Meer dan genoeg macro in nieuw onderwijsprogramma economie voor scholieren

Meer dan genoeg macro in nieuw onderwijsprogramma economie voor scholieren image
9 mrt 2009 | | 3181 keer bekeken
Volgens de Amsterdamse hoogleraar Arnoud Boot moet het nieuwe havo/vwo economieprogramma ter elfder ure worden omgegooid. Het nieuwe programma zou veel te micro-economisch van karakter zijn. Het macro-economisch perspectief zou “geheel uit beeld” zijn verdwenen. Herman Duijm en Gerrit Gorter, auteurs van een lesboek economie, stellen dat Boots oproep niet is gebaseerd op de feiten. Zij zien meer dan genoeg macro terug in het nieuwe programma.

In The Wealth of Education, geschreven onder voorzitterschap van Coen Teulings, worden de hoofdlijnen van een nieuw examenprogramma geschetst. Het programma is georganiseerd rond een achttal concepten: schaarste, ruil, markten, ruilen over de tijd, samenwerken en onderhandelen, risico en informatie, welvaart en groei, goede tijden, slechte tijden. De laatste twee van de acht concepten hebben een expliciet macro-economisch karakter. Op het oog levert dat een programma met 25 procent macro-economie op. Maar wie werkelijk een indruk wil krijgen van het aandeel van de macro-economie in het nieuwe programma, zal de eindtermen grondig moeten bekijken.

Uitwerking in een methode

Als auteurs van een onderwijsmethode hebben we ons de afgelopen drie jaar intensief met het nieuwe programma economie beziggehouden. Voor de havo- en de vwo-editie komen we tot de volgende indeling van de leerstof en de bijbehorende aandelen in het totaal aantal pagina’s van de betreffende methode. Daarbij is de leerstof ruwweg ingedeeld in drie categorieën.

Het ligt voor de hand de onderdelen ‘Welvaart en groei’ en ‘Conjunctuur’ (Goede tijden, slechte tijden) – samen al 37 procent, respectievelijk 32 procent van het totaal aantal pagina’s – als macro-economie te kenschetsen. Deze onderdelen bevatten onder andere de nationale rekeningen, de invloed van het belastingstelsel, de theorie van de economische groei, de conjunctuurtheorie en de conjunctuurpolitiek.

Maar ook de ‘nieuwe’ onderwerpen herbergen veel macro-economie. Wanneer we – achteraf – de betreffende begrippen uit The Wealth of Education bekijken, zien we heel vaak dat begonnen wordt met een micro-economische benadering die vervolgens weer leidt tot een macro-beschouwing. Zo zien we in ‘Ruilen over de tijd’ na de micro-economische intertemporele afweging de behandeling van het overheidstekort, de vorming van human capital en de pensioenproblematiek. Dit zijn duidelijk macro-gerelateerde onderwerpen. In het onderwerp ‘Samenwerken en onderhandelen’ is een prominente plaats ingeruimd voor de speltheorie. Deze theorie is echter niet een louter micro-economisch instrument. Denk bijvoorbeeld aan de problematiek rond de collectieve goederen. Met behulp van de speltheorie kunnen we duidelijk het conflict van botsende belangen illustreren.

In het onderdeel ‘Risico en informatie’ komt onder meer verzekeren aan de orde, maar ook de sociale zekerheid – toch ook niet een specifiek micro-onderwerp. Ten slotte wijzen we nog op het onderdeel ‘Ruil’. Daarin wordt uitgebreid aandacht besteed aan de functie van het geld- en bankwezen, een onderwerp dat eveneens dicht tegen de macro-economie aanligt.

Vooral de ‘nieuwe’ onderwerpen zijn ons inziens te beschouwen als een ‘tussengebied’, waarin we een sterke aansluiting zien bij de ‘eigen’ belevenis van de leerling. We hebben steeds te maken met onderwerpen die de leerling uit eigen aanschouwing uit de dagelijkse praktijk kent. Deze onderwerpen worden wel steeds in een economisch kader gezet. Naar onze mening krijgt de leerling in het nieuwe programma goede handvatten aangereikt om de huidige actualiteit te doorgronden.

We kunnen wel vaststellen dat de macro-economie beslist niet als onderbedeeld kan worden beschouwd. Als we de macro-economische onderwerpen in de nieuwe onderdelen meetellen, is het niet gewaagd te stellen dat rond de 40 procent van de totale leerstof macro-economie is dan wel tegen de macro-economie aanligt. En economiedocenten die het gehalte aan macro-economie nog verder willen opvoeren, kunnen ook nog bij de keuzeonderwerpen terecht. Boot lijkt te willen opmerken dat het nieuwe programma zich “puur en alleen (tot) het micro-economische instrumentarium” beperkt. Gezien onze ervaring zetten wij daar vraagtekens bij.

Het Keynesiaanse model

Het is duidelijk dat het Keynesiaans model, bijna veertig jaar lang hét macro-model in het Nederlandse onderwijs, in het nieuwe programma is gesneuveld. Maar we moeten er wel op wijzen dat het Keynesiaans model is vervangen door een ander macro-model, namelijk het macro-economisch vraag-en-aanbod-model. Daarbij is sterk geleund op de handboeken van de Amerikaanse econoom Gregory N. Mankiw. We willen ons niet mengen in de discussie welk van beide modellen de voorkeur zou moeten verdienen; er is nu eenmaal gekozen voor het laatste model. Wel willen we vaststellen dat de vraaguitval zoals we die nu meemaken prima met het Mankiw-model kan worden verduidelijkt. Het enige element dat je wel eens mist, is de multiplier.

Overigens staat het methodemakers vrij de Keynesiaanse theorie op een of andere manier een plek in hun methode te geven. Ook economiedocenten, we stelden het al eerder vast, kunnen via de keuzeonderwerpen de Keynesiaanse theorie een plek in het curriculum geven.

Kredietcrisis

Terecht stelt de heer Boot dat het, zeker gezien tegen de achtergrond van de kredietcrisis, cruciaal is te leren denken in macro-economische verbanden, met de kringloop als boekhoudkundig kader. Maar daarvoor biedt het nieuwe economieprogramma meer dan voldoende aanknopingspunten. Om te beginnen maken de economische kringloop en de nationale rekeningen expliciet deel uit van het nieuwe programma. Zaken als het twin deficit in relatie tot een Chinees spaaroverschot kunnen heel goed in een dergelijk kader worden geplaatst. Uiteraard is het de vraag of en zo ja hoe auteurs van educatief materiaal dat doen, maar het programma biedt er in elk geval alle ruimte toe. Daarnaast kun je met de concepten ‘liquiditeit’ en ‘bankbalans’ goed duidelijk maken wat ‘omvallende banken’ zijn. In het onderdeel ‘Goede tijden, slechte tijden’ – bij ons ‘Conjunctuur’ genoemd – komen concepten voor als geaggregeerde vraag, wisselkoersen, betalingsbalans en de functie van centrale banken. Het zal niet meevallen een aspect van de kredietcrisis te vinden dat niet op een of andere manier wordt ‘afgedekt’ door het nieuwe programma.

Kortom, wie naar de feiten kijkt kan niet anders dan concluderen dan dat het nieuwe economieprogramma een flinke portie macro-economie bevat. Niet alleen kwantitatief is de macro-economie duidelijk aanwezig, ook kwalitatief bevat het nieuwe programma ruim voldoende instrumenten om de actuele ontwikkelingen te kunnen plaatsen.

Herman Duijm en Gerrit Gorter zijn auteurs van de economiemethode Percent, uitgegeven bij NijghVersluys.

Te citeren als

Herman Duijm, Gerrit Gorter, “Meer dan genoeg macro in nieuw onderwijsprogramma economie voor scholieren”, Me Judice, 9 maart 2009.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.