Lessen van Nederlands vorige grote bankencrisis

Witte huis in Rotterdam
© Kustvaartforum
De vorige grote bankencrisis in Nederland was die van de jaren twintig van de vorige eeuw. Verschillende banken die aan de vooravond van de crisis bijzonder winstgevend waren en tegelijk diep in de schulden zaten, vielen om. Een interessante les van deze vorige crisis is dat het aansprakelijkheidsregime van banken zo is vorm te geven dat het effectief toezicht van aandeelhouders op grote schaal faciliteert. Dit stellen Christopher Colvin, Abe de Jong en Philip Fliers.

Terug in de tijd

In financiële crises komen banken in problemen, waarbij zij failliet gaan, moeten reorganiseren of door overheden gered worden. Aangezien de economische en maatschappelijke gevolgen van een bankencrisis groot kunnen zijn, is het belangrijk om het falen van banken te begrijpen of zelfs te voorspellen. Zoals meteorologen gebruik maken van ingewikkelde modellen om het weer te voorspellen, zo gebruiken centrale banken, overheden en regelgevende instellingen economische modellen om risico’s in te schatten op basis van financiële data. Beiden hebben dan ook een erg moeilijke taak; ze zitten er ook niet voor niets vaak naast.

Een belangrijk verschil tussen de econoom en meteoroloog is dat de meteoroloog de beschikking heeft over onnoemelijk veel data over metereologische depressies, gezien het feit dit een veel voorkomend natuurlijk fenomeen is in Nederland. Een financiële crisis komt echter niet zo vaak voor. Iedere poging om het concept van een financiële crisis beter te leren begrijpen, vereist dat we kijken naar de zaken die belangrijk waren in andere financiële crisissen. Hoewel bevindingen uit het verleden geen garantie bieden voor de toekomst, biedt een analyse van een “lang vergeten” crisis, toch interessante aspecten voor hedendaagse beleidsmakers.

De crisis van de jaren twintig

In het artikel dat wij hier beschrijven (Colvin et al., 2013) kijken we naar een periode waarin een bankencrisis heeft plaats gevonden en analyseren we of de banken die in deze periode in de problemen zijn geraakt overeenkomsten hadden. De crisis waar het hier om gaat is de onbekende crisis van de jaren 1920-1927. Dit was echter wel de grootste financiële crisis die Nederland heeft getroffen voor de huidige crisis en tevens de enige bankencrisis in Nederland van de twintigste eeuw.

Gewapend met de huidige kennis en archiefonderzoek hebben wij een dataset gemaakt die ongeveer 80 procent van de Nederlandse bankensector weerspiegelt ten tijde van de crisis. We volgen deze Nederlandse banken door de gehele crisisperiode en vinden dat 37 van de 143 banken in onze dataset in de problemen zijn gekomen en tezamen minstens 200 miljoen gulden verloren. Wanneer we dit zouden corrigeren voor inflatie zou het vandaag de dag zo’n 1,2 miljard euro waard zijn. Hoewel dit bedrag misschien klein lijkt, is de financiële sector in Nederland hard gegroeid, vele malen sneller dan de inflatie. Daarnaast is ook het aantal banken in de Nederlandse economie sterk afgenomen door een concentratie van bankactiviteiten.

Kort gezegd was de crisis van de jaren twintig een grote crisis, die zich uitte in bank runs, instortende aandelenkoersen, en gedwongen fusies en faillissementen, waarbij ook grote banken zoals de Rotterdamsche Bankvereeniging niet gespaard beleven.

Het interessante aan de Nederlandse crisis van de jaren twintig zijn haar oorzaken: de afnemende vraag naar Nederlandse exportgoederen na het einde van de Eerste Wereldoorlog en het monetaire beleid van de Nederlandse regering om naar de “gouden standaard” terug te keren. Deze combinatie zorgde voor een deflatoire situatie, waarin de schulden (bezittingen van de banken) snel minder waard werden. Hoewel alle banken blootgesteld werden aan deze risico’s, gingen ze niet allemaal failliet. Zo is de Nederlandse crisis van de jaren twintig te interpreteren als een experiment in de geschiedenis van financiële crisissen, waarvan de oorzaken grotendeels exogeen waren, maar de effecten op de Nederlandse financiële sector endogeen waren aan de blootstelling van banken aan de schulddeflatie. Deze effecten werden dus grotendeels bepaald door het beleid dat de individuele banken voerden, direct voor het plaats vinden van de exogene schok. Op deze manier kunnen we met behulp van historische data de micro-economische oorzaken identificeren die bepalen welke banken in de problemen komen.

Welke keuzes maakten banken aan de vooravond van de crisis? We kijken naar verschillen in balansstructuur, corporate governance-mechanismen en verschillende regimes van aansprakelijkheid voor aandeelhouders. De afwezigheid van supervisie – in de de Bankwet van 1918 was het mandaat van de Nederlandse Bank beperkt tot de functie van circulatiebank – illustreert hoe banken zich gedragen, wanneer zij niet kunnen rekenen op toezicht en steun van de staat. Daarnaast maakten banken in die periode veelvuldig gebruik van vormen van aansprakelijkheid die vandaag de dag niet meer worden gebruikt. Dit biedt de huidige beleidsmakers dan ook een nieuwe bron van inspiratie in het herstructureren van de financiële sector.

Welke banken vielen om?

Banken die relatief veel hadden geïnvesteerd in korte termijn leningen en zeer winstgevend waren of grote hoeveelheden schuld hadden, liepen een groter risico om in de problemen te komen. Daarnaast hadden banken met een grotere directie en meer banden met financiële en niet-financiële instellingen geen grotere kans om te bezwijken. We vinden dat banken met banden met grote winstgevende banken meer risico met zich meedroegen. Hetzelfde gold voor banken die grote netwerken onderhielden met niet-financiële ondernemingen. Echter, zij diversifieerden hun portefeuilles beter door de netwerken te spreiden over verschillende branches, door zich niet alleen te binden aan grote winstgevende financiële en niet-financiële ondernemingen in een beperkt aantal industrieën.

We vinden tevens dat 96 van de 143 banken een bijzonder aansprakelijkheidsregime hadden, waarbij een deel van het aandelenkapitaal nog niet door de aandeelhouder is betaald aan de bank. Deze aandeelhouders hebben dus een grotere aansprakelijkheid van hun inleg, anders dan bij moderne banken. Tegelijk konden banken de omvang van de inleg bepalen en ook additionele inleg vragen, waar aandeelhouders al dan niet aan konden voldoen.

Er is dus zowel een ex ante als en ex post effect in relatie tot financiële problemen. Het ex ante effect is dat aandeelhouders van banken met dit aangepaste aansprakelijkheidsregime risicovolle activiteiten waarderen, omdat de potentiële waardestijging aan hen toevalt, terwijl bij een mislukking hun inleg beperkt was. Echter, ex post geeft de beperkte inleg de mogelijkheid om aandeelhouders om een additionele storting te vragen om financiële problemen te voorkomen.

Wij vinden de beide effecten in onze analyse. Van de 37 banken die in de problemen raakten tijdens de jaren twintig hadden er 22 dit regime van vergrote aansprakelijkheid. In overeenstemming met het ex ante effect, hadden banken die kozen voor dit aangepaste aansprakelijkheidsregime een groter risico. Tegelijk en in lijn met de ex post verwachting, konden banken aan een faillissement of reorganisatie ontsnappen, door aandeelhouders een kleiner percentage hun aandelenkapitaal verplicht te laten storten.

Lessen voor nu

Lessen leren uit historische gebeurtenissen is altijd problematisch, omdat historisch onderzoek context-specifiek is. Wat heeft het verleden ons dan wel te bieden? Voor een kleine open economie zoals dat van Nederland ten tijde van de jaren twintig van de vorige eeuw geldt: (1) banken kunnen hun balans zo structureren dat ze een periode van schulddeflatie kunnen overleven; (2) banken kunnen omgaan met de verwevenheid van een financiële sector en hun variërende afhankelijkheid van niet financiële sectoren; en (3) aandeelhouders zouden bankiers kunnen aanmoedigen om minder risico te nemen door het gebruik van aangepaste aansprakelijkheidsregimes.

Hiervan leren we dat wanneer banken een financiële schok willen overleven, ze: (1) de grootte van hun balans moeten beperken, aangezien grotere banken meer risico’s met zich meedragen, omdat het moeilijk is om een volledig gediversifieerde portfolio te hebben: (2) de hoeveelheid schuld moeten beperken, gezien het feit dat banken die meer schulden hebben meer risico’s dragen, doordat de termen behorend tot het korte krediet risico’s bevatten of doordat ze te afhankelijk zijn van consumenten deposito’s; (3) de herkomst van de inkomsten goed in de gaten moeten houden, daar de kasstroom van de bank gezien kan worden als een goede voorspeller van een crisis. Daarnaast zouden banken hun directie kunnen vergroten, waarmee bankiers effectief hun dominantie over niet-financiële ondernemingen uitbreiden en de interbancaire netwerken versterken. Tevens zouden banken vrijer moeten worden gelaten wanneer het gaat om het kiezen van het aansprakelijkheidsregime, om zo minder risiconemend gedrag te stimuleren, grotere reserves aan te houden en toezicht van aandeelhouders op grote schaal mogelijk te maken.

Referenties

Colvin, C.L., A. de Jong, and P.T. Fliers (January 2013), “Predicting the Past: Understanding the Causes of Bank Distress in the Netherlands in the 1920s”, EHES Working Papers in Economic History, No. 35.

Te citeren als

Christopher Colvin, Abe de Jong, Philip Fliers, “Lessen van Nederlands vorige grote bankencrisis”, Me Judice, 15 februari 2013.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.