Sociaal gedrag in het lab en in het echt

Sociaal gedrag in het lab en in het echt image
Afbeelding ‘Teamwork in the shallow margins’ van Tim Creque (CC BY 2.0)
18 dec 2015 | | 412 keer bekeken

De gedragseconomie laat zich veelvuldig inspireren door veld- en laboratoriumexperimenten. De nieuwbakken Piersonmedaillewinnaar Jan Stoop geeft op deze plek de lessen die hij heeft geleerd van zijn laboratorium- en veldexperimenten. Volgens hem is het nog te vroeg om te zeggen dat veldexperimenten robuustere kennis over sociaal gedrag oplevert dan labexperimenten, maar één ding is wel duidelijk: het ontrafelen van menselijk gedrag is veel moeilijker dan gedragseconomen aanvankelijk dachten.

Economie in het lab

Beleidsmakers laten zich meer en meer inspireren door bevindingen uit de ‘gedragseconomie’. Dit is een goede zaak, want als beleidsmakers over meer informatie beschikken, kan dit alleen maar ten goede komen van de besluitvorming. Een belangrijk instrument binnen de gedragseconomie is het laboratoriumexperiment. Kort gezegd houdt dit in dat de onderzoeker gedrag meet in een gecreëerde omgeving (vaak op de computer). Deelnemers aan deze experimenten zijn meestal studenten en zij voeren allerlei abstracte taken uit in relatief korte tijd. Laboratoriumexperimenten hebben vele voordelen. Zo zijn studenten goedkope arbeidskrachten en vormt gedrag in het lab tastbaar bewijs van keuzes die daadwerkelijk gemaakt zijn.

Maar zijn resultaten altijd geldig?

Een vraag die opkomt bij de methode van labexperimenten is die van externe validiteit. Vrij vertaald: zijn resultaten uit het laboratorium voorspellend voor gedrag in het echte leven? Wanneer het aankomt op het meten van gedrag in veilingen, dan lijkt het antwoord hierop bevestigend. Er zijn weinig redenen waarom het veilen van een schilderij in het laboratorium anders is dan het veilen van een schilderij in een veilinghuis. Echter, wanneer het gaat om het meten van sociaal gedrag lijkt externe validiteit wel belangrijk. In het laboratorium weet elke deelnemer immers dat hij of zij wordt onderzocht. Bovendien worden de resultaten gepubliceerd voor wetenschappelijke doeleinden. Het is daarom mogelijk dat deelnemers sociaal wenselijke antwoorden geven en dat sociaal gedrag wordt overschat in het lab.

Een van de eersten die aantoonde dat het lab weleens een te rooskleurig beeld kan geven van sociaal gedrag is John List van de Universiteit van Chicago. In een toonaangevende studie (List, 2006) laat hij zien dat handelaren van verzamelbasebalkaartjes zich sociaal gedragen in een labexperiment. John List rapporteert een serie experimenten waarbij hij steeds één factor verandert. De handelaren spelen de rol van ‘verkoper’ van fictieve verzamelkaartjes met afbeeldingen van bekende basebalspelers. Zij kregen een hoog of laag bod en moesten daarna bepalen welke fictieve kwaliteit kaart ze teruggaven. Ongeacht het bod, de handelaren konden ongestraft een lage kwaliteit kaart geven. Echter, dit deden ze zelden. Bij een hogere prijs gaf de handelaar een hogere kwaliteit kaart. Althans… in het lab. Eenmaal klaar met het labonderzoek gingen de handelaren terug naar de echte wereld: hun verkoopplaats op de beurs voor basebalkaartjes. John List kocht daar echte kaartjes met dezelfde handelaren en wat bleek? Er was geen verband tussen het bod en de kwaliteit van de kaartjes...

De onderzoeken van John List inspireerden mij enorm om meer te leren over de externe validiteit van labexperimenten over sociaal gedrag. Zijn meetmethode met de afwisseling tussen lab- en veldexperimenten sprak me heel erg aan. Je zou verwachten dat economen al veel weten over dit vraagstuk. Dit blijkt echter niet het geval. Zelfs over de bekendste experimenten weten we maar weinig in dat opzicht. In de gedragseconomie is er een aantal klassieke experimenten die gebruikt worden als metafoor voor sociale interacties. Zo is er het publieke goed spel (‘public goods game’) dat gebruikt wordt om sociale dilemma’s te bestuderen, dilemma’s waarin collectief versus eigen belang om de aandacht strijden. Het dictator spel (‘dictator game’) waarbij een subject geld mag delen met een vreemde. Dit wordt gebruikt om altruïsme te meten. Het ‘dice under the cup game’ wordt gebruikt om valsspelen te meten. In het laboratorium wordt bij dit spel telkens aangetoond dat subjecten bereid zijn om een deel van het eigenbelang op te offeren ten faveure van anderen. Maar de vraag blijft uiteraard of dit in het echt ook opgaat.

Samenwerking bij de visvijver

Het hoogst op mijn verlanglijstje stond het ‘public goods game’. Deelnemers zitten in groepen van vier en kunnen investeren in een groepsaccount, of hun geld zelf houden. Elke geïnvesteerde euro wordt verdubbeld, maar gelijk verdeeld over alle vier de groepsleden. Mijn zoektocht naar een geschikte veldsituatie eindigde toen een vriend vertelde over een recreatieve visvijver in Biest-Houtakker. Destijds kon je voor een bedrag van €12,50 vier uur vissen. De eigenaar deed voor dat bedrag vier forellen in de vijver. Alles wat een visser vangt, moet hij meenemen naar huis. Teruggooien is niet toegestaan vanwege de bacterieën die een gevangen vis in de vijver kunnen verspreiden. Veel verstand van vissen had ik niet, maar als wetenschapper zag ik de mogelijkheden voor een veldexperiment. Op gecontroleerde manier kan de visvoorraad beïnvloed worden en visvangst kan nauwgezet in de gaten worden gehouden. Hier wilde ik een serie experimenten uitvoeren, waarbij ik steeds een factor verander.

Mijn twee promotoren op de Universiteit van Tilburg (Charles Noussair en Daan van Soest) en ik zagen hier een uitgelezen mogelijkheid om het public goods game te testen (Stoop et al., 2012). Vissers werden, nadat ze geïnformeerd waren over het experiment, geplaatst in groepen van vier. Gedurende zes rondes van veertig minuten mocht elke visser twee vissen vangen per ronde. Elke gevangen vis was voor de visser zelf. Elke vis die een visser niet ving, leverde €2 voor elk groepslid, maar niets voor hemzelf. Als de vissers niets vangen, moeten ze vier uur lang aan de vijver zijn zonder te vissen, maar ontvangen ze ieder €72. Omdat een visser soms zijn best doet om een vis te vangen, maar (door pech) dit niet kan, hielden we bij hoeveel ‘moeite’ een visser doet. Dit meten we door te turven hoe vaak een visser zijn hengel uitwerpt. Alleen een vangst van nul vissen als gevolg van een gebrek aan moeite wordt geïnterpreteerd als sociaal gedrag.

Geheel in lijn met klassieke economische theorie visten de vissers vier uur lang met maximale moeite. Maar, misschien werd dit resultaat gevonden doordat vissers veel meer nut krijgen van vier uur vissen dan van €72 (de uitbetaling als niemand vist). In een vervolgexperiment vroegen we 46 vissers hun voorkeur: (1) vier uur vissen en €0 ontvangen, of (2) vier uur aanwezig zijn aan de vijver maar niet vissen en €72 ontvangen. Dertig vissers kozen voor het geld. In een nieuw experiment, met alleen deze vissers die voor het geld gingen, repliceerden we de eerdere resultaten. Ook zij gingen alleen voor het eigenbelang. Misschien kwam de voorspelling uit het lab niet uit, omdat studenten anders zijn dan vissers. Ook deze hypothese bleek niet te kloppen. We nodigden de vissers uit voor een labexperimentversie van het veldexperiment en daaruit bleek dat ze zelfs socialer waren dan studenten in hetzelfde labexperiment. Kortom, het veldexperiment dat dichter bij de realiteit staat geeft duidelijk andere resultaten dan labexperimenten.

Dictator game

Het tweede item op mijn verlanglijstje was het dictator game (Stoop, 2014). Dit experiment werkt als volgt. In het lab krijgt de dictator €10 en mag dit delen met een vreemde. Indien men veronderstelt dat deelnemers volledig rationeel zijn en alleen hechten aan hun eigen belang dan zou men verwachten dat dat de dictator niets geeft. Echter, honderden studies laten zien dat men gemiddeld €2,84 geeft (Engel, 2011). Het leek me dat een veldvariant van het dictator game zich voordoet bij verkeerd bezorgde post. De ontvanger van de verkeerd bezorgde brief is de ‘dictator’ en die persoon moet beslissen of hij de envelop deelt met de persoon aan wie de envelop is gericht. De enveloppen in mijn experiment bevat €10. De envelop was transparant, zodat de ontvanger het geld zag. Uit de tekst op de kaart bleek dat de universiteit een bedankje stuurde aan een vrijwilliger. De vraag was of de kaart werd teruggestuurd.

In een serie van vier experimenten onderzocht ik de externe validiteit van het dictator game. De factoren die bekeken werden waren de groep van deelnemers (studenten versus een representatieve steekproef van de bevolking), de fysieke omgeving (het lab versus iemands huis) en het feit dat men bewust is van het experiment (wel versus niet). In het laboratorium stuurden studenten en representatieve deelnemers evenveel kaarten terug (58% en 54%). Representatieve deelnemers sturen in het lab meer kaarten terug dan wanneer zij de kaart thuis kregen, maar niet significant meer (54% en 41%). En tot slot, deze deelnemers sturen evenveel kaarten terug wanneer ze niet weten dat ze meedoen aan een experiment (41% en 45%). Kortom, het lab overschat altruïsme wel, maar slechts een klein beetje.

Vals spelen

Tot slot heb ik een experiment uitgevoerd met Jan Potters (Universiteit van Tilburg) over vals spelen (Potters and Stoop, 2015). Studenten kregen een stapel met twintig kaarten. Op de achterkant staan twee getallen, ieder in een andere kleur (wit of zwart), die samen tot zeven optellen. Zonder de kaart te mogen omdraaien, moet de student gokken tussen ‘wit’ of ‘zwart’. Pas daarna mag hij de kaart omdraaien. De student verdient in euro’s het getal dat in de gegokte kleur staat. Pas als de kaart is omgedraaid, moet de student zijn verdiensten invullen. Echter, de student was alleen tijdens dit experiment en had alle mogelijkheden om te liegen. Ongeveer een kwart van de studenten had verdiensten die statistisch onwaarschijnlijk hoog lijkt. Een kwart had verdiensten die suggereert dat zij heel eerlijk waren: hun verdiensten waren nog minder dan je zou verwachten al je met kop of munt bepaalt welke kleur je kiest.

Het interessantere deel van het experiment begon toen de studenten weer naar huis gingen. We beloofden om hen per bank uit te betalen. We stuurden een mail met de vraag of ze hun verdiensten konden bevestigen. Echter, we betaalden iedereen – of ze nu eerlijk hun opbrengt rapporteerden of niet - €5 te veel uit. In deze studie wordt geen serie experimenten gedaan, maar zijn we geïnteresseerd in de samenhang tussen de twee (totaal verschillende) taken. Waren de studenten die eerlijk waren in het lab, nu ook zo eerlijk? Van alle vijftig studenten die we te veel betaalden, kregen we van zes studenten te horen dat zij iets te veel hadden gekregen. Dit is relatief weinig, maar het meest verrassende is dat vijf van deze eerlijke studenten heel lage verdiensten hadden in het lab. Met andere woorden, het lab kan redelijk detecteren wie in het echt eerlijk zal zijn.

Lessen uit het veld

Het is niet eenvoudig om een eensgezinde conclusies te trekken omtrent externe validiteit van labexperimenten. De studie van John List (2006), de public goods game en de dictator game laten zien dat het lab een iets te rooskleurig beeld laat zien van sociaal gedrag (hoewel het verschil in de dictator game beperkt was). Deze experimenten hebben gemeen dat ze dezelfde methode gebruiken: er wordt steeds een serie van experimenten gedaan waarbij alles constant wordt gehouden behalve één factor. Het vals speel experiment geeft een rooskleuriger beeld van externe validiteit. Deze methode verschilt en kijkt naar de samenhang tussen twee wezenlijk andere taken. Dergelijke ‘correlatiestudies’ vinden over het algemeen dat het lab wel degelijk voorspellende waarde heeft voor sociaal gedrag (zie Camerer, 2011). Het is interessant om daar meer over te leren. Hoewel een cliché, meer onderzoek naar dit fenomeen is noodzakelijk om beter te begrijpen wanneer het lab wel en niet juiste voorspellingen kan maken over sociaal gedrag.

Referenties:

Camerer, Colin. " The promise and success of lab-field generalizability in experimental economics: A critical reply to Levitt and List ." Available at SSRN 1977749 (2011).

Engel, Christoph. "Dictator games: a meta study." Experimental Economics14.4 (2011): 583-610.

List, John A. " The Behavioralist Meets the Market: Measuring Social Preferences and Reputation Effects in Actual Transactions. " Journal of Political Economy 114.1 (2006).

Potters, Jan, and Jan Stoop. “Cheating in the lab and the field” Working paper

Stoop, Jan, Charles N. Noussair, and Daan Van Soest. " From the lab to the field: Cooperation among fishermen." Journal of Political Economy 120.6 (2012): 1027-1056.

Stoop, Jan. "From the lab to the field: envelopes, dictators and manners." Experimental Economics 17.2 (2014): 304-313.

Te citeren als

Jan Stoop, “Sociaal gedrag in het lab en in het echt”, Me Judice, 18 december 2015.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.