Scholier leert wel degelijk macro-economie in programma van commissie-Teulings

Scholier leert wel degelijk macro-economie in programma van commissie-Teulings image
9 mrt 2009 |
Volgens Boot ontbreekt het macro-economisch perspectief in het programma economie voor het voortgezet onderwijs van de commissie-Teulings. De oproep van Arnoud Boot om het werk van de commissie Teulings dan nog maar eens over te doen is gebaseerd op een eenzijdige lezing van de rapporten die de commissie heeft afgeleverd en het werk dat sinds deze commissie is verricht. Dat is de mening van de Amsterdamse econoom Jeroen Hinloopen. De macro-economie zit wel degelijk in het programma.

Volgens Arnoud Boot dreigt een macro-economisch perspectief te ontbreken in het vernieuwde onderwijsprogramma economie voor vwo en havo. Dit zou een gevolg zijn geweest van “een overvloed aan micro-economen” in de commissies Teulings die er een eenzijdige visie op nahielden. Het economieonderwijs wordt in de ogen van Boot slachtoffer van deze tunnelvisie want technocraten zouden thans blind het nieuwe programma implementeren. Boot stelt dan ook voor om de handen uit de mouwen te steken en over te gaan op een “constructief debat over wat de inhoud van het economieonderwijs op havo en vwo zou moeten zijn”.

Ik onderschrijf de constatering van Boot dat een macro-economisch perspectief aan leerlingen op havo en vwo niet onthouden mag worden. Maar Boot schetst een verkeerd beeld van de commissie-Teulings. Daarnaast lijkt hij niet goed op de hoogte te zijn van de kern van het nieuwe onderwijsprogramma en onderschat hij het werk dat door velen is verzet om de onderwijsvernieuwing vorm te geven, vooral in het onderwijsveld zelf. En dat is jammer, want daarmee verliest zijn bijdrage aan waarde.

De Commissie Teulings

De wetenschappelijk economen die naast Coen Teulings zitting hadden in de tweede commissie-Teulings (Teulings II), waren Jules Theeuwes, Eric Van Damme, Henk Don en Harry van Dalen. Kijkend naar hun CV vind ik de stelling van Boot onhoudbaar dat Teulings II “een overvloed aan micro-economen in haar gelederen” had. Bovendien heeft Teulings II drie macro-economen van naam en faam geraadpleegd: Bovenberg, Van der Ploeg en Van Wijnbergen. Hun adviezen hebben een belangrijke rol gespeeld in het uiteindelijke rapport. Zou de commissie er daadwerkelijk een tunnelvisie op na hebben gehouden dan zou dat zeker door deze drie hoogleraren zijn opgemerkt. Die opmerking is echter nooit gemaakt.

Een historisch perspectief

Boot roept om een historisch perspectief. Uit zijn bijdrage is niet duidelijk of dat in het nieuwe programma zou moeten komen of dat er vanuit zo’n perspectief een nieuw programma zou moeten worden opgesteld. Voor het eerste valt wat te zeggen, hoewel het aantal lesuren beperkt is: 480 voor vwo en 400 voor havo. Bovendien vereist een historisch perspectief al gauw een mate van abstractie waar veel leerlingen in het voortgezet onderwijs, zeker havo-leerlingen, nog niet aan toe zijn. Dat een vernieuwing vertrekt vanuit een historisch perspectief is een sine qua non. Dat is de uitdaging voor iedere inhoudelijke onderwijsvernieuwing: het identificeren van de kern van het vak waarbij alle relevante vakinhoudelijke ontwikkelingen worden meegenomen. En dat is precies wat de commissies-Teulings hebben gedaan. Alle discussie rondom Teulings II is terug te voeren op deze exercitie. Wat de een de kern van het vak vindt, vindt de ander juist franje. Neem bijvoorbeeld de discussie rondom het begrip welvaart. Arnold Heertje en Rolf Schöndorff, twee oud-hoogleraren die in het verleden veel hebben betekend voor het voortgezet economieonderwijs, zijn voorstander van een breed welvaartsbegrip. Teulings II wijst dat niet af (Commissie-Teulings, 2005, p. 115), maar kiest ervoor om eerst het enge welvaartsbegrip duidelijk voor het voetlicht te brengen alvorens dat te kunnen nuanceren. Heertje en Schöndorff lijken deze volgorde af te wijzen. Los van de inhoudelijke discussie die hierover gevoerd is, zullen dit soort meningsverschillen altijd blijven bestaan. Ergens moet de lijn getrokken worden rondom de nucleus van het vak. Dat er discussie zal ontstaan over de randen van deze nucleus is voorspelbaar. De een wil meer nuancering over het meten van marktmacht, de ander wil meer gedragsaspecten in het programma, en ga zo maar door. Maar in het voortgezet onderwijs is daar simpelweg geen ruimte voor. Zo leer je bij natuurkunde de wetten van Newton en pas later, als je natuurkunde studeert, leer je dat het net even anders zit, zoals Einstein heeft uitgedokterd. Bij de vaststelling van de nucleus van een vak moeten alle inzichten worden gewogen. Daarbij is het verstandig de waan van de dag niet leidend te laten zijn. Hoe belangrijk de kredietcrisis op dit moment ook is, er komt een tijd dat deze voorbij is getrokken en we de crisis beter begrijpen. Om deze crisis nu te gebruiken als motivatie voor een inhoudelijke aanpassing van het economieprogramma lijkt me te wispelturig. Tegelijkertijd blijft een vak altijd in beweging. Inhoudelijke vernieuwingen zullen daarom blijven terugkeren. In dat licht bezien is Teulings II een stap voorwaarts met haar aandacht voor bijvoorbeeld de speltheorie.

Het macro-economisch perspectief

De kern van de kritiek van Boot op Teulings II is het ontbreken van een macro-economisch perspectief. Ook nu weer is mij niet helemaal duidelijk wat Boot bedoelt. Zitten er te weinig macro-economische onderwerpen in het programma? Of blijft het programma beperkt tot de analyse van enkelvoudige verbanden? In het eerste geval schetsen de feiten een ander beeld. Na het verschijnen van het rapport van de eerste commissie-Teulings in 2002 werd vanuit verschillende kanten kritiek geleverd op het tekort aan macro-economische onderwerpen. De tweede commissie Teulings heeft dit ter harte genomen. In Teulings II is beduidend meer aandacht voor macro-economische vraagstukken. Daarbij worden drie onderwerpen onderscheiden: de economie van het publieke belang (simpel gesteld: hoe kan de overheid allerlei marktfalen helpen bestrijden), economische groei, en conjunctuurtheorie. Teulings II bevat zes concepten die behoren tot de stof van het centraal schriftelijk eindexamen. Twee van deze concepten (welvaart en groei, en goede tijden slechte tijden) gaan exclusief over macro-economische onderwerpen. De rol van de overheid bij het bestrijden van marktfalen is verweven in twee andere concepten. Zo bezien lijkt de macro-economie niet het ondergeschoven kindje te zijn.

Met de kritiek van Boot als zou er geen ruimte zijn voor een macro-economisch perspectief slaat hij de plank mis. Teulings II beoogt juist om leerlingen een breder perspectief bij te brengen. Het gebruik van concepten in wisselende contexten spoort leerlingen aan om dezelfde verbanden in verschillende omgevingen te herkennen. In het rapport van de eerste commissie-Teulings wordt in dit verband gesproken over het kijken met een economische bril. Leerlingen worden vervolgens uitgedaagd om die inzichten met elkaar te verbinden om zo complexere contexten te doorgronden. En juist die verbindingen kunnen hen een macro-economisch perspectief geven. Neem het voorbeeld van Boot over concurrentie tussen bedrijven en tussen landen. Boot stelt dat je als bedrijf wilt dat het slecht gaat met je concurrent, terwijl je als land juist wilt dat het goed gaat met je buurland. Het landenperspectief zou dan het macro-economische perspectief zijn. Ik denk dat dit anders ligt. Als bedrijf wil ik dat het slecht gaat met mijn concurrent, en dat het goed gaat met de consument, of die nu uit het binnenland of het buitenland komt. Als land wil ik ook dat het goed gaat met mijn binnenlandse bedrijven en niet dat er een concurrent uit het buitenland opstaat. En als land wil ik ook dat mijn bedrijven veel verkopen, aan mijn ingezetenen en aan de buren. Wat het nieuwe examenprogramma in dit geval beoogt is dat leerlingen begrijpen wat concurrentie is en wat de prikkels zijn van de verschillende spelers. Dat de leerling vanuit de context van, zeg, een klein dorp je al redenerend komt tot begrip van internationale handelsstromen. Dat mag een macro-economisch perspectief genoemd worden. Waar het om gaat is dat een leerling een aantal basismechanismen goed onder de knie krijgt om zodoende steeds complexere situaties te doorgronden. Natuurlijk blijven er specifieke macro-economische noties onbenoemd, maar dat geldt voor alle onderdelen van de economische wetenschap. Daar ontkom je niet aan als je je tot de kern van het vak wil beperken. Maar voor een macro-economisch perspectief biedt juist het nieuwe programma alle ruimte. Niet voor niets stelde het eerder genoemde trio macro-economen dat een macro-economisch perspectief goed aan te brengen is binnen de structuur van Teulings II.

Technocraten

Boot schrijft verder: “technocraten hebben het proces overgenomen en zijn de aanbevelingen van de commissie-Teulings uit 2002 en 2005 blind aan het implementeren”. Ten eerste doet het advies uit 2002 niet ter zake. Maar dit terzijde. Verontrustender vind ik de kwalificatie die Boot lijkt te geven aan al die mensen uit het onderwijsveld die met het rapport Teulings II aan de slag zijn gegaan. In de geest van het werk van de commissies-Teulings is ook dit proces een open proces waarbij alle belanghebbenden steeds gehoord worden. Teulings II is gevolgd door een commissie die het rapport heeft vertaald naar de eindtermen voor het centraal schriftelijk examen vwo en havo, zoals dat bij alle vakken gebeurd. Deze commissie is ingesteld door de Minister van OCW, en ressorteert onder de Centrale Examencommissie Vaststelling Opgaven (CEVO). De CEVO-commissie bestond naast docenten economie en vakdidactici uit vertegenwoordigers van vakverenigingen (VECON en LWEO), de Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) en het Cito. Ondergetekende nam zitting als onafhankelijk voorzitter. De eerste versie van ons rapport is gepresenteerd op een veldraadpleging waar honderden professionals uit het veld naar toe kwamen, en waar tijdens een open debat en workshops constructieve kritiek werd gegeven die de commissie vervolgens heeft verwerkt in haar voorlopige eindrapport. Sinds het voorjaar van 2007 staat dit rapport met daarin de eindtermen van het examen op de website van de CEVO. Vervolgens is er vanuit het SLO een pilot opgestart waarbij op een twintigtal scholen met het nieuwe programma gewerkt wordt. De bevindingen van die pilot worden netjes geregistreerd door onafhankelijke onderzoekers en zullen als input dienen voor het definitieve CEVO-rapport. Naar verwachting zal dit in 2011 worden gepubliceerd. Dit betekent dat er sinds de oprichting van de eerste commissie-Teulings tien jaar gewerkt is aan de vernieuwing van het economieprogramma. In die tien jaar is er veel werk verzet, is er uitbundig gediscussieerd, zijn enthousiaste docenten met de stof aan de slag gegaan, en ligt er een programma dat door velen wordt gedragen. De kwalificaties die Boot geeft aan al de mensen die dit proces dragen zijn misplaatst; deze professionals verdienen beter.

Tot besluit

Boot stelt dat al zijn collega’s het in grote lijnen eens zijn met zijn kritiek. De uitzondering daarop zijn natuurlijk de economen die hebben meegewerkt aan de commissies-Teulings en economen als Bovenberg, Van der Ploeg en Van Wijnbergen. Ik heb de adhesiebetuigingen waar Boot impliciet naar verwijst nergens kunnen terugvinden. Misschien is dat wel omdat de overgrote meerderheid van “de vooraanstaande economen in het land” het wél eens is met de adviezen van de commissie Teulings. Zij heeft vanuit een historisch perspectief de nucleus van het vak economie geformuleerd voor het voortgezet onderwijs, rekening houdend met het beperkte aantal beschikbare lesuren en de beperkte ruimte voor abstractie. De commissie heeft haar werk met open vizier gedaan, ondanks de grote woorden die in sommige commentaren te lezen vielen. Sinds de instelling van de eerste commissie Teulings zijn er acht jaar verstreken. Het is tijd om de inhoudelijke discussie over het vernieuwde programma even te laten voor wat het is en te wachten op de resultaten. In juni van dit jaar wordt het eerste vernieuwde havo examen afgenomen. Ongetwijfeld zullen ook daar door sommigen weer grote woorden aan worden gewijd. Economen zijn hier overigens uniek in, zo vertelde de secretaris van de CEVO mij. Het is te hopen dat hierdoor het ontluikende initiatief binnen het veld voor het voortgezet onderwijs niet weer de kop wordt ingedrukt. Te lang heeft dat veld geleden onder semi-academische discussies waarvan de toon een raptekst niet ontsteeg. Het gebruik van concepten en contexten in Teulings II geeft het vak weer terug aan de docent. Uiteraard is het veld gebaat bij een constructief debat over de inhoud van het onderwijsprogramma. Dat debat moet voortdurend gevoerd worden. De vorige voorzitter van de KvS was het met Teulings II eens dat die vereniging een geschikt podium is voor dat debat. Wat zou het mooi zijn als de eerste initiatieven daartoe verder worden uitgewerkt. Ik pak de handschoen van Boot dan ook gaarne op.

* Dit artikel is een bewerkte versie van een eerder verschenen artikel in ESB, 5 maart 2009, 4555, pp. 156 – 157.

Referenties:

Arnoud Boot, 2009, ‘Leer scholier niet alleen de micro-economie van de commissie Teulings’, Me Judice, jaargang 2, 13 februari 2009.

Commissie-Teulings (2005), The Wealth of Education, Advies van de commissie herziening examenprogramma economie voor de tweede fase, Enschede: SLO.

Te citeren als

Jeroen Hinloopen, “Scholier leert wel degelijk macro-economie in programma van commissie-Teulings”, Me Judice, 9 maart 2009.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.