Praktische kant burgerinitiatief Ons Geld weinig aantrekkelijk

munten
Afbeelding ‘Money - Black and White Money’ van @Doug88888 (CC BY-NC-SA 2.0)
21 mei 2015 |
De praktische consequenties die voortvloeien uit een staatsmonopolie op geldschepping maken het burgerinitiatief Ons Geld weinig aantrekkelijk, stelt de Amsterdamse hoogleraar Hans Visser. Allerlei ontsnappingroutes voor private geldcreatie moeten worden afgesloten. Innovatie wordt geremd: nieuwe ontwikkelingen op het terrein van betaalmiddelen en betalingsverkeer krijgen geen kans meer. Tenslotte is het de vraag of de overheid als geldschepper is te beheersen.

Geen nieuw idee

De actiegroep Burgerinitiatief Ons Geld heeft 21 april jl. dit initiatief met 113.878 handtekeningen aangeboden aan de Commissie voor de Verzoekschriften en Burgerinitiatieven van de Tweede Kamer. Ter ondersteuning van dit burgerinitiatief betogen de Utrechtse milieueconomen Klaas van Egmond en Bert de Vries in NRC Handelsblad van vrijdag 8 mei dat de staat en niet het bankwezen ons geld dient te creëren (Van Egmond en De Vries 2015). Dat is een achtenswaardig standpunt. Soortgelijke ideeën, onder de noemer 100% Money, worden al ongeveer 80 jaar gepropageerd (zie voor een korte ideeëngeschiedenis en een bredere beoordeling Visser 2015).

Ontsnappingsroutes

Het uitgangspunt van de economie als discipline is dat er niet zoiets bestaat als een een gratis lunch. Een belangrijk minpunt van het door Van Egmond en De Vries gepropageerde systeem is dat een vergaande inperking van de contractvrijheid in de samenleving vereist is om het te laten werken. Van Egmond en De Vries willen via de geldschepping een ontsporing van de bestedingen voorkomen. Stel nu echter dat de banken, als ze geen geld meer mogen creëren, nog wel spaar- en termijndeposito’s mogen aanbieden, dan kunnen zij nog steeds de bestedingen aanjagen door zulke deposito’s aan te trekken en de van de spaarders ontvangen bedragen meteen weer uit te lenen. De bedragen die de spaarders bij de staatsbank aanhielden verhuizen naar de rekeningen die de banken bij de staatsbank aanhouden. De banken maken die bedragen vervolgens over naar de rekeningen van degenen aan wie zij leningen verstrekken. Die doen er betalingen mee aan aan andere rekeninghouders die op hun beurt weer door de banken verleid kunnen worden om een deposito aan te houden. De banken krijgen daarmee middelen om weer nieuwe leningen te verstrekken. Zo kan bij een gelijkblijvende geldhoeveelheid de krediethoeveelheid sterk toenemen en omgekeerd ook weer afnemen, zodat de banken wederom zowel een opgaande als een neergaande conjunctuurbeweging kunnen versterken en de bestedingen dus toch kunnen ontsporen.

Het is hetzelfde mechanisme als waardoor sinds de jaren ’60 van de vorige eeuw tot schrik van de centrale banken in de Eurodollarmarkt het totale bedrag aan dollarsaldi aangehouden bij niet-Amerikaanse banken explosief toenam, evenals het bedrag aan in dollars verleende kredieten.

Hoe ver te gaan

Nu kan de overheid de creatie door de banken van deposito’s die onmiddellijk of vrijwel onmiddellijk om te zetten zijn in betaalmiddel, dat is saldi aangehouden bij de staatsbank, verbieden, maar de vraag is bij welk soort saldi zij moet stoppen met verbieden. Als het niet meer mogelijk moet kunnen zijn dat de bestedingen door de kredietverlening ontsporen is de ultieme oplossing dat banken noch andere financiële instellingen primaire of secundaire liquiditeiten kunnen creëren. Die conclusie is al in de jaren ’30 van de vorig eeuw getrokken door Henry Simons van de Universiteit van Chicago (Friedman 1967). Hij wilde naast betaalrekeningen alleen participaties of aandelen in beleggingsfondsen toestaan. Die fondsen moesten dan voor de kredietverlening zorgen. Zo zorg je dat de financiële instellingen niet gemakkelijk een conjuncturele opleving kunnen aanjagen en tevens dat er geen crisis bij de banken kan ontstaan doordat de spaarders massaal hun deposito’s willen omzetten in betaalmiddel aangehouden bij de staatsbank.

De keerzijde is dat de contractvrijheid in de samenleving zeer rigoureus beperkt wordt. Het publiek heeft alleen de keus uit saldi bij de staatsbank, waar geen rente op vergoed wordt, en participatiebewijzen of aandelen waarvan zowel de waarde als de winstuitkeriung fluctueert. Het zou nog denkbaar zijn dat de staatsbank rentegevend deposito’s aanbiedt, maar dat valt buiten het systeem van Van Egmond en De Vries, omdat zij door de overheid gecreëerd geld zonder renteverplichtingen nastreven, en trouwens geen oog lijken te hebben voor nauwe geldsubstituten.

Andere initiatieven

Andere varianten dan die van Simons gaan minder ver, maar bepleiten toch wel, om conjuctuurbewegingen te dempen, sterke beperkingen van de contractvrijheid. De IMF-economen die de discussie over 100% Money enkele jaren geleden weer hebben aangejaagd, Jaromir Benes en Michael Kumhof, willen de banken nog wel krediet laten verlenen, met geld aangetrokken door aandelen uit te geven en met leningen van de centrale bank, maar uitsluitend voor productieve investeringen, dus niet voor bijvoorbeeld consumentenkrediet (Benes en Kumhof 2012). De Britse NGO Positive Money wil de spaar- en termijndeposito’s bij de banken omzetten in niet-overdraagbare beleggingsrekeningen met een vervaldatum of een minimale opzeggingstermijn (Jackson, Dyson en Hodgson 2013).

Rem op innovatie

Een staatsmonopolie op geldcreatie heeft nog verdergaande consequenties. Nieuwe ontwikkelingen op het terrein van betaalmiddelen en betalingsverkeer zouden geen kans kunnen krijgen. Daarbij valt niet alleen te denken aan bitcoin en soortgelijke betaalmiddelen, maar ook aan interessante verschijnselen als het gebruik van via smartphones gemakkelijk over te maken belminuten als betaalmiddel in delen van Afrika. Die belminuten fungeren als geld en worden gecreëerd door telefoonmaatschappijen. Het is volstrekt onduidelijk wat de informatietechnologie ook hier nog allemaal mogelijk gaat maken. Een heel andere ontwikkeling is het gebruik van regionale of plaatselijke munteenheden, voorzover die niet, zoals bijvoorbeeld de Chiemgauer in Zuid-Duitsland en het Bristol Pound in Engeland, volledig gedekt worden door het officiële geld.

Veel van die innovatie zou gesmoord worden door het staatsmonopolie op de geldcreatie en het is de vraag of de overheid de ingezetenen moet verhinderen zelf te bepalen wat zij als ruilmiddel gebruiken. Angst voor verlies aan belastinginkomsten zou een reden kunnen zijn, maar de belastingautoriteiten kunnen van de beheerders van alternatieve geldsystemen inzage in de betalingen eisen.

Groot vertrouwen in overheid

In het voorbijgaan zij opgemerkt dat Van Egmond en De Vries een erg groot vertrouwen hebben in de overheid. Als die zelf rechtstreeks profiteert van de geldschepping lijkt dat vertrouwen niet zonder meer gerechtvaardigd, zeker niet in Europees verband. Zoals de vroegere DNB-president Jelle Zijlstra in zijn memoires opmerkte, “Geldcreatie is voor een regering en parlement met hun ingeschapen drang naar meer uitgeven een te gevaarlijk speelgoed” (Zijlstra 1992 blz. 205). Het is niet zeker of de overheid er in een opgaande conjunctuur in slaagt om tegendruk te bieden met een afremmen van de geldcreatie, evenmin als dat altijd goed lukt met budgettair beleid.

Verplaatsing

Een ander punt is de grote waarschijnlijkheid dat internationaal opererende ondernemingen hun financiële activiteiten naar buiten Europa verplaatsen als hun speelruimte op de financiële markten tezeer beperkt wordt. Als alleen illiquide deposito’s en participatiebewijzen en aandelen toegestaan zijn en bijvoorbeeld kortlopende deposito’s en certificates of deposit (verhandelbare termijndeposit’s) niet meer, kunnen zij hun tijdelijk overtollige middelen niet meer met rente uitzetten en worden zij in hun funding ook sterk beperkt.

Tot slot

Van Egmond en De Vries concentreren zich, zoals wel meer critici van de banken, op de geldcreatie door de banken en vinden het vreselijk dat de banken geld verdienen op die geldcreatie, een winst (de seigneuriage) die in hun ogen de samenleving, het collectief, ten goede zou moeten komen. Over winst uit de creatie van secundaire liquiditeiten lijken ze niet te vallen, hoewel het verschil wat betreft het karakter van de gecreëerde middelen, de wijze van creëren en de relatie met de omvang van de bestedingen hoogstens gradueel is. Wellicht daardoor hebben ze geen oog voor de de maatregelen die nodig zijn om het door hen voorgestelde systeem goed te laten werken. Mogelijk wordt de door hen gediagnosticeerde ziekte door zulke maatregelen wel verholpen, maar de patient raakt blijvend invalide. Dan maar liever af en toe een flinke koorts, en er zijn wel andere middelen om de kans daarop te mitigeren.

Referenties

Benes, J. en M. Kumhof (2012) The Chicago Plan revisited. IMF Working Paper 12(202).

Egmond, N.D. van, en B.J.M. de Vries (2015), Niet de bank maar de staat hoort het geld te scheppen, NRC Handelsblad 8 mei.

Friedman, M. (1967), The Monetary Theory and Policy of Henry Simons, The Journal of Law and Economics 10, blz. 1-13. Herdrukt in M. Friedman, The Optimum Quantity of Money and Other Essays, Macmillan, Londen 1969.

Jackson, A., B. Dyson en G. Hodgson (2013), The Positive Money proposal. Positive Money, Londen.

Visser, H. (2015), Het wensdenken van het burgerinitiatief Ons Geld, ESB 100 (4706), 26 maart, blz. 170-173.

Zijlstra, J. (1992), Per slot van rekening: memoires, Uitgeverij Contact, Amsterdam-Antwer­pen.

Te citeren als

Hans Visser, “Praktische kant burgerinitiatief Ons Geld weinig aantrekkelijk”, Me Judice, 21 mei 2015.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.