer zoveel als in juli 2004, toen de Fed de totale PCE index inruilde voor de kern PCE-index.

Op de eerste persconferentie na afloop van een vergadering van het monetaire comité van de Fed, hield Bernanke niettemin vol dat het monetaire comité ervan uitging dat de verhogingen van de prijzen van energie en andere grondstoffen van voorbijgaande aard zouden zijn, en dat er dus geen aanleiding was om het belangrijkste rentetarief, dat nu al meer dan twee jaar minder dan een kwart procent bedraagt, te verhogen.

Inflatiedruk hoog

Wie kijkt naar de Amerikaanse arbeidsmarkt ziet evenwel dat er weinig aanleiding is voor achteloosheid over de oplopende inflatie. Uurlonen in de VS houden veel meer gelijke tred met de totale inflatie dan met de kerninflatie (zie figuur 1). Dit is ook het geval wanneer de werkloosheid hoger is dan de natuurlijke werkloosheid. Van 2000 tot 2010 is het uurloon van productiepersoneel en niet-toezichthoudende medewerkers met gemiddeld 0,7% meer toegenomen dan de totale CPI-inflatie (3,2 versus 2,5%) en 1,3% meer dan kern PCE-inflatie (3,2 versus 1,9%).

Figuur 1. Uurloon, totale CPI en kern PCE

Bron: Federal Reserve

Dat het uurloon gemiddeld sterker is gestegen dan de inflatie is vooral het gevolg van de neerwaartse loonrigiditeit. Op momenten dat de grondstoffenprijzen dalen, zoals dat gebeurde midden 2008, blijven de uurlonen hardnekkig hoog. De arbeidskosten per eenheid product, daarentegen, hebben helemaal geen last van neerwaartse rigiditeit. Omdat ze niet in staat zijn om de arbeidskosten per uur te verlagen, snijden Amerikaanse werkgevers in het aantal arbeidsuren. Tijdens de recessies die begonnen in respectievelijk 2001 en 2008, daalden de arbeidskosten per eenheid product in de VS spectaculair, als gevolg van massale ontslagen die tot een hoge en langdurige werkloosheid hebben geleid (zie figuur 2).

Figuur 2. Totale CPI en de arbeidskosten per eenheid

Bron: Federal Reserve

Zelfs als de huidige prijsstijgingen van voorbijgaande aard blijken te zijn, dan leert de ervaring uit het verleden dat het de inflatiepiek wel degelijk kan leiden tot een permanente stijging van de reële uurlonen. Tenzij de monetaire beleidsmakers in de VS voorstander zijn van koortsachtige boom-and-bust cycli met langdurige periodes van hoge werkloosheid, kunnen ze zich beter richten op het in de hand houden van de totale inflatie in plaats van de kerninflatie, net als hun collega's bij de ECB dat doen.

Referenties

Bernanke, B.S. (2010), Monetary Policy and the Housing Bubble, speech Annual Meeting of the American Economic Association, Atlanta, Georgia

Buiter, W.H. (2008), Central banks and financial crises, working paper LSE, London.

Mees, H. (2011), US Monetary Policy and the Interest Conundrum, working paper, Tilburg University. bij artikel: Lachlan Hardy, Flickr.

Dit artikel kan worden overgenomen met bronvermelding. Toezending van bewijsexemplaren wordt op prijs gesteld. © Me Judice

Te citeren als

Heleen Mees, “Kijk uit voor uit de hand lopende inflatie”, Me Judice, 12 mei 2011.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.