Met Wicksell terug naar een relevante macro-economie

Met Wicksell terug naar een relevante macro-economie image
8 apr 2009 |
Een maatschappelijk onverantwoorde verspilling van tijd, zo noemt Willem Buiter het werk van veel collega-macro-economen. Terug naar de vakbroeders van weleer, betoogt econoom Bert Tieben, pas gepromoveerd op de geschiedenis van het denken over economisch evenwicht. De monetaire theorieën van Wicksell, Keynes en Hayek kunnen een basis vormen voor een macro-economie die wel wat te melden heeft over oorzaken en gevolgen van de kredietcrisis.

Waar een crisis al niet goed voor is. Jarenlang is de geschiedenis van het economische denken het ondergeschoven kindje van de economische wetenschap geweest. Bij verschillende faculteiten maakt het zelfs geen onderdeel meer uit van het curriculum. Eén flinke depressie en economen halen snel de helden van weleer weer van stal. Keynes is uiteraard favoriet gezien de wereldwijde crisisplannen met een forse bestedingsimpuls. Amartya Sen pleitte recentelijk nog in een essay voor een herwaardering van oude ideeën als middel om ons kompas in deze turbulente tijden te hervinden (Sen, 2009).

Ook in de jaren dertig klopte de theorie niet

Zin of onzin? Laten we eens kijken naar de lessen die we uit de jaren dertig kunnen trekken. Ik richt me daarbij op één onderwerp: verstoring en herstel van economisch evenwicht. Economen kijken graag naar de economie door de bril van een evenwichtstheorie. Het eenvoudigste voorbeeld is de werking van een markt waar concurrentie voor gelijkheid van vraag en aanbod moet zorgen. Maar ook dynamische processen zoals economische groei kunnen we in termen van evenwicht analyseren. De groeivoet van de productie is dan in evenwicht met zijn determinanten zoals de groei van de arbeidsproductiviteit, de bevolking en de technologische ontwikkeling. Raakt de economie van dit evenwichtsgroeipad zoals gedurende de toppen en dalen van de conjunctuur dan moeten er krachten optreden om de groeivoet terug naar het evenwicht te brengen.

In normale tijden is dit niets nieuws onder de zon. Maar gedurende een wereldwijde depressie is het contrast tussen de placide wateren van het economische evenwichtsmodel en de chaos van immer dalende beurskoersen, faillissementen en werkloosheid in de echte wereld eenvoudig te groot. De natuurlijke reflex is kritiek op het theoretische model, zoals inderdaad gebeurde in de jaren dertig. Op 15 oktober 1934 sprak de Utrechtse hoogleraar Gerard Verrijn Stuart zijn oratie uit over Verstoring en herstel van economisch evenwicht tegen de achtergrond van de economische crisis. Dit waren jaren van “diepgaande ellende”, zoals hij het uitdrukte waarin het evenwicht tussen productie en consumptie grondig was verstoord. Hoe was het zover gekomen en wat kon men doen om het evenwicht te herstellen? Bij de Amsterdamse econoom en rector van de gemeente universiteit H. Frijda vinden we soortgelijke gedachten. Hij buigt zich op 14 februari 1938 over De evenwichtsgedachte en de werkelijkheid. De kern van zijn betoog laat zich raden: “De verschijnselen, die wij als expansie of contractie kennen, zijn met de theorie van het evenwicht ten eenenmale in strijd”.

Is het tegenwoordig anders? Nee. Begin vorige week spuwde Willem Buiter op deze website zijn gal over de koers van de economische wetenschap. Hij spreekt van academische inspanningen die nog het beste als “maatschappelijk onverantwoorde verspilling van tijd” kunnen worden beschouwd. Beleidsbepalende organen zoals centrale banken hebben hun besluitvorming in de crisis laten leiden door economische modellen die theoretische volstrekt ongeschikt zijn om zinnige uitspraken te doen over het fenomeen economische crisis. De reden? De veronderstelling van economisch evenwicht, zoals bijvoorbeeld belichaamd in de efficiënte markthypothese. Buiter’s conclusie: “het verwarren van een evenwicht van een gedecentraliseerde markteconomie met de uitkomst van een wiskundige programmeerexercitie zou niet langer acceptabel mogen zijn.”

Het spoor terug, met Wicksell als kompas

Vraag is hoe we deze ‘naar binnen gerichte dwalingen’ gaan corrigeren. Kunnen we hier iets leren van het verleden? Feit is dat de monetaire sfeer in de macro-economie van de jaren dertig een centrale plaats innam en dat schoorvoetend een begin werd gemaakt met de analyse van verwachtingen als bron van conjuncturele bewegingen. De strijd tussen Keynes en Hayek is in dit verband interessant, omdat beiden startten vanuit hetzelfde monetaire kader maar eindigden met volledig verschillende visies op de crisis. Om dit verschil te begrijpen moeten we terug naar de basis en dat is in dit geval de Zweedse econoom Knut Wicksell (1851-1926).

Wicksell definieerde de voorwaarden voor een monetair evenwicht in termen van de gelijkheid van de natuurlijke en de monetaire rente. De natuurlijke rente is het rendement dat gemiddeld genomen op reële investeringen verwacht kan worden. De monetaire rente is de vergoeding die de banken voor hun kredieten vragen. Via het onderscheid tussen de twee rentevoeten wist Wicksell de reële en monetaire sfeer met elkaar te verbinden waarbij de rente bepaald werd door het evenwicht tussen besparingen en investeringen. Van Stockholm tot Wenen tot London en Cambridge werd er in de jaren dertig voortgebouwd op dit kader. Keynes publiceerde voorafgaand aan de General Theory een tweedelig werk over geldtheorie, zijn Treatise on Money (1930). Dit werk kent een sterk Wickselliaans karakter. Zo analyseren de ‘fundamentele vergelijkingen’ van dit werk de prijsvorming in termen van de spanning tussen natuurlijke en monetaire rente. Maar ook de belangrijkste tegenstrever van Keynes, de Oostenrijker Friedrich von Hayek, vanaf 1931 verbonden aan de London School of Economics, gebruikte het kader van Wicksell voor zijn kapitaal- en conjunctuurtheorieën.

Twee vragen staan centraal in de Wickselliaanse monetaire theorieën. Waar begint de verstoring van het monetaire evenwicht en hoe verloopt de transmissie tussen reële en monetaire sfeer? Wicksell zelf zag verandering in de natuurlijke rente als de oorzaak van de verstoring en de conjunctuurbeweging die erop volgde. Vraag is of de monetaire rente de verandering van de natuurlijke voet zou volgen. Wicksell gebruikte de metafoor van het elastiek om de automatische tendens naar monetair evenwicht te analyseren. Hij voorzag institutionele obstakels waardoor er sprake was van een elastische relatie tussen de rentevoeten. Met andere woorden: de onbalans was van tijdelijk aard maar kon afhankelijk van de aard van de fricties best voor grote problemen zorgen. Voor Wicksell en zijn latere Zweedse volgelingen was dit aanleiding om voor actief monetair management te pleiten met als doel om de monetair rente zo goed mogelijk op zijn natuurlijke niveau te houden. Dit was de neutraal-geld politiek.

Keynes ‘General Theory’ is ‘Wicksell made easy’

In 1930 volgde Keynes deze aanpak in grote lijnen. Het pleidooi voor actief overheidsingrijpen dateert met andere woorden al van ver voor zijn General Theory uit 1936. Ook de ‘animal spirits’ uit dat laatste werk treffen we al in 1930 in zijn analyse van het krachtenveld dat de natuurlijke rente uiterst volatiel doet zijn. Gezien de overeenkomsten rijst de vraag waarom de naam van Keynes vooral verbonden is met de General Theory en niet met zijn eerdere monetaire werk. De reden hiervoor ligt bij de retoriek. Keynes vond zijn Treatise on Money een ‘artistic failure’ omdat de originele bijdrage onvoldoende uit de verf kwam door het gebruik van Wicksell’s monetaire raamwerk. In de General Theory plaatst Keynes zich vanaf de eerste bladzijde lijnrecht tegenover de klassieke traditie met zijn focus op evenwicht waarmee het revolutionaire karakter direct werd gewaarborgd. Bovendien nam hij afstand van de innovatieve maar complexe dynamische benadering van Wicksell, omdat hij een statische theorie door zijn eenvoud overtuigender vond. De mix van revolutionaire retoriek en een relatief simpele macro-economische theorie voor de verklaring van een onderbestedingsevenwicht bleek een succesvol recept.

Overheid kan bij Hayek niets goeds doen

Hayek en de Oostenrijkse school richtten zich juist wel op de dynamiek achter de conjunctuurcyclus. Dit deden ze door aan de andere kant van het elastiek te plukken, de monetaire rente. Voor de verklaring van de huidige crisis zijn hun gedachten zeer relevant. Bij Hayek begint de conjunctuur door de verstorende invloed van een ruim monetair beleid waardoor de banken al te ruimhartig kredieten verstrekken. Het gevolg is een investeringshausse die op een gegeven moment onhoudbaar blijkt. Net als nu hebben de banken dan een portefeuille slechte kredieten opgebouwd en een te lage solvabiliteit. In reactie gaat de kredietkraan dicht waarmee de crisis een feit is. Helaas voor minister Bos bieden de Oostenrijkers geen panklare oplossing om de kraan weer open te draaien. Sterker nog, het devies is uitzieken zodat de reële economie zich via herstructurering kan aanpassen aan de nieuwe monetaire condities. Iedere poging van de overheid om de pijn van dit proces te verzachten door actief ingrijpen veroorzaakt in Hayek’s visie alleen maar nieuwe verstoringen en verlengt de pijn van de tendens naar monetair evenwicht.

De monetaire theorieën van de Wicksellianen, Keynes en Hayek verdienen het om na 70 jaar te worden afgestoft. We treffen er veel kennis over de invloed van de institutionele ordening van de financiële sector op het evenwicht van de reële economie. Het is juist dit verband tussen monetaire sfeer en reële economie dat de economische wetenschap uit het oog is verloren. Dit falen is in belangrijke mate verantwoordelijk voor het feit dat ‘we’ de huidige crisis niet hebben zien aankomen. De dynamische stochastische algemene evenwichtsmodellen die populair zijn bij de grote economische instituten verklaren alleen het reële evenwicht en laten de rol van geld buiten beschouwing. Het probleem van de huidige crisis verdwijnt daarmee per definitie uit beeld.

Politiek en ideologie kleuren theorie

Met Wicksell c.s. kunnen we de monetaire conjunctuur in het juiste perspectief plaatsen, maar een waarschuwing is daarbij op zijn plaats. De debatten uit de jaren dertig leren ons dat theorie niet allesbepalend is en dat subjectieve visies op de werking van de economie vaak een doorslaggevende rol spelen. Hoe werkt het elastiek tussen natuurlijke en monetaire rentevoeten? Is de trekkracht voldoende om voor een automatisch tendens naar monetair evenwicht te zorgen? In feite zijn dit empirische vragen, maar bij gebrek aan empirie krijgen veronderstellingen over de aard van de evenwichtstendens alle ruimte. Keynes presenteerde in 1936 niet alleen een theorie maar ook een visie op een stagnerende economie die goed aansloot de economische realiteit. De Oostenrijkers sloegen hier de plank volledig mis met hun nadruk op de alomtegenwoordigheid van automatische evenwichtsmechanismen. Hayek ging pas na 1936 aan de slag met theorieën waarin werkloosheid een rol speelde, maar toen had hij de slag met de keynesianen al verloren.

Het is bemoedigend om te lezen dat de huidige SG en Thesaurier-generaal Ronald Gerritse van Financiën midden in de crisis een weekend de tijd neemt om The Great Crash, 1929 (1954) van John Kenneth Galbraith te lezen. (1) Het zal zonder meer zijn gevoel voor de cruciale rol van monetaire instituties op het functioneren van de economie hebben vergroot. Dit is een van de lessen die een speurtocht door de geschiedenis van het economische denken kan opleveren, zoals de monetaire macro-economie uit het interbellum ook laat zien.

Als Gerritse panklare oplossingen in de boekjes van weleer zoekt, komt hij echter bedrogen uit. Neem Verrijn Stuart in zijn oratie uit 1934. Hij bleek met zijn kritiek op Roosevelt’s New Deal uiteindelijk geen Keynesiaan avant la lettre. Roosevelt was naar de smaak van de latere SER-voorzitter te veel uit op een snelle verbetering van de positie van de arbeiders en vergat daarbij de cruciale rol van het “Finanzkapital”. Hier speelt mee dat Verrijn Stuart net als veel van zijn Nederlandse collega’s was opgeleid in de traditie van de Oostenrijkse school met een duidelijk liberale visie op de werking van de economie. Het is dus oppassen geblazen bij de studie van de geschiedenis van het economische denken. Het denken is niet louter theorie en empirie maar ook vaak politiek en ideologie. Daar moeten we bij onze speurtocht door het verleden rekening mee houden. De positieve bijdrage die op de zeef blijft liggen is vooral een onderzoeksagenda. Waarom weten we na al die jaren nog steeds niet hoe de interactie tussen monetaire en reële sfeer verloopt? Wat is de dynamiek achter de conjuncturele contracties en expansies in een monetaire economie? En bovenal: onder welke condities zorgt de onzichtbare hand snel genoeg voor evenwichtsherstel en wanneer moet de overheid een handje helpen? Het onwankelbare geloof in de evenwichtszoekende tendens van de vrije markteconomie moeten we maar als een dwaling van het verleden beschouwen.

Voetnoot:

(1) “De man achter het lijstje-Gerritse”, De Volkskrant, 17 maart 2009.

Referenties:

Willem Buiter, 2009. “Moderne macro-economen moeten eens goed in de spiegel kijken", Me Judice, jaargang 2, 30 maart 2009.

Amartya Sen, 2009. “Kapitalisme na de crisis”, Me Judice, jaargang 2, 2 april 2009.

Te citeren als

Bert Tieben, “Met Wicksell terug naar een relevante macro-economie”, Me Judice, 8 april 2009.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.