Laag werkgelegenheidsverlies in Nederland lijkt een zegen, maar is een vloek

Laag werkgelegenheidsverlies in Nederland lijkt een zegen, maar is een vloek image
4 dec 2009 | | 3302 keer bekeken
In vergelijking tot andere landen vertaalt de crisis zich in Nederland veel minder sterk in verlies van werkgelegenheid. De relatief hoge kosten van ontslag in Nederland kunnen hiervan de oorzaak zijn, stelt econoom Bart Visser. Het lang vasthouden van overtollige werknemers is ongunstig, want dat tast de winstmarges aan en daarmee de basis voor investeringen van bedrijven. Dit zet een rem op het economisch herstel in Nederland.

Stijging werkloosheid valt nog mee

In vergelijking met andere landen valt de stijging van de werkloosheid sinds het begin van de crisis in Nederland mee. De werkloosheid bedraagt nu volgens het CBS 5 procent van de beroepsbevolking. In bijna geen enkel ander Europees land draait de arbeidsmarkt nog zo goed. Spanje (20 procent) en Ierland (13 procent) steken er duidelijk bovenuit met hun werkloosheidscijfers, maar ook Frankrijk en Duitsland hebben een duidelijk hoger niveau van werkloosheid dan Nederland.

Het Centraal Planbureau verwacht wel dat de werkloosheid in Nederland snel verder zal oplopen. De werkloosheid zou volgens het CPB in 2009 gemiddeld 5¼ procent en in 2010 gemiddeld 8 procent bedragen (volgens de nationale definitie waarin banen van minder dan 12 uur niet worden meegeteld). Wellicht dat die 8 procent niet gehaald wordt nu er wat meevallende cijfers zijn te melden, maar de daling in de economische activiteit sinds april 2008 voorspelt niet veel goeds. Maar dat is nog allemaal toekomst: op dit moment is het vooral het lage werkloosheidsniveau dat opvalt.

Aanpassing arbeidsmarkt loopt achter bij economische ontwikkeling

Onderstaande figuur geeft een indicatie dat het aanpassingproces van de Nederlandse arbeidsmarkt (ver) achterloopt bij de economische ontwikkeling. De Amerikaanse econoom Arthur Okun heeft een empirische relatie tussen het verloop van het BBP en de werkloosheid beschreven en stelt dat een de werkloosheid ongeveer 1 procent zou moeten oplopen wanneer het feitelijke BBP 3 procent achter loopt bij het potentiële BBP.

Figuur 1. Daling economische activiteit en toename in werkloosheid, april 2008-oktober 2009 (begin tot eind economische recessie inNederland)

Daling economische activiteit en toename in werkloosheid, april 2008-oktober 2009 (begin tot eind economische recessie in Nederland)

Noot: Grafiek is gebaseerd op internationaal vergelijkbare werkloosheidcijfers, waarbij ook banen van <12 uur per werk tot de werkgelegenheid worden gerekend.

Bron: Eurostat

Deze “rule of thumb” gaat momenteel zeker niet op voor de Nederlandse arbeidsmarkt. In de periode april 2009 – september 2009 is het BBP met ongeveer 5 procent gekrompen. Het CPB schatte de potentiële groei van de Nederlandse economie aan het beging van de huidige Kabinetsperiode op 2¼ procent per jaar. Volgens de vuistregel van Okun zou de werkloosheid als gevolg van de krimp van het BBP met bijna 2,5 procent moeten stijgen. Feitelijk ligt de werkloosheid (volgens de internationale definitie) nu nog maar krap 1 procent hoger in vergelijking met een jaar geleden.

Werkgevers wachten momenteel lang met het ontslaan van personeel waardoor de winstgevendheid ver terug loopt. Dit zou betekenen dat de werkloosheid nog sterk zal gaan oplopen, een deel van de pijn zit er dus nog aan te komen. Maar waarom wachten werkgevers zo lang met het aanpassen van hun werknemersbestand aan de economische omstandigheden?

Behoud van vakkrachten lijkt geen verklaring

Enerzijds kan het zo zijn dat werkgevers nog (even) vast willen houden aan hun vakkrachten. Niet toevalligerwijs kennen de landen met een relatief lage stijging van de werkloosheid, bijvoorbeeld Duitsland en Oostenrijk, een regeling die lijkt op de Nederlandse deeltijd-WW. Het feit dat de arbeidsmarkt traag reageert, kan door voorstanders van de deeltijd-WW worden gezien als iets positiefs; de trage aanpassing zorgt er voor dat vakkrachten behouden blijven voor de Nederlandse economie. Dit effect kan er zeker zijn, maar het is niet waarschijnlijk dat het “tekort” aan werkloosheidsoploop - volgens de vuistregel van Okun ongeveer 1,5 procent van de beroepsbevolking ofwel ongeveer 100 duizend werknemers – allemaal vakkrachten zijn waar werkgevers niet zonder kunnen.

Nederlandse werkgevers lijken niet optimistischer dan hun buitenlandse collega’s

Anderzijds kan het zijn dat werkgevers in Nederland simpelweg optimistischer zijn over de economische vooruitzichten dan in andere landen. Wanneer werkgevers een scherpe V-vormige recessie verwachten, zou je kunnen betogen dat men het inkrimpen van het personeelsbestand niet nodig vindt omdat men verwacht dat voortvarend economisch herstel aanstaande is. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de economische vooruitzichten in Nederland beter of minder slecht zijn dan in de ons omringende landen. Dit beeld wordt bevestigd wanneer we kijken naar de ontwikkeling van het producentenvertrouwen in verschillende landen. Deze ligt in NL niet hoger dan in andere landen en stijgt ook niet sneller. Ook deze verklaring ligt dus niet erg voor de hand.

Oorzaak zit in relatief hoge kosten voor ontslag

Wat wel een plausibele reden zou kunnen zijn voor de terughoudendheid in het ontslaan van personeel is het feit dat de ontslagkosten in Nederland relatief hoog zijn. Deze beweegreden is te staven met feiten, zie daarvoor onderstaande figuur, waarin de oploop van de werkloosheid in de periode april 2008 – september 2009 is afgezet tegen een index die aangeeft in hoeverre een land te maken heeft met hoge ontslagkosten. Deze zogenaamde Employment Protection Index van de OESO kan variëren tussen 0 en 6. Hoe lager de index, hoe lager de (impliciete) ontslagkosten.

Figuur 2. Verandering in de werkloosheid (apr 2008-sep 2009) en mate van ontslagbescherming

Verandering in de werkloosheid (apr 2008-sep 2009) en mate van ontslagbescherming

Bron: OESO en Eurostat

Bovenstaande figuur laat zien dat de werkloosheid in landen die gekenmerkt worden door relatief hoge ontslagkosten – zoals Nederland, Duitsland en Portugal –relatief beperkt is opgelopen gedurende het afgelopen jaar. Dit geeft aan dat de hoge kosten die werkgevers moeten maken om personeel te ontslaan een plausibele reden kan zijn waarom de Nederlandse arbeidsmarkt zich relatief langzaam aanpast.

Nadelige effecten op langere termijn

Deze langzame aanpassing kan het herstel van de Nederlandse economie parten spelen. Het aanhouden van personeel mag dan bepaalde transactiekosten uitsparen op korte termijn, op langere termijn betekent het dat bedrijven moeten interen op hun winstmarge. Dit laatste zet een rem op investeringen die samen met een aantrekkende wereldhandel de basis vormen voor eventueel economisch herstel. De conclusie van voorgaande analyse zou een prikkel moeten zijn om iets aan de inflexibiliteit van de Nederlandse arbeidsmarkt te doen. Het verlagen van de transactiekosten van het ontslaan en aannemen van personeel lijkt op korte termijn niet haalbaar, maar bijvoorbeeld het matigen van de looneis wel.

Te citeren als

Bart Visser, “Laag werkgelegenheidsverlies in Nederland lijkt een zegen, maar is een vloek”, Me Judice, 4 december 2009.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.