Microkrediet: wondermiddel of pijnstiller?

Leden van een kredietgroep voor een ger aan de rand van het dorp Ikhtamir
© Foto Ralph de Haas
17 jan 2012 | | 2883 keer bekeken
Is microkrediet een effectief middel om armoede te bestrijden? Veldexperimenten hebben tot dusver laten zien dat microkrediet zeker geen wondermiddel is. Een recente trend in microkrediet is een beweging weg van groepsleningen in de richting van individuele leningen. Op basis van een innovatief veldexperiment in Mongolië komt Ralph de Haas tot de conclusie dat dit een jammerlijke ontwikkeling is omdat voor bepaalde groepen klanten groepsleningen meer positieve effecten kunnen hebben dan individuele microkredieten.

Omarming microkrediet

Microkrediet wordt door velen in beleid en maatschappij als het panacee gezien om de armoede in ontwikkelingslanden te bestrijden. Door microleningen te investeren in kleinschalig ondernemerschap zouden de armsten ter wereld aan de armoedeval kunnen ontsnappen. Op termijn zou dit ook positieve gevolgen hebben voor scholing, gezondheid, en vrouwen-emancipatie in ontwikkelingslanden. Dit beeld werd in stand gehouden door slimme PR met aandoenlijke successverhalen over hoe mensen via een kleine lening hun leven, en dat van hun gezin, op ingrijpende wijze wisten te verbeteren.

Door dit positieve imago gingen ontwikkelingsorganisaties maar ook commerciele geldverstrekkers steeds meer investeren in microfinancieringsinstellingen (MFIs). Via www.kiva.org kon de goedbedoelende wereldburger ook een steentje bijdragen. En in 2006 ontving Muhammad Yunus, de oprichter van Grameen Bank in Bangladesh, de eerste MFI ter wereld, de Nobelprijs voor de Vrede. Al deze aandacht en financiering heeft de microfinancieringsbranche snel laten groeien. Soms te snel. In landen zoals Bosnië, India, en Marokko zijn veel klanten in betalingsproblemen gekomen en heeft de politiek – al dan niet terecht – ingegrepen. Het tij lijkt zich nu tegen microkrediet te keren.

Twijfel over effect microkrediet

Het scepticisme werd ook gevoed door een aantal recente en invloedrijke academische studies die gebruik maken van randomised controlled trials (RCTs). Zulke grootschalige veldexperimenten meten de effectiviteit van een sociale interventie –microfinanciering, het verstrekken van malarianetten, kleinere schoolklassen enz.– door net als bij een medisch experiment de interventie toe te kennen aan een behandelgroep maar niet aan een controlegroep. Doordat plaatsing in een van beide groepen volledig willekeurig (random) is, worden selectieproblemen voorkomen en kunnen de causale gevolgen van de interventie in kaart worden gebracht.

Dit type onderzoek wordt steeds meer in ontwikkelingslanden toegepast (zie bijvoorbeeld Duflo en Banerjee, 2011) maar zou ook in het ‘Westen’ gebruikt kunnen worden om beleid beter te evalueren (zie bijvoorbeeld de huidige discussie over het SCP-rapport Waar voor ons Belastinggeld?). Op deze wijze kunnen ontwikkelingsorganisaties en politici over hard bewijs beschikken over wat wel en wat niet werkt in de ontwikkelingsindustrie. Nu het budget voor ontwikkelingssamenwerking onder druk staat, wordt dergelijk bewijs nog belangrijker.

RCTs hebben tot dusverre laten zien dat de verwachtingen ten aanzien van microfinancieng te hoog gespannen waren. Het blijkt onmogelijk om aan te tonen dat microkrediet mensen systematisch aan armoede laat ontsnappen. Dat wil niet zeggen dat microkrediet nutteloos is. Sommige (maar lang niet alle) klanten gebruiken microkrediet om een klein en soms succesvol bedrijfje op te zetten. Anderen gebruiken een lening als een consumptief krediet om tijdelijke schokken op te vangen. In beide gevallen valt er echter geen groot effect op inkomens, gezondheid, of lange-termijn consumptiepatronen te ontdekken (zie Bauchet e.a. (2011) voor een evenwichtig overzicht).

Van groepslening naar individuele lening

Meer inzicht in de precieze impact van microkredieten blijft echter nodig, met name nu MFIs zelf aan het veranderen zijn. Veel organisaties hebben zich afgekeerd van de traditionele, onderpandsloze groepsleningen –zoals in het oorspronkelijke Grameen-model uit de jaren ’70– en zijn individuele microkredieten gaan verstrekken. Bij groepsleningen (joint-liability loans) is een kleine groep debiteuren verantwoordelijk voor het terugbetalen van elkaars leningen. Een debiteur wordt dus zelf als wanbetaler aangemerkt als een of meerdere groepsleden niet terugbetaalt. In dat geval worden bovendien alle leden de toegang tot nieuwe microkredieten ontzegd. Groepsleningen gaan vaak gepaard met wekelijkse en tijdrovende terugbetaalbijeenkomsten en zijn gebaseerd op sociale druk. Om deze redenen vinden klanten het vaak een moeizaam en vervelend proces. Dit is een van de belangrijkste redenen waarom veel MFIs op individuele leningen zijn overgestapt.

Het is enigszins verrassend dat er tot dusverre vrijwel geen bewijs bestaat dat individuele microkredieten beter zijn voor klanten dan ‘ouderwetse’ groepsleningen. Armendáriz en Morduch (2005), p. 101-102) verwoorden het zo:“In a perfect world, empirical researchers would be able to directly compare situations under group-lending contracts with comparable situations under traditional banking contracts. (…). The best evidence would come from well-designed deliberate experiments in which loan contracts are varied but everything else is kept the same.” In deze bijdrage presenteer ik dergelijk bewijs op basis van een grootschalig veldexperiment dat ik samen met mijn co-auteurs heb uitgevoerd in Mongolië (Attanasio, Augsburg, De Haas, Fitzsimons, en Harmgart, 2011).

Het experiment

Mongolië is een van de dunst bevolkte landen ter wereld. Deze lage bevolkingsdichtheid maakt het verstrekken, monitoren en terugbetalen van microkredieten een dure aangelegenheid. Het doel van ons experiment, uitgevoerd in samenwerking met de Mongoolse XacBank, was om uit te vinden of groepsleningen een effectieve en efficiënte manier kunnen zijn om de armste delen van de bevolking van financiële diensten te voorzien. In tegenstelling tot in veel andere ontwikkelingslanden, werden in Mongolië alleen individuele microkredieten verstrekt. Veel banken dachten dat de nomadische leefstijl van de bevolking de opbouw van sociaal kapitaal, nodig voor groepsdiscipline, teveel had belemmerd. Deze omgeving bood een uitgelezen kans om in een groot gebied voor het eerst groepsleningen te introduceren, maar dan op een random manier om zo hun impact te meten.

Ons experiment vond plaats in 40 dorpen (zie figuur 1). XacBank was met name geinteresseerd in het verstrekken van kredieten aan vrouwelijke en relatief arme klanten, een genegeerd marktsegment. In totaal deden 1148 vrouwen vanuit de armste sociale klassen mee aan het experiment.

Figuur 1: Deelnemende dorpen

Figuur 1: Deelnemende dorpen

In maart-april 2008 werd aan ieder van hen gedurende een face-to-face interview een groot aantal vragen voorgelegd (zie onderstaande foto). Tijdens dit gesprek werden gegevens verzameld over onder andere hun inkomen, consumptiepatronen, spaargedrag, hun eventuele kleine bedrijfjes, arbeidsaanbod, eigendom van activa, en informele transfers naar familie en vrienden.

Begin van het survey onder dorpsbewoners in Mongolië

Begin van het survey onder dorpsbewoners in Mongolië
Foto: Britta Augsburg

Na afloop van deze survey werd vanuit Londen volledig willekeurig beslist in welke 15 dorpen vrouwen toegang kregen tot individuele microkredieten, in welke 15 dorpen tot groepskredieten, en in welke 10 controledorpen XacBank geen kredieten introduceerde. Door het willekeurig toekennen van kredieten aan sommige dorpen maar niet aan andere, zorgen we ervoor dat aan het begin van het experiment het gemiddelde behandeldorp vrijwel identiek is aan het gemiddelde controledorp. Hierdoor kunnen we eventuele verschillen die we na afloop van het experiment vinden, toeschrijven aan de (groeps- of individuele) leningen.

De ‘behandelperiode’ gedurende welke XacBank microkredieten verstrekte in de 30 (2x15) behandeldorpen was anderhalf jaar, van april 2008 tot september 2009, met enige variatie tussen de dorpen. Gedurende deze periode leende 57 (50) procent van de deelneemsters in de groeps- (individuele) dorpen van XacBank.

Gedurende oktober-november 2009 voerden we een tweede ronde van interviews uit om het welwaartsniveau en economische activiteiten van alle vrouwen opnieuw te meten. We gebruikten de gegevens van beide interviewrondes om de impact van microkrediet te berekenen door alle deelneemsters in de controledorpen te vergelijken met alle deelneemsters in de behandeldorpen, onafhankelijk van de vraag of deze laatste ook daadwerkelijk allemaal geleend hadden (een conservatief intention-to-treat design).

Groeps- en individuele leningen: overeenkomsten...

Alhoewel XacBank’s leningen bedoeld waren om kleine ondernemingen te financieren, vinden we dat ongeveer de helft van alle microkredieten gebruikt werd voor huishoudelijke in plaats van bedrijfsmatige uitgaven. Dit bevestigt resultaten van eerdere studies en geldt voor zowel de groeps- als de individuele leningen. We vinden bijvoorbeeld dat aan het eind van het experiment de kans dat een deelnemend huishouden een videospeler of een radio bezat respectievelijk 17 en 14 procent groter was dan in de controledorpen. Voor witgoed waren deze percentages 9 en 7 procent.

Een tweede resultaat dat zowel geldt voor de individuele als de groepsdorpen is dat vrouwen met een laag opleidingsniveau het meest van de leningen profiteerden. Als we opleidingsniveau interpreteren als een benadering voor langetermijn-armoede, suggereert dit dat vooral de armste delen van de bevolking profijt hadden van de introductie van microkrediet.

Ten derde vinden we geen verschil in terugbetaalgedrag tussen beide programma’s. Giné en Karlan (2010) vergelijken ook de betaaldiscipline tussen groeps- en individuele leningen en vinden ook geen verschil.

... en verschillen

We vinden ook belangrijke verschillen tussen de effecten van beide typen leningen en deze suggereren dat groepsleningen effectiever zijn. Alleen voor groepsleningen vinden we een positief effect op ondernemerschap door vrouwen, een van de belangrijkste intermediaire doelen van de programma’s. Zoals gezegd wordt dit met name veroorzaakt door laagopgeleide vrouwen. Deze hebben aan het eind een 29 procent grotere kans om een eigen bedrijfje te runnen dan vergelijkbare vrouwen in controledorpen. Dit verschil is 10 procent voor hoger opgeleide vrouwen.

Heeft groeiend ondernemerschap ook geleid tot hogere welvaart van de desbetreffende huishoudens? Om deze vraag te beantwoorden analyseren we gedetailleerde informatie over consumptiepatronen. In de dorpen waar we groepskredieten introduceerden vinden we een significante en aanzienlijke toename in voedselconsumptie (vergeleken met de controledorpen). Toegang tot groepskrediet leidde tot meer en gezondere consumptie, met name van verse zaken zoals fruit, groente, en melkproducten. Totale voedselconsumptie was 17 procentpunten hoger. In de loop van de tijd vinden we ook een toename in het gebruik van brandstof en van vilt om gers –traditionele vilttenten (zie de foto bij de introductie)– te isoleren.

Individuele leningen blijken lang niet zo effectief. We vinden geen effect op ondernemerschap door de vrouwen zelf. We vinden wel dat in de loop van de tijd, wanneer vrouwen langer toegang hebben tot krediet, er een toenemende kans is dat ze een bedrijfje opzetten samen met hun partner. Het is echter onduidelijk of deze langetermijneffecten zich op dezelfde manier zullen vertalen in toenemende consumptie als bij groepsleningen. We vinden bijvoorbeeld geen enkele toename in voedselconsumptie in individuele dorpen.

Vooralsnog vinden we geen bewijs voor een toename in inkomen als gevolg van een van beide programma’s, alhoewel het simpelweg te vroeg kan zijn om dergelijke inkomenseffecten op te pikken. De meer aanhoudende en meer algemene toename in consumptie in de groepsdorpen lijkt echter aan te tonen dat dit type leningen effectiever is in het laten toenemen van het permanente inkomen. Waarom kan dat het geval zijn?

Een mogelijkheid is dat joint-liability zorgt voor betere discipline. Groepsdiscipline kan er voor zorgen dat een aanzienlijk deel van iedere lening ook daadwerkelijk geïnvesteerd wordt in plaats van geconsumeerd of doorgesluisd naar anderen. In ons onderzoek laten we resultaten zien voor informele geldoverdrachten die deze hypothese ondersteunen: we vinden dat vrouwen in groepsdorpen hun overdrachten naar vrienden en familie af laten nemen tijdens het experiment terwijl vrouwen in individuele dorpen deze juist toe laten nemen.

De grotere invloed van groepsleningen zou ook kunnen weerspiegelen dat groepsleningen een innovatieve manier van kredietverstrekking waren in Mongolië, zodat de vraag naar deze dienst – en daarmee de marginale invloed – groter kan zijn geweest. De vraag naar krediet was inderdaad groter in de groepsdorpen. Dit kan betekenen dat sommige vrouwen, met name de lageropgeleiden, niet zeker genoeg van hun zaak waren om op eigen houtje te lenen maar wel bereid waren om in groepsverband te lenen toen hun die kans geboden werd. Dat zou impliceren dat groeps- en individuele leningen complementaire financiële diensten zijn waarvoor de vraag verschilt tussen bevolkingsgroepen.

De toenemende focus van MFIs op individuele in plaats van groepsleningen kan het gevaar met zich brengen dat klanten die niet alleen willen of kunnen lenen, geleidelijk de toegang tot krediet verliezen. Daarom, en ook omdat we alleen voor groepsleningen een positief effect vinden op consumptie, lijkt het vooralsnog te vroeg om groepsleningen helemaal af te schrijven.

Referenties

Armendáriz, B., en J. Morduch (2005), The Economics of Microfinance, MIT Press, Cambridge.

Attanasio, O.,. B. Augsburg, R. De Haas, E. Fitzsimons, en H. Harmgart (2011), Group Lending or Individual Lending? Evidence from a Randomised Field Experiment in Mongolia, EBRD Working Paper No. 136, Londen.

Bauchet, J., C. Marshall, L. Starita, J. Thomas, en A. Yalouris, (2011), Latest Findings from Randomized Evaluations of Microfinance, CGAP, Washington, D.C.

Duflo, E., en A.V. Banerjee (2011), Arm & Kansrijk. Een Nieuwe Visie op het Bestrijden van Armoede, Nieuw Amsterdam.

Giné, X., en D. Karlan (2010), Group versus Individual Liability: Long-term Evidence from Philippine Microcredit Lending Groups, mimeo.

Bron foto: Ralph de Haas. De foto beeldt leden van een kredietgroep voor een ger aan de rand van het dorp Ikhtamir.

Te citeren als

Ralph de Haas, “Microkrediet: wondermiddel of pijnstiller?”, Me Judice, 17 januari 2012.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.