Modellen in soorten en maten – een reactie op Martin Fase

Logic Piano
Afbeelding ‘Logic Piano’ van Kevan (CC BY 2.0)
9 dec 2011 | | 1890 keer bekeken
De kritiek van Martin Fase dat Harro Maas in zijn analyse van het economisch denken de geschiedenis verkeerd voorstelt wordt hier van een repliek voorzien. Volgens Maas is de kritiek ongebalanceerd. Zijn analyse van de modelpraktijk is dat economen te veel vertrouwen op hun modellen en zijn pleidooi is dat economie een pluralistische benadering moet nastreven en niet een eenzijdige blik. Maas ziet vooralsnog geen tekenen dat economen op dit vlak van de crisis hebben geleerd.

Bijdrage Fase aan modelbouw

Het doet me genoegen dat uitgerekend een van de weinige economen in Nederland die historisch besef niet kan worden ontzegd, reageert op mijn opinie-bijdrage in Trouw van 18 November jl. In woord en geschrift heeft Fase op meerdere plaatsen belangrijke bijdragen geleverd aan een beter begrip van de geschiedenis van De Nederlandsche Bank en van de geschiedenis van de monetaire theorie en beleidspraktijk, met name de Nederlandse. Tevens stond Fase aan de wieg van een van de belangrijkste wijzigingen in de voorbereiding van het monetaire beleid in Nederland; de ontwikkeling van het MORKMON model van DNB in de zeventiger jaren en de eerste helft van de jaren tachtig. Dat model was een geïntegreerd model van de monetaire en reële sector van de Nederlandse economie, het eerste model in zijn soort, en was ontwikkeld met het doel de in toenemende mate als verouderd ervaren monetaire beleidsanalyse die ontwikkeld was onder de eerste naoorlogse Bankpresident Marius Holtrop (de zogenaamde impulsanalyse) te vervangen. Pas onlangs is dit model door een nieuw model, het DELPHI model, vervangen. Fase is dus als geen ander in staat een gebalanceerd oordeel te geven over de bijdrage die geschiedenis en econometrische modellen aan ons begrip van de huidige financiële crisis (en de economie meer in het algemeen) kunnen leveren. Maar zoals Fase mijn bijdrage als ‘wel wat eenzijdig’ bestempelt, en gedeeltelijk terecht, mist ook hij het evenwicht.

Vele soorten modellen

Fase merkt terecht op dat modellen er in soorten en maten zijn. De laatste alinea van mijn bijdrage wekt de indruk dat ik inderdaad modelleren in al zijn verschijningsvormen uit de economie zou willen verbannen. Maar zelfs daar maak ik duidelijk dat ik bezwaar maak tegen economen die alleen op hun modellen vertrouwen. Uit mijn bijdrage wordt duidelijk dat het me gaat om een specifiek soort modellen, namelijk Dynamic Stochastic General Equilibrium (DSGE) modellen, ook al gebruik ik dat label in het artikel zelf niet. Voor een lezer zonder enige achtergrond is een dergelijk label niet informatief, voor de goede verstaander is er geen misverstand. Dat zijn zeker niet de enig mogelijke modellen, en ook in de kolommen van MeJudice is er uitgebreid over de merites van dergelijke modellen, in vergelijking met andere modellen gedebatteerd.

Laat ik hier met name verwijzen naar de discussie tussen Wouter den Haan (toen UvA, nu LSE) en Dirk Bezemer (RUG). Ik signaleer dat diegenen die, zoals Bezemer, kiezen voor een andere benadering, zich buiten de consensus stellen die zich in academia en beleidsinstellingen zoals de FED, Wereldbank, maar ook het CPB, lijkt af te tekenen. Ik ontken geenszins dat dergelijke modellen academische hoogstandjes zijn en een enorme intellectuele arbeid vereisen, ik constateer alleen, en daar sta ik verre van alleen in, dat dergelijke modellen op zeer restrictieve aannamen berusten en werp de vraag op of ‘wij’ inderdaad deze weg op willen of dat een bredere, andere blik op de economie niet alleen economen, maar ook economisch beleid, van dienst zou zijn. Driehuis en Van der Zwan wezen er aan het eind van de jaren zeventig al op dat een monopolie in modelpraktijk een slechte zaak is, en was het niet zo dat aan de ontwikkeling van MORKMON op DNB onder andere de wens ten grondslag lag, het modelmonopolie van het CPB te doorbreken. In de huidige situatie gaat het niet alleen om de monopolie van een bepaald soort instituut (zoals het CPB) maar om het monopolie van een bepaalde kijk op de economie, zoals die in DSGE modellen tot uitdrukking wordt gebracht. Overigens op uitdrukkelijk verzoek van de opinie-redactie van Trouw stelde ik mij in mijn bijdrage niet ten doel ‘de oorzaken van de crisis’ zelf te onderzoeken, maar in te gaan op de eenzijdige benadering die economen, niet alleen in academia, maar ook in beleidsinstellingen, heden ten dage in hun onderzoek, en, inderdaad, in hun modelpraktijk, volgen.

Eenzijdige blik

Fase gaat aan dit aspect van mijn bijdrage iets te soepeltjes voorbij. Hij schrijft dat ‘we weten … dat incidentele gebeurtenissen soms een grote niet altijd voorspelbare invloed hebben’ op de economie, en het is verre van mij dat te ontkennen. Maar de huidige dominante modelpraktijk maakt dat het alleen maar incidentele gebeurtenissen zijn, die tot onvoorspelbare veranderingen leiden. De huidige modelpraktijk maakt het tevens irrelevant om buiten de informatie die in de statistische data is opgeslagen te zoeken naar verklaringen en oorzaken van ‘de economische gang van zaken’. Dat is per slot van rekening de consequentie van de gedachte dat alle aanwezige informatie in de markt in de prijsvorming is verwerkt. Er is een ‘golden standard’ van goed onderzoek, en de rest kan eenvoudigweg worden genegeerd. Op de sessie die afgelopen jaar op de Allied Social Science Associations (ASSA) aan de geschiedenis van rationele verwachtingen werd gewijd, stelde Robert Lucas dat tegenwoordig niemand natuurlijk de ‘nonsense of cobweb theorems’ nog serieus nam. Endogene conjunctuurcycli met onevenwichtigheden in de economie, waar Tinbergen juist zoveel onderzoek naar deed, wie gelooft daar nog in? Ik onderschrijf geheel Fase’s uitdrukking ‘de hype van marktwerking’, maar ben benieuwd naar de ‘lessen’ die we daar ‘thans’ wereldwijd uit trekken. In economenland zie ik die lessen niet, integendeel. En in mijn bijdrage wijt ik dat aan een specifiek soort modelpraktijk. En om in ieder geval een onjuistheid in Fase’s bijdrage uit de weg te ruimen: ik verwijs er in mijn stuk uitdrukkelijk naar dat het Robert Lucas was die slechts een aantal jaren geleden beweerde dat het vraagstuk van conjunctuurcycli was opgelost.

Gebrek aan academische vorming

Die specifieke modelpraktijk is nauw verbonden met een tweede aspect waar Fase naar mijn mening wat al te luchtig over spreekt: de academische vorming en de praktische sporen die deze met zich draagt. ‘Dat is niets bijzonders’. Terecht wijst Fase erop dat de economische wetenschap geen natuurwetenschap is, maar als die wel als zodanig wordt gedoceerd, is er een probleem. Niemand zal het in zijn hoofd halen om de wetten van de thermodynamica ter discussie te stellen. Maar ‘rationele verwachtingen’, ‘optimaliserend gedrag’ en ‘evenwicht’ hebben eenvoudigweg niet deze status en het is een hele slechte zaak dat deze wel zo worden gedoceerd. Een historicus en methodoloog van de economie heeft het volste recht in deze niet alleen aan de zijlijn te staan, maar daar een duidelijk standpunt over in te nemen. Als historicus door te laten zien hoe dergelijke principes naar het front van de economische wetenschap schoven, als methodoloog door de beperkingen van het instrumentarium van een econoom in het zicht van een complexe en veranderlijke werkelijkheid te tonen.

Wie een blik werpt op de herkomst van presidenten, vice-presidenten en commissie-leden van de American Economic Association ziet dat deze op een enkele uitzondering na verbonden zijn aan een zeer beperkt aantal universiteiten, Harvard, Yale, Princeton, Chicago, MIT. Ja, dat zijn belangrijke en toonaangevende universiteiten. Wie kijkt naar de herkomst van Nobel memorial prize winnaars (die zoals we weten wordt uitgereikt door de Zweedse Riskbank) ziet een gelijk beeld. Wie kijkt, zoals onder anderen Arjo Klamer en David Colander (1990) hebben gedaan, naar de PhD programma’s van universiteiten ziet dat deze meer en meer in één richting worden toegesneden en ook eenvormigheid tentoonspreiden. Hetzelfde probeert natuurlijk het Tinbergen Instituut in Nederland te bereiken door (heel braaf) dergelijke PhD programs na te bootsen. Het is te gemakkelijk om te zeggen dat dat niets bijzonders is. Dat is het wel. Het zou ook te gemakkelijk zijn te antwoorden dat we hier te maken hebben met ‘the best and the brightest’ die we dus moeten volgen. Integendeel, de hiërarchie van Nobel memorial prize tot en met training van graduate students gemodelleerd naar een aantal Amerikaanse topscholen, kan ook gezien worden als een systeem van perverse prikkels waarin een ‘gold standard’ van onderzoek andere benaderingen en inzichten wegdrukt.

De bijdrage van geschiedenis

Ik ben ervan overtuigd dat Fase Friedman en Schwartz’ A Monetary History of the United States, 1867-1960 (1963) met meer dan historische belangstelling gelezen heeft, maar ik maak me sterk dat de huidige ‘grad student’ met specialisatie monetaire theorie, als hij of zij de titel al kent, de inhoud zal afdoen als verouderd, want niet beantwoordend aan de huidige standaard van onderzoek. Dat boek is een goed voorbeeld van onderzoek dat in methode van werken eerder aansluit bij de historische, institutionele benadering van Friedmans leermeester Arthur Burns en Wesley Mitchell, dan bij de structurele modellenbouw die toen zijn hoogtepunt beleefde (en waarover Friedman altijd zeer kritisch was – en inderdaad, die modellen waren van een heel andere soort dan de tegenwoordige DSGE modellen).

Individuele en historische voorbeelden kunnen misleidend zijn, maar statistiek, al dan niet gebaseerd op een steekproef, eveneens. Juist door het negeren van William Farrs tabellen en door zich op een voorbeeld te concentreren was John Snow halverwege de negentiende eeuw in staat de oorzaak van de cholera-epidemie in Londen op het spoor te komen. De statistieken lieten een ondubbelzinnig verband zien tussen het aantal zieken en de hoogte waar woningen lagen; hoger op de heuvel, minder gevallen van cholera. Farr concludeerde volkomen ten onrechte, weten we dankzij Snow, dat de oorzaak gezocht moest worden in de kwaliteit van de lucht.

Waar Snow (en Friedman en Schwartz) oog had voor het specifieke, kan historisch onderzoek naar crises behulpzaam zijn het specifieke karakter van de huidige crisis op het spoor te komen, en daarmee behulpzaam zijn bij het zoeken naar oplossingen. Maar dat betekent dat ook economenland zich open moet stellen voor onderzoek dat aan andere criteria gehoorzaamt dan waaraan zij zich hebben gewend. Ik kan het alleen maar toejuichen dat Fase zoekt naar historische voorbeelden (Witteveen) waarvan we kunnen leren. Maar dat betekent ook dat economen hier weer eens verder moeten leren kijken dan het Verdrag van Maastricht. Ik geloof niet dat ik in mijn stuk heb geschreven dat modellen die uitgaan van rationele verwachtingen en marktevenwicht de oorzaak van de crisis zijn (ook al komt Black-Scholes akelig dicht in de buurt), maar een praktijk van economiebeoefening die krampachtig aan deze uitgangspunten vasthoudt, zal een oplossing zeker niet dichterbij brengen.

Referenties

Friedman, M. en A. Schwartz, 1963, A Monetary History of the United States, 1867-1960, NBER. Princeton University Press.

Haan, W. den, 2009, “Gooi niet alle macro-economische modellen op één hoop”, Me Judice, 21 oktober 2009.

Klamer, A., en D. Colander, 1990, The Making of An Economist, Westview Press, Boulder.

Te citeren als

Harro Maas, “Modellen in soorten en maten – een reactie op Martin Fase”, Me Judice, 9 december 2011.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.