Ontwikkelingsorganisaties zijn meer dan het verlengstuk van Koenders’ beleid

Ontwikkelingsorganisaties zijn meer dan het verlengstuk van Koenders’ beleid image
Afbeelding ‘EEN Poverty Requiem’ van oxfamnovib (CC BY-ND 2.0)
23 apr 2009 |
Meer samenwerking tussen maatschappelijke ontwikkelingsorganisaties, zoals minister Koenders in zijn nieuwe nota bepleit, is goed. Niet goed is dat de overheid de zelfstandigheid van deze organisaties tegelijkertijd in wil perken door het aanbesteden van projecten in ontwikkelingslanden en een grotere rol van ambassades. Dit is teveel overheidsinmenging stelt de Nijmeegse econoom en bestuurslid van een ontwikkelingsorganisatie Eelke de Jong.

In zijn vorige week gepresenteerde nota ‘Samenwerken, Maatwerk, Meerwaarde’ zet minister Koenders in op samenwerking tussen ontwikkelingsorganisaties zowel in het Noorden als in het Zuiden. Om samenwerking te bevorderen, heeft hij een maximum gesteld aan het aantal organisaties of allianties dat een subsidieaanvraag kan indienen. Dertig verschillende aanvragen, dat is het wat Koenders betreft.

De minister hoopt hiermee te bereiken dat de plannen beter op elkaar worden afgestemd en de effectiviteit wordt vergroot. Naast samenwerking tussen ontwikkelingsorganisaties onderling wil hij ook bevorderen dat er samengewerkt wordt met andere organisaties zoals bedrijven, consumentenorganisaties en universiteiten.

Samenwerking bevordert effectiviteit

Ik denk dat dit een gezond streven is. Een intensievere samenwerking in Nederland, maar ook in de ontwikkelingslanden zal de effectiviteit van het werk en het draagvlak ten goede komen. Ontwikkelingssamenwerking is een zaak van iedereen, van maatschappelijk verantwoorde bedrijven, van vakbonden, van kerken, van overheidsinstellingen, hier in Nederland en daar in het Zuiden. Het is overigens niet zo dat ontwikkelingsorganisaties uit zichzelf deze stap niet maken. Zo is bij de vorige subsidieronde het grootste bedrag binnengehaald door de ICCO-Aliantie die bestaat uit ICCO, Kerk in Aktie, Edukans, Share People, Oikocredit en Prisma. Hiervan is Prisma op zich weer een samenwerkingsverband. Bovendien hebben verschillende van deze organisaties samenwerkingsverbanden met het bedrijfsleven en universiteiten.

Meer zeggenschap voor organisaties in ontwikkelingslanden

Ook ondersteun ik het streven van Koenders dat Nederlandse organisaties meer zeggenschap gunnen aan Zuidelijke maatschappelijke organisaties. Deze organisaties hebben de afgelopen jaren aan kracht gewonnen en moeten daarom meer betrokken worden bij de inhoud en besluitvorming rond beleid en prioriteiten. Ook op dit punt zijn al stappen gezet. ICCO is een aantal jaren geleden al begonnen hier vorm aan te geven door Regionale Raden op te richten in bijvoorbeeld West-Afrika en in Zuid-Azië. In deze Raden zitten mensen uit de landen zelf – een vakbondspersoon, een ondernemer, een hoogleraar, een jongere – die het beleid van ICCO in deze regio’s mede helpen bepalen. Zij helpen mee oplossingen te bedenken over grensoverschrijdende problemen zoals het klimaat, internationale conflicten, handelsketens rond biologisch katoen, tropisch fruit of duurzaam geproduceerd hardhout. Problemen waar wij in Nederland ook een rol in kunnen en moeten spelen. Een verandering in consumeren, produceren en beleid is immers cruciaal voor een rechtvaardige ontwikkeling.

Gevaar van kluitjesvoetbal

Tot zover de lof van mijn kant voor de plannen van de minister. Kritisch sta ik tegenover zijn eis dat 60 procent van de ontvangen subsidies uitgegeven moet worden in partnerlanden van de Nederlandse overheid. Hiervoor bevordert Koenders het ‘kluitjesvoetbal’ waarvan de sector een paar maanden geleden nog is beticht in het proefschrift van Dirk-Jan Koch (2009). We lopen het risico dat landen die niet bekend staan als donor darlings vergeten worden.

Over de grenzen heen

Een ander kritisch punt is het streven van de minister naar steun aan ontwikkelingsprogramma’s op het niveau van afzonderlijke landen. Ten opzichte van regio’s binnen landen kan dat een voordeel zijn, maar veel problemen zijn in toenemende mate grensoverschrijdend. Denk maar aan de conflicten in de Grote Merenregio of de gevolgen van klimaatverandering en de economische crisis.

Protest tegen handelsverdragen mag

Verder is de houding van Koenders ten opzichte van het maatschappelijk middenveld ambivalent. Aan de ene kant prijst hij deze organisaties, omdat ze dichtbij de basis staan. Zij moeten overheden scherp houden en ter verantwoording roepen (p.8). Verder moeten ze een rol spelen bij het tot stand brengen van meer rechtvaardige internationale verhoudingen (p.9). Dit impliceert dus het protesteren tegen de verdragen van de EU met ontwikkelingslanden. Ik ben benieuwd hoe het kabinet reageert als hierbij korte termijn belangen van Nederlandse bedrijven aangetast worden. Het is in ieder geval een veel positievere houding ten aanzien van deze organisaties dan tijdens vorige kabinetten Balkenende, toen dergelijke protesten niet gewaardeerd werden. Maatschappelijke organisaties moesten vooral het kabinetsbeleid steunen. ‘We verlenen geen subsidie voor tegenwerkers’, was het adagium.

Invloed via aanbesteding in Zuiden en ambassades

Koenders lijkt een andere mening te zijn toegedaan, al heeft hij daar wel weer moeite mee. Hij stelt namelijk dat in overleg met donoren en nationale overheid de aanbesteding in het Zuiden zal plaatsvinden (p.6). Daarmee ondermijnt hij als Nederlandse overheid direct de onafhankelijke en eigenstandige rol van maatschappelijke organisaties in ontwikkelingslanden, die vaak zeer kritisch opereren ten aanzien van hun eigen overheid wanneer deze de mensenrechten schendt, corrupt is of slecht bestuur voert.

In het verlengde hiervan ligt mijn kritiek op zijn doelstelling om jaarlijks het aantal directe financieringen van maatschappelijke organisaties in het Zuiden via de ambassades te laten toenemen. Ook dit riekt naar een visie waarbij maatschappelijke organisaties worden beschouwd als onderaannemers van het Nederlands beleid. Hiermee gaat hij direct in tegen zijn visie dat deze organisaties juist als tegenwicht en kritische beschouwer van de overheid beschouwd moeten worden. Bovendien geeft Koenders zelf hiermee aan de Zuidelijke organisaties niet die verantwoordelijkheid die zij volgens hem zouden verdienen van de Nederlandse maatschappelijke organisaties. Hier lijkt gebruik gemaakt te worden van dubbele standaarden ten aanzien van het Nederlandse overheidsbeleid en dat van Nederlandse particuliere organisaties. Naar mijn mening moet ook de Nederlandse overheid openstaan voor voorstellen uit het Zuiden en organisaties daar beschouwen als krachtige en zelfbewuste organisaties die goed in staat zijn om zelf te bepalen waar veranderingen in hun eigen maatschappij nodig zijn.

Kortom, deze nota verdient lof voor het initiatief samenwerking te bevorderen tussen maatschappelijke organisaties onderling en tussen deze organisaties en andere private actoren. Ook de nadruk op de kwaliteiten van organisaties in het Zuiden is een juiste. De minister heeft echter moeite met het vinden van een balans tussen de rol van maatschappelijke organisaties als onafhankelijke kritische instellingen en als verlengstuk van het overheidsbeleid. Hierin is de nota niet evenwichtig. Er dreigt een overheidsinmenging die juist de rol van kritische volger van de overheid bemoeilijkt.

* Eelke de Jong is bestuurslid van ontwikkelingsorganisatie Interchurch Organisation for Development Co-operation (ICCO). Dit artikel is in verkorte vorm gepubliceerd in Nederlands Dagblad.

Referenties

Koch, Dirk-Jan, 2009, Aid from International NGOs - Blind spots on the map of aid allocation, proefschrift, Radboud Universiteit Nijmegen.

Te citeren als

Eelke de Jong, “Ontwikkelingsorganisaties zijn meer dan het verlengstuk van Koenders’ beleid”, Me Judice, 23 april 2009.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.