Piketty over ongelijkheid: sterke analyse met zwakke voorstellen

23 jun 2014 |
De Fransman Piketty heeft een hype ontketend over het vraagstuk van de inkomens- en vermogensongelijkheid. De gelijkenis van zijn werk met dat van Marx is onmiskenbaar. De meeste ophef komt echter voort uit de beleidsaanbevelingen die Piketty geeft. Volgens Willem Landman is de aandacht voor de vermogensongelijkheid gerechtvaardigd maar leiden de oplossingen die Piketty aandraagt niet tot een vermindering van ongelijkheid.

Rages

De oorsprong van alle kennis is verbazing. Ik kon mij, in retrospectief, altijd in hoge mate verbazen hoe vroeger op het schoolplein de ene na de ander rage voorbij trok en weer opdook. Zonder dat daartoe overleg plaatsvond, of de besluitvorming door buitenstaanders werd aangestuurd, nam iedereen, als een donderslag bij heldere hemel, van de ene op de andere dag opeens knikkers mee en werden de tollen weer in de kast gesmeten. Het blijft een verbazingwekkend fenomeen hoe deze bezigheden zich ontwikkelden zonder een duidelijke bron.

In de economische wetenschap is de dynamiek van het vroegere schoolplein te herkennen. Opeens staan bladen en kranten vol van een nieuwe ‘god’ die een indrukwekkend boek heeft geschreven dat de wereld op zijn kop zal zetten en … waarvan je na een na een paar maanden wellicht niets meer hoort. Of toch wel en biedt deze nieuwe ster aan het firmament een analyse van en een oplossing voor de toenemende economische ongelijkheid?

Momenteel is de 42-jarige fransman Thomas Piketty de nieuwe rage. Hij schreef een indrukwekkend boek getiteld “Le Capital au XXIe siècle” dat in februari van dit jaar in een Engelse vertaling uitkwam en daarna meteen door de critici werd gelauwerd. Het Britse Prospect Magazine riep hem uit tot een van de meest invloedrijkste denkers van deze tijd en The Economist” van mei 2014 meldde :”hij zet ons denken over de economie op zijn kop”.

De nieuwe Marx

Door sommigen wordt hij reeds de Marx van onze tijd genoemd en er zijn inderdaad zeer grote overeenkomsten tussen Piketty en Marx te herkennen. Neem alleen de historische inslag. Ook Marx vrat zich door stapels geschriften heen om zich een beeld te vormen van vroegere tijden. Piketty stelt in zijn uitermate goed gedocumenteerde werk dat als de huidige economische ontwikkeling doorzet de 21e eeuw, net zoals de 19e eeuw waarin Marx leefde, een tijdperk van grote ongelijkheid in rijkdom en inkomen wordt. Een piepkleine bezittende klasse leeft van erfenissen en flinke rendementen op hun vermogen en de rest van de wereld knoopt de eindjes aan elkaar met loon uit arbeid, loon dat nauwelijks groeit. De economie groeit immers volgens zijn berekeningen met 1 à 1,5%, terwijl het rendement op vermogen tussen de 5 en 6% ligt. Niet dat economische ongelijkheid nu een nieuw fenomeen is, dat is van alle tijden, maar Piketty legt in zijn boek met een genadeloze precisie en met een grote hoeveelheid data de hedendaagse groei van het kapitaal bloot. Zo toont hij aan dat veertig jaar geleden in de rijke landen de omvang van het private vermogen nog twee tot drie maal zo groot was als het nationaal inkomen, maar dat dit inmiddels is toegenomen tot vijf à zes keer. In Europa bezit de armste 50% van de bevolking 5% van het totale vermogen terwijl de rijkste 10% maar liefst 60% in handen heeft. Deze rijkdom blijft door erfenissen steeds verder accumuleren.

De oude Marx

Reeds eerder kwam dit in de geschiedenis voor. In het door Marx geschreven meesterwerk “Das Kapital” (1867) stelt hij in het beroemde vierentwintigste hoofdstuk van het eerste deel dat aan de zogenaamde ”oorspronkelijke accumulatie” is gewijd:

“gewelddadige plundering, zeeroof en slavenroof hebben rond de 9e en 10e eeuw een rol gespeeld bij de ontplooiing van de Italiaanse steden. Reeds in de middeleeuwen bestaat er op het gebied van het koopmans- en bankkapitaal een vóór-kapitalistische concurrentie van kapitalen, die zelfs een zekere egalisering van de winstvoeten met zich meebrengt.”

Marx legt vooral de nadruk op de maatschappelijke voorwaarden van opeenhoping van kapitaal. De belangrijkste voorwaarde is volgens hem de bezitsscheiding tussen enerzijds traditionele producenten (de boeren) en anderzijds de productiemiddelen, hoofdzakelijk grond en bodem. Daarnaast analyseert hij de economische oorsprong van het middels plundering vergaarde en opeengehoopte kapitaal:

  • plundering van het buitenland (het koloniale systeem);
  • plundering van de eigen bevolking (belastingpacht en een systeem van protectie); en
  • plundering van de staat (systeem van staatsschulden).

Daarbij benadrukt hij tevens de ongelijke ruil in de kapitalistische productiewijze waardoor het kapitaal zich meerwaarde toegeëigend heeft. Woekerkapitaal en koopmanskapitaal in de middeleeuwen vormen daartoe de aanloop. Marx verklaart hoe in een bijna volledig natuurlijke economie, met een gebrek aan geld en kapitaal, de opeenhoping en uitbreiding van grotere geld- en kapitaalmassa’s kon plaatsvinden. Woeker, vorstenkrediet en groothandel in vreemde en luxe goederen waren volgens hem de bronnen waardoor dit kapitaal zich opeenhoopt. Pas in de aan het eind van de 15e en het begin van de 16e eeuw opkomende tweede fase van de primitieve accumulatie verovert het kapitaal definitief zijn suprematie in economie en maatschappij.

De uitbreiding van het handelskapitaal met de opkomst van de eerste grote naamloze vennootschappen, het ontstaan van de moderne staatsschuld, de moderne beurzen, de ontwikkeling van de eerste moderne banken en het binnendringen van het kapitaal in de industriële en agrarische productie zijn de bekende stadia van de opmars van het westelijk kapitaal in de periode van de eigenlijke “primitieve accumulatie”, die aan de industriële revolutie in het midden van de 18e eeuw vooraf gaat en deze ook grotendeels mogelijk heeft gemaakt. De opkomst van het proletariaat, de bezitslozen, hangt samen met deze industriële revolutie. Het gebruik van machines was voortaan een belangrijk middel om de concurrentie voor te blijven maar machines waren zeer kostbaar, waardoor de industrie in handen kwam van een steeds kleinere groep eigenaren, de bourgeoisie, die op deze wijze kapitaal en macht accumuleerden.

Van analyse naar politiek

Piketty komt net zoals Marx tot een gelijkluidende conclusie. De opeenhoping van kapitaal is in de 21e eeuw net zo omvangrijk als in de door Marx beschreven 19e eeuw en leidt ertoe dat er een “immense kloof” (Piketty) in de samenleving ontstaat. Beide auteurs verlaten daarna het analytische pad en begeven zich op het hellende van de politiek. Marx riep tezamen met Engels in het Communistisch Manifest (1848) op tot een revolutie van het proletariaat; (Proletariërs aller landen verenigt u…) een oproep die later is overgenomen door Lenin. Piketty roept niet op tot een wereldrevolutie maar wel tot ingrijpende fiscale maatregelen (erfbelastingen) om de toenemende groei van het geaccumuleerde kapitaal te herverdelen aangezien er anders een klasse ontstaat die geen enkele band met de samenleving (meer) heeft.

Is Piketty’s analyse terecht zo in de aandacht? Ja, alleen al vanwege de omvangrijke door hem verzamelde data. Er is inmiddels forse kritiek geuit op zijn boek met name door de Financial Times van eveneens mei 2014 waarin gesteld wordt dat: little evidence in Prof Piketty’s original sources to bear out the thesis that an increasing share of total wealth is held by the richest few”. 

Piketty heeft als een waar academicus deze kritiek gepareerd met de opmerking :”“no doubt that my historical data series can be improved and will be improved in the future” maar zo stelt hij: “I would be very surprised if any of the substantive conclusion about the long-run evolution of wealth distributions was much affected by these improvements.”

Ik onderschrijf Piketty’s stelling dat de data die ten grondslag liggen aan zijn conclusie onmiskenbaar wijzen in de richting van toenemende kapitaalaccumulatie. Daar valt weinig aan af te doen. Maar werken zijn voorstellen die dienen te leiden tot vermindering van ongelijkheid?

Ten eerste de vraag of zijn voorstel tot herverdeling van het kapitaal (in Nederland) dient te lopen via de door de overheid te heffen (erf)belastingen? Ik heb mijn twijfels, ten eerste omdat de overheid tot nu toe middels belastingheffing niet in staat is gebleken deze herverdeling tot stand te brengen. Uit een recent rapport van de WRR (Kremer et al. 2014) getiteld 'Hoe ongelijk is Nederland?' kan worden geconcludeerd dat de kloof tussen arm en rijk in Nederland steeds groter wordt en dat belastingmaatregelen weliswaar vooral onder 65-plussers tot een herverdeling van vermogen leiden maar onder werkenden zeer zeker niet. De lonen aan de top zijn gestegen van ruim 30 keer het minimumloon in 1990, naar 52 keer in 2013. Het vermogen is in Nederland ongelijker verdeeld dan het inkomen. De rijkste 10% van de bevolking bezit meer dan de helft (61%) van het totale vermogen in Nederland. De top 2% binnen deze groep heeft zelfs een derde van dat vermogen in handen, terwijl de onderste 60% van de Nederlandse bevolking bij elkaar opgeteld ongeveer 1% van het totale vermogen bezit.

Ten tweede de vraag of zijn voorstellen een bijdrage leveren aan de vermindering van ongelijkheid en de redding van het kapitalistische stelsel? Hij werpt zich immers, anders dan Marx, op als redder van het kapitalisme dat naar zijn mening - indien niet wordt ingegrepen - ten onder zal gaan. Ik ben van mening dat juist de ongelijkheid in het kapitalistische systeem haar overlevingskracht is. In een recente publicatie van het CBS over ongelijkheid in Nederland (juni 2014) is te lezen:

Zelfs al zou ieder mens zijn of haar leven beginnen zonder vermogen, dan nog ontstaan die verschillen vanzelf ten gevolge van verschillende keuzes die mensen maken tussen consumptie en sparen”. 

Ongelijkheid in de samenleving is tot op zeker hoogte goed en leidt tot activiteit. Het kapitalisme heeft in het verleden ook het ongelijk van de door Marx gedane voorstellen reeds aangetoond. Blijkbaar heeft het menselijke gedrag prikkels die vanuit deze ongelijkheid ontstaan nodig om actief te zijn en te blijven. Dat deze ongelijkheid niet een te grote omvang dient aan te nemen bewijst de geschiedenis eveneens.

Referenties

CBS, 2014, Het interpreteren van cijfers over vermogensongelijkheid behoeft nuance, Den Haag.

Kremer, M., M. Bovens, E. Schrijver en R. Went (red.), Hoe ongelijk is Nederland?, WRR-verkenning, Den Haag.

Te citeren als

Willem Landman, “Piketty over ongelijkheid: sterke analyse met zwakke voorstellen”, Me Judice, 23 juni 2014.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.