Met Obstfeld als nieuwe IMF-baas is internationale coördinatie zinloos

19 okt 2015 |
Aan de hand van de geschriften van een econoom kan men veel aflezen volgens Piet Keizer. Een bekend leerboek van de Blanchard – oud IMF topman – was methodologisch inconsistent en zijn beleid eveneens. Zijn opvolger Obstfeld is ook een bekende econoom en zijn werk is wel methodologisch consistent doch heeft een enge focus. Met Obstfeld aan het roer wordt het lastig om wereldcrises af te wenden dan wel te beperken.

Nieuwe IMF-baas

Ruim een maand geleden heeft Maurice Obstfeld Oliver Blanchard opgevolgd als Chief-Economist van het IMF. De kwaliteit van Blanchards tekstboek bleek een goede voorspeller van het beleid dat hij voorstond: chaotisch. Obstfeld is ook een auteur van een prestigieus tekstboek. Voorspelt ons dat iets goeds?

Oliver Blanchard

Maar laten we beginnen met het werk van Blanchard. Zijn beleidsadviezen ten aanzien van de crisis in de ledenlanden van de eurozone zwalkten tussen een neoklassiek en een keynesiaanse visie op economie. Hij ging mee met het neoklassieke idee dat elk lid zelf verantwoordelijk is om haar concurrentiepositie op de wereldmarkt te verbeteren. Door te bezuinigen op de overheidsuitgaven, zouden de overheidsschulden afnemen. Bovendien zou de toenemende werkloosheid de arbeidskosten beperken, waardoor de export zou gaan stijgen. Op deze wijze wordt het vertrouwen in de economie hersteld. Maar zo nu en dan wees hij op de noodzaak van een bestedingsimpuls. Dit gezwalk heeft het gezag van het IMF geen goed gedaan – terwijl ze voor een enorme uitdaging stonden: hoe van een microeconomische benadering (elk land apart) te komen tot een macroeconomische benadering (de wereldeconomie heeft een probleem).

Het leerboek van Blanchard (2011) blijkt een methodologische chaos. Het belangrijkste probleem is de wijze waarop de auteur de neoklassieke indeling in korte termijn – middellange termijn – lange termijn ook gebruikt voor zijn behandeling van het zogenaamde korte termijn-Keynesiaanse beleid. In de neoklassieke analyse wordt het begrip van logische tijd gehanteerd, terwijl de Keynesianen tijd als een historisch fenomeen beschouwen [1]. Verontachtzamen we dit essentiële verschil (zoals Blanchard doet), dan krijgen we de volgende inconsistentie (Keizer, 2015, p.152-156). Zodra er een crisis uitbreekt, bevinden we ons in de korte termijn, hetgeen impliceert dat de vraag naar goederen moet worden gestimuleerd. Na een tijdje komen we terecht in de middellange termijn, en zullen de prijzen van kapitaal, arbeid en goederen omlaag moeten, om daarmee de concurrentie te verbeteren. Na enige tijd komen we in de lange termijn, en is het tijd voor liberale hervormingen, om daarmee het herstelvermogen van markten te versterken. In de neoklassieke benadering beginnen alle drie de onderscheiden perioden op het zelfde moment. Men begint direct met de bezuinigingen op de overheidsuitgaven, en met de hervormingen. Op de korte termijn verergert dit beleid de recessie, in de middellange termijn vinden markten weer hun evenwicht, en in de lange termijn wordt het resultaat van de hervormingen zichtbaar.

Blanchard ging wel mee met de directe invoering van bezuinigingen en liberale hervormingen. Maar hij wilde de pijn van de korte termijn verzachten door middel van een bestedingsimpuls. Dit leverde in totaal twee inconsistenties op. In de eerste plaats leidt de e vraagstimulering tot een vermindering van de recessie, maar maakt dat de prijzen minder dalen dan neoklassieke economen denken dat nodig is voor het herstel van concurrentiekracht. In de tweede plaats vindt de invoering van liberale hervormingen plaats terwijl het herstel nog lang niet is voltooid. Dat betekent dat de effecten van de hervormingen vooral negatief zijn. In Nederland werd tijdens de crisis de pensioengerechtigde leeftijd verhoogd, hetgeen daarom een negatief effect op de werkgelegenheid had. Ook werd in Nederland een wet ingevoerd, die beoogde de positie van flexwerkers te verbeteren, in ruil voor een ‘verslechtering’ van de posities van werknemers met een vaste baan. In een tijd van recessie werkt dat vooral negatief uit, en bevordert het de werkloosheid.

Zou alleen de analyse van Keynes zijn toegepast, dan was de effectieve vraag verhoogd via de overheidsinvesteringen. Na een paar jaren zou de economie weer zijn hersteld, en zou de infrastructuur zijn verbeterd, hetgeen de concurrentiepositie ten goede zou zijn gekomen.

De visie van Obstfeld

Het is de moeite waard om eens na te gaan, of het tekstboek van Obstfeld ook zo problematisch in elkaar zit. Obstfeld & Rogoff (1996) is een prestigieus tekstboek over de “Foundations of International Macroeconomics”. The term ‘foundation’ blijkt ‘micro-foundation’ te betekenen, alsof er geen macro-funderingen denkbaar zijn. Ofschoon de tekst het niet expliciet vermeldt, wordt met micro-fundering de ‘homo economicus’ bedoeld – zoals dat het geval is met bijna alle tekstboeken. De logische implicatie is dat alle transacties worden gezien als rationele uitingen, welke ook niet zijn gebaseerd op positieve (solidariteit) of negatieve sociale motieven (rivaliteit).

Alternatieve benaderingen, bijvoorbeeld het radicaal-economische en het post-Keynesiaanse mondiale perspectief, worden niet bediscussieerd – zelfs niet eens genoemd. Omdat kapitaal het meest mobiele goed is, wordt verondersteld dat de internationale economische relaties worden gedomineerd door de mondiale kapitaalmarkt – een stelling die we al kennen van Marx.

Obstfeld en Rogoff besteden weinig aandacht aan het fenomeen muntunie. Ze zijn er duidelijk over: een muntunie zonder politieke unie functioneert niet. Andere vormen van bestuur dan de politieke – overleg en onderhandeling – bestaan kennelijk niet. Het internationaal-economische veld wordt beheerst door het zogeheten trilemma: een vrije kapitaalmarkt, vaste wisselkoersen en monetaire onafhankelijkheid kunnen niet samengaan. Elk land heeft twee vrijheidsgraden, en moet zich op het derde punt aanpassen. Het spreekt vanzelf dat iedere benadering zijn eigen dilemma’s, trilemma’s of zelfs hexalemma’s oplevert. Het boek beschouwt de arbeidsmarkt als volstrekt irrelevant. Deze stelling zou wel eens heel erg onder druk komen te staan in de nabije toekomst. Als de vooroordelen en de haat tussen de verschillende etniciteiten blijft toenemen, is het onvoorstelbaar dat dit geen gevolgen heeft voor de mondiale economie.

Om na te gaan of Obstfeld de afgelopen jaren zijn paradigma heeft bijgesteld, is ook recent materiaal bestudeerd. Maar noch Obstfeld en Taylor (2004) noch Obstfeld, Cho en Mason (2012) geven aanleiding om een dergelijke bekering te veronderstellen.

Indien we het carrièreverloop van Obstfeld bekijken, dan heeft hij praktisch geen beleidservaring. Al zijn activiteiten hebben betrekking op academisch onderwijs en onderzoek. Pas een jaar geleden werd hij benoemd tot lid van de “President’s Council of Economic Advisors”, die zetelt in het Witte Huis. Zijn internationale ervaringen hebben altijd betrekking gehad op het geven van trainingen – ook regelmatig aan stafleden van het IMF! – en op het vlak van onderzoeksadvisering.

Stellen we eens voor dat hij overleg moet voeren met China, of met één van de andere BRIC-landen. De gesprekspartners hebben misschien een typische radicaal-economische of een post-Keynesiaanse visie. Obstfeld spreekt die talen echter niet, en zal dus ook niet begrijpen wat ze te zeggen hebben. In het Griekenland-dossier hebben we dit gebrek aan begrip uitvoerig kunnen zien.

Strak in de leer

Blanchards leerboek bevat een methodologische chaos en dat verklaart waarom hij van die zwalkende beleidsadviezen gaf. Het tekstboek van Obstfeld is daarentegen methodologisch consistent. De inhoud, echter, staat ver weg van onze dagelijkse realiteit. Hij blijkt een volbloed neoklassiek econoom, en beschouwt de wereldeconomie als een aggregaat van nationale economieën, welke op hun beurt een aggregaat is van individuen, geregeerd door een overheid die verantwoordelijk is voor het beschermen van particulier eigendom. De neoliberale premier van Groot-Britannië in de jaren 1980, Margaret Thatcher, zei eens: “There is no such thing as a society”. Obstfeld stelt in feite “There is no such thing as a closed economy”, en dat terwijl de wereldeconomie een perfect voorbeeld is van een gesloten economie.

De politieke relevantie van de positie van Obstfeld is duidelijk. Met deze man aan het roer wordt het lastig om wereldcrises af te wenden dan wel te beperken. Welk probleem dan ook – elk land zal zijn eigen problemen moeten oplossen. Daar heeft niemand overlegstructuren zoals de G-20 voor nodig.

Voetnoot:


[1] Onder logische tijd wordt verstaan de idee dat tijd is uitgedrukt in een periode die nodig is voor een bepaald aanpassingsproces heeft gezorgd voor nieuw evenwicht. Als een neoklassiek econoom beweert dat op de middellange termijn markten weer in evenwicht zijn gebracht door middel van prijsaanpassingen, dan kan niemand zeggen hoe lang dat duurt in termen van historische tijd: 1, of 2 of 3 jaar. De neoklassieke bewering is per definitie waar

Referenties:

Blanchard, O., A. Amighini, F. Giavazzi (2011), Macroeconomics: European Perspective, London, Prentice-Hall.

Keizer, P., Multidisciplinary Economics, A Methodological Account, Oxford: Oxford University Press.

Obstfeld, M, K. Rogoff (1996), Foundations of International Macroeconomics, The MIT Press, Cambridge Massachusetts.

Obstfeld, M., A.M. Taylor (2004), Global Capital Markets: Integration, Crisis, and Growth, Cambridge Books.

Obstfeld, M, Dongchul Cho, A., Mason (eds.) (2012), Global Economic Crisis: Impacts, Transmission and Recovery, Cheltenham, Edward Elgar.

Te citeren als

Piet Keizer, “Met Obstfeld als nieuwe IMF-baas is internationale coördinatie zinloos”, Me Judice, 19 oktober 2015.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.