Kunstveilingen floreren ondanks crisis

Kunstveilingen floreren ondanks crisis image
Afbeelding ‘NYC - MoMA: Mark Rothko's No.5/No. 22’ van Wally Gobetz (CC BY-NC-ND 2.0)
26 mei 2012 |
Kunstveilingen zoals Sotheby’s floreren ondanks de huidige financiële crisis. Daarmee wijkt de kunstmarkt duidelijk af van de vermogensmarkt. De monetair econoom Fase geeft een verklaring en zoekt het antwoord in het karakter van kunst waarbij het aanbod van vast ligt en de voorkeuren van particuliere kopers en kunsthandelaren de boventoon voeren. Kunst wijkt ook af van gewone vermogensmarkten doordat men kunst niet alleen koopt uit het investeringsmotief. Genot is ook wat waard.

Opleving kunstmarkt?

De recente veilingen van moderne en contemporaine schilderkunst bij Christie’s en Sotheby’s in New York lieten recordomzetten zien en scoorden ongekend hoge prijzen. Bij Sotheby’s werd voor De Schreeuw, een doek uit 1895 van de Noorse schilder Edvard Munch, bijna 120 miljoen dollar neergeteld. Hiermee verwierf het een vijfde plaats in de top van de tien duurste schilderijen. Die wordt aangevoerd door de uit 1893 stammende De Kaartspelers van Paul Cézanne dat in 2011 250 miljoen dollar opbracht. Bij concurrent Christie’s werd op de voorjaarsveiling 2012 voor het schilderij Oranje, Rood, Geel van Mark Rothko uit 1961 bijna 87 miljoen dollar betaald, wat het hoogste bedrag is dat ooit werd betaald voor een contemporain kunstenaar. Ook de pop art, maakte enorme prijzen: 45 miljoen dollar voor Francis Bacons Figure Writing Reflected in a Mirror uit 1976 en eenzelfde bedrag voor Roy Lichtensteins Sleeping Girl uit 1964. Maar dit is slechts een bescheiden greep uit de vele records die de afgelopen weken op de New Yorkse kunstveilingen werden gebroken.

Is dit een voorbode van een opleving van de kunstmarkt? Zowel de omzetten als de veilingprijzen liggen aanzienlijk hoger dan in het recente verleden. En dit doet zich voor terwijl de wereld zich midden in een financiële en economische crisis bevindt. De centrale vraag is wat de achtergrond en verklaring kan zijn van deze opvallende ontwikkeling die menigeen heeft verrast.

Voor een antwoord lijken ten minste drie zaken van belang. De eerste betreft het typische karakter van de markt voor schilderkunst. De tweede gaat over het gedrag van de kopers op deze bijzondere internationale markt. De derde betreft de vraag of kunst een rendabele belegging biedt of dat andere overwegingen doorslaggevend zijn.

De aard van de markt voor kunst

Ook op de markt voor schilderkunst komt de prijs tot stand door het samenspel van vraag en aanbod. Dit houdt in dat een hogere prijs gewoonlijk extra aanbod uitlokt maar tegelijkertijd de vraag weer afschrikt. Anders gezegd, beide, vraag en aanbod spelen een doorslaggevende rol in de prijsvorming op de markt in het algemeen. In de dagelijkse praktijk gaat dit op voor de meeste goederen en diensten. De markt voor kunst en andere verzamelobjecten – die uiteenlopen van schilderijen en sculpturen tot antiquarische boeken, uurwerken, oude postzegels en antiek meubilair- verschilt hiervan echter principieel en is een bijzondere markt omdat het aanbod op deze markt meestal vast ligt. De enige reden hiervoor is dat nieuwe producten niet meer gemaakt kunnen worden omdat de maker ervan of de desbetreffende kunstenaar niet meer leeft of de verhandelde voorwerpen niet reproduceerbaar zijn.

Dit heeft onmiddellijke gevolgen voor de prijsvorming. Zodra het aanbod min of meer een gegeven is bepaalt alleen en uitsluitend de intensiteit van de vraag de marktprijs. Dit verschijnsel doet zich duidelijk voor op de markt voor schilderkunst en andere verzamelobjecten die om die reden een typische vragers markt is. Daarop zijn uitsluitend de voorkeuren van de kopers bepalend voor de hoogte van de prijs. Veranderen die voorkeuren, bijvoorbeeld door het uit de mode raken van bepaalde kunststromingen of opkomst van nieuwe verzamelwoedes, dan heeft die verschuiving direct haar weerslag op de prijzen die in de markt worden genoteerd. De grote prijsfluctuaties op de kunstmarkt van het laatste decennium en de extreem hoge veiling prijzen voor eigentijdse kunst bij de New Yorkse veilinghuizen in de afgelopen weken illustreren deze eigenschap van de kunstmarkt voorbeeldig. Zij zijn de uiting van wat wel genoemd is de commodification van de kunstmarkt of markt van verzamelobjecten.

De markt wordt niet langer gedomineerd door de verzamelaars zelf maar door de professionele kunsthandel. Deze partij is in toenemend mate gaan optreden als makelaar en tussenpersoon voor eigen rekening. Overigens kan het aanbod tijdelijk ook inkrimpen doordat aanbieders hun spullen uit de markt nemen. Ook kunstwerken die in musea belanden, beperken het aanbod omdat deze kunsttempels hun bezit niet meer ten verkoop aanbieden.

Wat de aard van de markt betreft is er bovendien nog de eigenaardigheid dat het aanbod overwegend unieke exemplaren betreft. Dat wil overigens niet zeggen dat er niet een zekere mate van vervanging tussen schilderijen mogelijk is op grond van uiteenlopend eigenschappen van de aangeboden doeken. Wanneer twee op de markt komende doeken beide dezelfde combinatie van gewenste kenmerken bezitten zal echter de prijs de doorslag geven bij de aankoop.

De prijs en kopers

Behalve onzekerheid over de prijzen bestaan er op de markt voor schilderijen nog andere onzekerheden. Die hebben betrekking op de heterogeniteit van de op de veilingen ingebrachte werken, de kwaliteit van een doek en het mogelijk voorkomen van vervalsingen of een foutieve toeschrijving. Deze onzekerheden dwingen een potentiële koper ertoe zich een oordeel te vormen over de aangeboden werken waarover de grote veilinghuizen ook onafhankelijke expertise aanbieden. Dit leidt tot een grote variatie in prijzen die de vorming van een algemeen prijzenbeeld verder bemoeilijkt. Natuurlijk is het zo dat voor de koper het individuele werk van zijn specifieke voorkeur centraal staat. Toch verricht hij zijn bieding in het licht van de algemene marktstemming die mede wordt weerspiegeld in het algemene beloop van de prijzen. Het is om die reden dat er voor tal van kunstvormen door veilinghuizen en onderzoekers prijsindexcijfers worden opgesteld. Deze zijn er in soorten en maten. Bij al hun verschillen hebben zij gemeen dat ze op een of andere manier gemiddelden zijn van individuele prijzen die zijn gerealiseerd op de markt. Een voorbeeld biedt de destijds door het veilinghuis Sotheby’s ontwikkelde Art Index. Deze beoogt bruikbare marktinformatie te verstrekken en aldus de transparantie van de markt te verbeteren.

Deze indexcijfers tonen niet alleen een algemeen beeld van de prijsontwikkeling maar laten ook grote verschillen zien in prijsbeloop voor afzonderlijke stromingen. Deze illustreren heel duidelijk en scherp de modegevoeligheid en hype van de kunst markt in samenhang met het aanbod. Een prachtig voorbeeld is prijsontwikkeling voor oude meesters en de Europese schilders uit de negentiende eeuw. Die evolutie laat over de tijd een rustig prijzenbeeld zien. De prijsontwikkeling voor moderne schilders en hedendaagse kunst echter is veel onrustiger. Dit beeld lijkt geheel overeen te stemmen met de recente prijsvorming in New York die daarin in zekere zin zelfs een bevestiging vindt (zie bijv. Fase, 2008).

Naast een indruk van het prijsbeloop op de markt verschaffen deze indexcijfers echter ook een aangrijpingspunt voor de bepaling van het rendement op schilderkunst en andere verzamelobjecten. Informatie daarover is ruimschoots voorhanden in de literatuur over economie en cultuur (zie Fase, 1996;2001;2002; 2008; Fase en Van Tol,1994; Fongue, 2012; Frey, 2000; De Grauwe,1990 ). Deze literatuur verschaft een overvloed aan rendementcijfers voor schilderkunst en andere verzamelobjecten. Zij wisselen bovendien opvallend en sterk met het tijdvak dat in ogenschouw wordt genomen alsook wat de schilderkunst betreft met de diverse stromingen in deze kunstvorm. Het rendement laat zich daarom niet gemakkelijk en eenduidig vastleggen in één onaantastbaar cijfer.

Gemeten over een periode van enkele eeuwen ligt in zijn algemeenheid het rendement tussen de twee en vijftien procent. Dit is een grote variatiebreedte en roept de vraag op wat je aan een dergelijk cijfer hebt als grondslag voor een aankoopbeslissing. In elk geval maakt dit cijfer duidelijk dat de onzekerheid niet gering is en men voorzichtig moet omgaan met algemene rendementscijfers voor schilderkunst. Echter ook wanneer men het vizier richt op specifieke typen schilderkunst of grote stromingen treden grote verschillen in rendement op die bovendien ook bepaald blijken te worden door de lengte van het tijdvak dat in aanmerking wordt genomen. Voor een korte periode van enkele jaren is het rendement op Impressionisten bijvoorbeeld zeventien procent. Bezien we echter voor deze kunststroming een langer tijdvak van een halve eeuw dan bedraagt het rendement nog geen vier procent (zie bijv. Fase, 2001: de Grauwe, 1990). Dat verschilt hemelsbreed met het rendement voor Minimal art dat het met bijna vijfentwintig procent aanmerkelijk beter doet. Nog hoger blijkt het rendement op Chinese prenten uit te pakken met zelfs het dubbele van het rendement dat op Minimal art, kan worden gemaakt. Met ongeveer vier procent renderen bijvoorbeeld oude meesters weer heel bescheiden evenals Picasso’s, de hoge veilingprijzen van de laatste tijd voor werk van deze schilder ten spijt. Eigentijdse kunst doet het weer goed evenals oude Franse meesters als Fragonard en Vigee-Lebrun of Italiaanse meesters als Marieschi en Della Belle.

Kunst als belegging

De overwegingen die een koper heeft bij zijn aanschaf zijn zonder twijfel zeer uiteenlopende van aard. Voor een museum spelen geheel andere overwegingen een rol bij aankoop dan voor iemand die een kunstwerk koopt uit liefhebberij of als belegging. Voor de laatste is naast rendement en risicospreiding ook diversificatie van zijn belegd vermogen van belang zoals het geval was bij het pensioenfonds van de Britse spoorwegen dat destijds een heel klein deel van zijn beschikbare middelen stak in kunst. Vermoedelijk is het beleggingsmotief bij de aankoop van kunst geen dominante overweging al speelt het soms wel mee bij bepaalde deelnemers aan de kunstveilingen. Zij kunnen echter bij een krap aanbod wel prijsopdrijvend werken zoals op de recente veilingen bij Sotheby’s en Christie’s het geval was.

Figuur 1: vergelijking van rendement op kunst versus aandelen

	Figuur 1: vergelijking van rendement op kunst versus aandelen

Opvallend is verder dat deze hoge prijzen tot stand kwamen in een wereld die wordt geplaagd door een ernstige financiële crisis en grote economische onzekerheid. De crisis treft zonder twijfel de vermogensmarkten. De kunstmarkt maakt daarvan deel uit al is zij naar omzet gemeten maar een heel klein onderdeel ervan met slechts enkele procenten van de omzet op de gehele vermogensmarkt. Echter, anders dan op de pure vermogensmarkt spelen op de markt voor kunst naast rendement en risico nog andere overwegingen een bijzondere rol. Die zou je kunnen benoemen als het psychisch rendement en, wat de aanschaf door musea aangaat, het maatschappelijk rendement zoals belichaamd in museumbezoek door het publiek. Daarnaast zou in tijden van grote economische onzekerheid ook een versterking van het verlangen naar een veilige haven voor een deel van het financieel vermogen van de belegger een factor van belang kunnen zijn. Deze wens zou mede de voorkeuren van de kopers op de kunstmarkt kunnen bepalen. Dit zou een verklaring kunnen bieden voor de opvallende discrepantie tussen de marktontwikkeling op de kunstmarkt van de laatste tijd en die op de algemene vermogensmarkt. Dit uiteenlopen, bewerkstelligt als het ware een zekere ontkoppeling van deze deelmarkt. Figuur 1 illustreert dit.

Conclusie

Het is duidelijk dat het rendement op de vermogensmarkt voor risicomijdende financiële titels enkele procentpunten hoger is dan dat op schilderkunst in het algemeen. Het verschil, zowel reëel als nominaal, beloopt ongeveer twee tot drie procent. Dat wil dus zeggen dat de beslissing tot aankoop van een schilderij inhoudt dat wordt afgezien van het hogere rendement dat op andere beleggingen kan worden gemaakt. Deze gederfde financiële opbrengst is kennelijk wat men overheeft voor de desbetreffende kunstaankoop. Dit is het resultaat van een gebleken voorkeur en kan worden aangeduid als het psychisch rendement van kunst. Voor schilderkunst is dat ongeveer twee procent per jaar. We weten aldus wat we bereid zijn op te offeren voor het genot of bezit van schilderkunst.

Referenties:

Fase, M.M.G., 1996, “The purchase of art: consumption en investment”, De Economist 144, 649-657 (ook opgenomen in: M.M.G. Fase, On interest rates and asset prices in Europe,Edward Elgar, Cheltenham/Northampton, 1999 )

Fase, M.M.G., 2001, “Beleggen in schilderkunst: een samenspel van geldelijk rendement en psychisch in komen”, Financiële en Monetaire Studies 19, nr. 1.

Fase, M.M.G., 2002, “Tijd is geld: de monetaire opbrengst van uurwerken”, Maandschrift Economie 66, 286-295

Fase, M.M.G., 2008, ”Beleggen in schilderkunst”, in I.Dusar en H. Meersman, red, Markteconomie en Kunst, Acco, Leuven/Voorburg, 105-116

Fase, M.M.G. en M. van Tol, 1994, “Het monetaire rendement van beleggen in schilderijen”, Economisch Statistische Berichten 79, nr. 3971, 864-868 ( ook opgenomen in: M.M.G. Fase, Geld in het fin de siècle, Amsterdam University Press, Amsterdam,1999, 147-157 )

Fongue, J.Ndeffo, 2002, “The market for works of art: the case of African cultural goods”, The South African Journal of Economics 70, 1320-1343

Frey, B.S., 2000, Arts & Economics: Analysis & Cultural Policy, Springer, Berlin, etc.,.

Grauwe, P. de, 1990, De Nachtwacht in het Donker: Over Kunst en Economie, Lannoo, Tielt.

Throsby, D., 2001, Economics and Culture, Cambridge University Press, Cambridge UK.

Te citeren als

Martin Fase, “Kunstveilingen floreren ondanks crisis”, Me Judice, 26 mei 2012.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.