Miljarden voor ‘Franse’ industriepolitiek heeft Nederland niet nodig

Miljarden voor ‘Franse’ industriepolitiek heeft Nederland niet nodig image
10 sep 2009 | | 2345 keer bekeken
Werkgeversorganisaties grijpen de crisis aan om te pleiten voor een nieuwe industriepolitiek, gevoed uit de aardgasbaten. Dat is vooral een uitnodiging tot lobbywerk, stelt econoom Marcel Canoy. Zinniger is het de juiste voorwaarden voor economische groei te scheppen en publiek-private samenwerking aan te gaan, bijvoorbeeld bij instituten die wetenschap en industrie verbinden.

Nieuwe roep om industriepolitiek

Industriepolitiek kent een slechte pers, denk bijvoorbeeld aan de RSV-enquête, maar lijkt met een comeback bezig. Jan Kamminga, voorzitter van de werkgeversorganisatie van de metaal- en technologische industrie FME–CWM, en Cees Oudshoorn van werkgeversorganisatie VNO-NCW grijpen de kredietcrisis aan voor een hernieuwd pleidooi voor overheidsingrijpen, waarbij curieus genoeg naar Frankrijk als gidsland wordt verwezen.

Ondanks dat Fokker en RSV bij menigeen nog vers in het geheugen staan, kent industriepolitiek geen grote historie in Nederland. Het tegendeel is waar. Het vrijlaten van de markt ging zelfs zo ver dat het vormen van kartels lange tijd door de overheid een acceptabele manier van zakendoen gevonden werd. Het meest in het oog springende kenmerk van het overheidsbeleid van de afgelopen honderd jaar is dat het vooral voorwaardenscheppend is geweest: stabiele arbeidsverhoudingen, een gunstig fiscaal klimaat, adequaat onderwijs en een goede infrastructuur.

Industriepolitiek draait om de vraag of er een case te maken is voor actieve overheidsbemoeienis met specifieke bedrijfstakken. We hoeven ons daarbij niet te beperken tot de industrie, maar kunnen we ook de dienstensector erbij betrekken. Daarvoor geldt immers grofweg dezelfde logica.

‘Nederland kan niet achterblijven’

Wat kunnen valide redenen zijn voor een dergelijke actieve overheidsbemoeienis? Ten eerste kan het zijn dat zonder overheidsbemoeienis de betreffende sector op achterstand wordt gezet ten opzichte van het buitenland. Ten tweede kunnen er tijdelijk bijzondere omstandigheden zijn die ingrijpen rechtvaardigen. Ten derde kan de sector van nature al een rol van de overheid rechtvaardigen en is een actieve bemoeienis een manier om de sector het best tot zijn recht te laten komen.

De logica van Europese staatssteunregels is dat overheidsinterventies die gebaseerd zijn op ‘het buitenland doet het ook’ niet wenselijk zijn. Als België bijvoorbeeld zijn havengrond gratis zou weggeven aan Antwerpen is dat weliswaar vervelend voor Rotterdam, maar de oplossing is niet dat Rotterdam dat dan ook moet doen. Het is dan veel beter als België door de Europese Commissie op zijn vingers getikt wordt.

Bijzondere omstandigheden

Dan de tweede reden: bijzondere omstandigheden. Legitimeert de huidige crisis actieve overheidsparticipatie in bedrijven of sectoren? Bij banken is het al controversieel, al is daar nog de case te maken van tijdelijkheid en systeemrisico’s. Bij andere sectoren geldt dat veel minder. Het actief steunen van sectoren die door de crisis in zwaar weer zijn gekomen kent zoveel bedenkelijke bijwerkingen dat je er beter niet aan kunt beginnen. Economisch is het veel beter om maatregelen te nemen die de pijn te verzachten (zoals deeltijd-WW of herscholing), maar de prikkels zuiver houden.

Publieke belangen

Tot slot het derde argument: actieve interventies in sectoren waar een overheidsrol al van nature voor de hand ligt. De sectoren waar Nederland het van moet hebben – energie, milieu, zorg, voedsel, water, financiële dienstverlening - zijn allemaal sectoren waar hoogwaardige technologie en innovatie een belangrijke rol spelen. Ze kennen vaak combinaties van industrie en dienstverlening en zijn er publieke belangen in het geding.

Industriepolitiek nieuwe stijl zou zich moeten concentreren op de vraag hoe de kansen voor ondernemerschap en innovatie maximaal benut kunnen worden, terwijl tegelijkertijd de publieke belangen worden geborgd. Daarbij dient het besmette woord industriepolitiek snel vervangen te worden door een beter woord. De in Haagse kringen genoemde term ‘structuurversterking’ is misschien weinig sexy, maar dekt de lading wel beter.

Van staatsfondsen en staatsbanken

De waaromvraag van industriepolitiek is hiermee beantwoord, maar minstens even belangrijk is de hoe-vraag. Cees Oudshoorn pleit een op Franse leest geschoeide aanpak, via het vrijmaken van maar liefst 150-200 miljard van de aardgasbaten voor een staatsfonds, terwijl Kamminga de Nationale Investeringbank (NIB) weer nieuw leven wil inblazen. Het klinkt misschien sympathiek, maar het werkt slecht.

Een deel van de aardgasbaten wordt al jaren gebruikt voor het versterken van de structuur (het FES-fonds). Ministeries dienen projecten in die beoordeeld worden door het Centraal Planbureau (CPB) en een Commissie van Wijzen. Zoals vanuit mijn CPB-tijd alsook uit recente ervaringen (toen mijn huidige werkgever Ecorys de projecten samen met het CPB beoordeelde) weet ik dat de gemiddelde kwaliteit van de ingediende projecten behoorlijk laag is. Het lijkt erop dat ministeries projecten liever zonder strenge beoordeling realiseren. Daardoor versmalt het FES tot een terugvaloptie voor projecten die niet op andere manier gefinancierd kunnen worden. Niet echt waar het fonds voor is bedoeld. Voor je zo’n fonds zou willen uitbreiden, moet er heel wat worden veranderd aan de opzet.

Ook het pleidooi voor een NIB nieuw stijl snap ik niet. Die is niet voor niets ontmanteld. De overheid heeft namelijk een zeer slechte track record in het beoordelen van risico’s, waardoor zoiets al snel ontaardt in een lobbycircus en verspilling van belastinggeld. Het noemen van Frankrijk als gidsland is al helemaal opmerkelijk, juist omdat dat land al jarenlang in de clinch ligt met de Europese Commissie vanwege haar dubieuze gedrag op het gebied van staatssteun.

Bij alle vormen van subsidies en fondsen geldt dat het bedrijfsleven in een prisoner’s dilemma belandt. Eigenlijk willen bedrijven helemaal geen tijd en geld verspillen aan lobby’s met onzekere uitkomsten (de politiek is immers grillig), omdat dat van de kerntaken afleidt. Maar als de concurrent het ook doet en een zak geld lonkt, wordt het vlees zwak.

Geen rode draad in huidig beleid

Wat is de lijn van de huidige regering? In de Industriebrief 2008 heeft het Ministerie van Economische Zaken zich sterk laten leiden door de knelpunten die de doelgroep, de Nederlandse industrie, waarneemt. Dit heeft veelal geleid tot het intensiveren van bestaand beleid. Een opvallende (en goede) maatregel is het gemakkelijker maken om kennismigranten aan te trekken. Ook streeft men een betere aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt (vooral middelbaar beroepsonderwijs) na.

Een rode draad valt in dit beleid niet te bespeuren. Ook stemt het naar beneden bijstellen van de innovatieambitie tot het gemiddelde van de OECD bedroefd. Hoe moet het dan wel? Uit buitenlandse ervaringen en lessen uit het verleden kunnen de volgende punten gedestilleerd worden.

Ten eerste zijn goede randvoorwaarden essentieel. De woon- en leefomgeving moet schoon en veilig zijn met voldoende hoogwaardige culturele voorzieningen. De administratieve lasten moeten beperkt worden. Voorwaardenscheppend beleid is nooit klaar (zo kan aanhoudend gegraai stabiele arbeidsverhoudingen op het spel zetten), maar Nederland heeft in ieder geval een lange traditie op dit gebied.

Ten tweede zijn de sectoren van de toekomst vaak regionaal gebonden. Dit wordt zichtbaar in ‘Pieken in de Delta’: het regionale innovatiebeleid. Clusters van hoogwaardige kennis, in samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen, vormen de basis voor gezamenlijke projecten op tal van terreinen. Uit buitenlandse ervaringen blijkt dat succes mede bepaald wordt door de mate waarin regionaal en nationaal beleid op elkaar zijn afgestemd. In ‘Pieken in de Delta’ lijkt dat aardig gelukt. Nationale en regionale speerpunten zijn met elkaar in verband gebracht en hebben een gebiedsgerichte uitwerking gekregen. Tot zover het goede nieuws.

Waaier aan maatregelen

Het Nederlandse beleid kenmerkt zich door een flinke waaier van elkaar soms versterkende soms tegenwerkende initiatieven en subsidies. Meiny Prins, zakenvrouw van het jaar 2009, pleit in deze krant voor het volledig afschaffen van alle innovatiesubsidies omdat het allemaal te ingewikkeld is en ze vooral grote bedrijven bevoordelen. Het Innovatieplatform was een poging om beleid te stroomlijnen, maar lijkt nog weinig herkenbare of concrete resultaten te hebben opgeleverd. Buitenlandse ervaringen zijn nooit zaligmakend, maar van het veel aangehaalde Finland kan ieder geval gezegd worden dat het land al jaren een consistente visie heeft en die ook uitdraagt.

Naast het belang van een consistent visie is, blijken ook alle succesvolle landen en regio’s een voortreffelijk wetenschappelijk klimaat te hebben en een goede aansluiting tussen wetenschap en industrie. Nederland scoort volgens de OECD op zijn best gemengd. Het is al jaren bekend maar veel lijkt er niet te gebeuren, onder meer omdat het verantwoordelijke ministerie (OCW) wellicht te dicht tegen de sector aan schurkt. Er is wat te zeggen voor het weghalen van hoger onderwijs bij dat ministerie om zodoende een dynamischere omgeving te stimuleren voor de wetenschap. Misschien dat universiteiten dan ook eindelijk eens kunnen selecteren aan de poort en collegegelddifferentiatie kunnen invoeren opdat ze de internationale concurrentie aan kunnen gaan.

Publiek-private samenwerking

Tot slot, als de rol van de overheid niet via subsidiekranen loopt, hoe kan dan wel een mix gevonden worden tussen publieke belangen en dynamiek? Uit buitenlandse ervaringen blijkt dat overheid en bedrijfsleven via publiekprivate samenwerking op maat gesneden oplossingen kunnen bedenken. In Nederland kennen we dat nauwelijks. En als we het kennen, dreigt de overheid zich terug te trekken zoals bij Topinstituut Pharma. Hier liggen dus kansen voor Nederland.

Industriepolitiek nieuwe stijl betekent het versterken van de Nederlandse economische structuur. Dit kan door een aantal goede randvoorwaarden te creëren, maar ook door op maat gesneden publiekprivate oplossingen. De overheid kan hierbij de crisis aangrijpen om andere doelstellingen zoals duurzaamheid en het terugdringen van gegraai en passent te realiseren. Pleidooien voor fondsen en subsidies slaan de plank mis. Nederland scoort redelijk tot goed op het gebied van voorwaardenscheppend beleid en regionaal beleid. Op het gebied van consistente visie, wetenschap en publiek-private samenwerking is er echter nog een wereld te winnen.

*Dit artikel is in aangepaste vorm eerder verschenen in Het Financieele Dagblad, 7 september 2009.

Te citeren als

Marcel Canoy, “Miljarden voor ‘Franse’ industriepolitiek heeft Nederland niet nodig”, Me Judice, 10 september 2009.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.