Stilstand in kennisland Nederland

natuurkunde proef
Afbeelding ‘physics news’ van Robert Couse-Baker (CC BY 2.0)
6 nov 2012 |
De economische groei is sterk afhankelijk van de mate waarin een land innovatief is of innovaties weet te benutten. Sylvester Eijffinger neemt de lezer zeven jaar terug in de tijd toen de toenmalige Raad van Economisch Adviseurs (waarvan hij zelf deel uitmaakte) sterk hamerde op de innovatiekracht van Nederland. Sinds die tijd is er niet veel gebeurd en de politiek zet in op averechts beleid. Het topsectorenbeleid waar de politieke top veel van verwacht zet in op bestaande winnaars, waarmee de teleurstelling reeds is ingebakken.

De blik van de Raad van Economisch Adviseurs

In november 2005 – dus zeven jaar geleden – heeft de Raad van Economisch Adviseurs aan de Tweede Kamer een advies uitgebracht over innovatie en economische groei. De aanleiding voor dit rapport was dat technische vooruitgang te weinig bijdroeg aan de economische groei in Nederland, vanuit zowel historisch als internationaal perspectief. De vergrijzing en krimp van de beroepsbevolking heeft dit probleem versterkt. Ook de toenemende globale concurrentie noopt kennisintensieve economieën (zoals Nederland) om te investeren in kennis en innovatie. In het rapport worden vervolgens drie beleidsaanbevelingen gedaan.

1. Innovatiebeleid en mededingingsbeleid moeten hand in hand gaan

Dit advies grijpt terug op het idee van “contestable markets”: in alle markten, zowel productmarkten als die voor productiefactoren, moet concurrentie mogelijk gemaakt worden. Om een open ondernemerscultuur te creëren moet het verschil tussen insiders en outsiders weggenomen worden. Alle deelnemers in de markt moeten uitgedaagd worden; innovatiebeleid moet uitgaan van het concept “Steun de uitdager”. Het van bovenaf aanwijzen van topsectoren past niet in deze filosofie; toe- en uittreding in markten moet gefaciliteerd worden door de overheid.

2. Regels en subsidies die technische vooruitgang verhinderen moeten geschrapt worden

De bureaucratie op de arbeidsmarkt, de kapitaalmarkt, de onderwijsmarkt en de technologiemarkt moet worden teruggedrongen. Hierdoor worden deze markten concurrerender (contestable). Vooral vrije toetreding in het onderwijs en output financiering in het onderzoek zijn belangrijke voorwaarden om te kunnen concurreren met kennisinstellingen in Noord-Amerika en in toenemende mate Azië. Door de huidige belemmeringen vindt een brain drain en een afname in productie plaats. Regels die transactiekosten verhogen en privaat initiatief ontmoedigen moeten worden geschrapt. Dit hoeft niet alleen Haagse regelgeving te zijn; Brusselse regelgeving kan ook knellen.

3. Er moet veel meer geïnvesteerd worden in onderwijs, onderzoek en ontwikkeling

Nederland, als land in de middenmoot, moet de koplopers inhalen door middel van een drastische verhoging van de publieke én private investeringen in onderwijs, onderzoek en ontwikkeling. De middelen hiervoor kunnen worden vrijgemaakt door de huidige subsidieregelingen grondig te herzien. Verder moet er veel terughoudender worden omgesprongen met massale publieke investeringen in infrastructuur (Betuwelijn, Noord-Zuidlijn, HSL) die waarschijnlijk niet zullen renderen (zonder private bemoeienis).

De geschiedenis heeft geleerd dat technische vooruitgang, ondernemerschap, onderwijs en onderzoek onontbeerlijk zijn voor economische groei. Aangezien de drie O’s – onderwijs, onderzoek en ondernemerschap – verwaarloosd zijn, en vergrijzing en globalisering de concurrentiekracht van Nederland beperken, is het onontkoombaar om de kennisinvesteringen drastisch te verhogen. Daarnaast kan innovatiebeleid niet los gezien worden van mededingingsbeleid. De overheid zal, in plaats van de winnaars te steunen, meer ruimte en mogelijkheden moeten creëren voor de uitdagers; zij vormen de toekomst van Nederland.

Stilstand in kennisland

De productiviteit van de Nederlandse economie is, naast de loonkosten, een maatstaf om te meten hoe concurrerend deze is. De onderstaande figuur vergelijkt de totale factorproductiviteit van vier grote, Westerse economieën met die van Nederland. De totale factorproductiviteit (TFP) meet het verschil tussen de totale productie en de bijdrage van conventionele factoren als kapitaal en arbeid. In die zin meet de TFP de mate van technologische vooruitgang in een economie. Figuur 1 laat zien hoe de TFP van Nederland zich verhoudt tot die in Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Hoewel de Nederlandse productiviteit gedurende de laatste 10 jaar duidelijk gestegen is in absolute zin, ligt deze nog steeds beneden het niveau van Duitsland, het VK en zeker de VS. Als Nederland een koploper in kennis en technologie wil worden, moet dit zeker verbeteren in de nabije toekomst.

Figuur 1: Productiviteitsgroei

Figuur 1: Productiviteitsgroei
Bron: EU AMECO database

Om een indruk te krijgen hoe Nederland heeft gepresteerd in termen van investeringen bieden de OESO cijfers over publieke investeringen in kennis, specifiek onderzoek & ontwikkeling, ICT en hoger onderwijs enige uitkomst. In 2002 bevond Nederland zich net onder het Europese gemiddelde, met een investeringspercentage van bijna 4% van het BBP. Het gemiddelde van de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) lag een stuk hoger, op meer dan 5% van het BBP. Figuur 2a en 2b laten zien hoe deze investeringen zich hebben ontwikkeld van 2002 tot 2008. We zien hier dat Nederland wat hoger op de ranglijst staat, met ruim 13% van het BBP geïnvesteerd in kennis. Hiermee hebben we Duitsland en Zuid-Korea ingehaald, maar de Scandinavische economieën (vooral Zweden en Denemarken) investeren nog steeds significant meer in kennis. Ook Canada en met name de VS (25% BBP) investeren heel veel in kennis. Het grootste deel van de kennisinvesteringen in 2008 heeft overigens betrekking op ICT.

Figuur 2a: Investeringen in kennis in 2002-2004

Figuur 2a: Investeringen in kennis in 2002-2004
Bron: OESO

Figuur 2b: Investeringen in kennis in 2008-2009

Figuur 2b: Investeringen in kennis in 2008-2009
Bron: OESO

Verder speelt ook ondernemerschap, en dan vooral het aantal nieuwe bedrijven, een rol in de concurrentiekracht van een economie. Het aantal nieuwe ondernemers geeft aan hoe het vestigingsklimaat in een land is, en gemakkelijk het is om een eigen bedrijf te beginnen. Figuur 3 geeft dit weer voor een aantal grote economieën als het percentage van de beroepsbevolking dat een eigen bedrijf begint. We zien dat Nederland in de linker figuur bijna onderaan staat, zelfs nog beneden landen als China, Italië en Spanje. In de meest recente periode is dit verbeterd; nu staat Nederland in de middenmoot, maar nog steeds is het percentage erg laag (3.38%). Natuurlijk heeft de financiële crisis hier ook een rol in gespeeld; men neemt minder risico in onzekere tijden. Toch heeft dit bijvoorbeeld in China en India niet tot minder ondernemingsdrift geleid.

Figuur 3: Ondernemerschap, Gemiddelde 2001-2004 en 2008-2011

Figuur 3: Ondernemerschap, gemiddelde 2001-2004 en 2008-2011
Bron: OESO

Dit geeft reden om dieper te kijken naar de redenen om in Nederland wel of niet een eigen bedrijf te beginnen. Het World Economic Forum geeft elk jaar het “Global Competitiveness Report” uit, waarin Nederland dit jaar gestegen is naar de vijfde plek (vanaf 7). Dit wordt in het rapport echter voornamelijk verklaard door de uitstekende infrastructuur, en in mindere mate door de innovatiekracht of de status als kenniseconomie. Figuur 5 geeft weer hoe ondernemers, ondervraagd door het World Economic Forum, aankijken tegen de factoren die hen belemmeren in het zakendoen in Nederland.

Figuur 4: Meest belemmerende factoren voor zakendoen in Nederland

Figuur 4: Meest belemmerende factoren voor zakendoen in Nederland
Bron: World Economic Forum Global Competitiveness Report 2012.

Hieruit blijkt dat beperkende regelgeving, bureaucratie en onvoldoende innovatiecapaciteit echt struikelblokken vormen. Zoals in het rapport van de Raad van Economisch Adviseurs uit november 2005 al is aangegeven, moet de Nederlandse overheid deze problemen aanpakken zodat ondernemerschap, concurrentie en innovatie kunnen groeien. Het Global Competitiveness Report benoemt verder nog een aantal zwakke punten van de Nederlandse economie, waarbij vooral opvalt dat ondernemers de regeldruk als hoog beschouwen, de deelname aan hoger onderwijs (en de kwaliteit) tegen vinden vallen, de belastingdruk hoog vinden en de arbeidsmarkt als inefficiënt betitelen. Dit maakt het vestigingsklimaat in Nederland minder aantrekkelijk voor ondernemers, ondanks de goede infrastructuur en andere voorzieningen. Ook zijn de investeringen in technologie onder de maat, en is de beschikbaarheid van wetenschappers te laag. Dit laatste heeft vooral te maken met gebrek aan concurrentie en mobiliteit in het onderzoeksveld binnen het Nederlandse universitaire stelsel.

Conclusies

Kunnen we concluderen dat de adviezen uit het rapport de Raad van Economisch Adviseurs van harte zijn opgevolgd? Uit de bovenstaande data blijkt dat er nog veel te winnen valt in termen van productiviteit, kennisinvesteringen en vestigingsklimaat.

1. Uitdagers worden nog steeds weinig gesteund; ondernemers investeren nog niet massaal in het opzetten van een eigen bedrijf. Het definiëren van topsectoren heeft hierbij ook niet geholpen, omdat deze vooral de gevestigde orde (de winnaars) en niet de uitdagers steunen. Het is niet aan de overheid om te bepalen welke sector moet groeien; marktwerking moet tot investeringen leiden.

2. Ondernemerschap wordt nog steeds belemmerd door bureaucratie en starre regelgeving op de arbeidsmarkt; ook zijn lonen nog steeds te hoog ten opzichte van productiviteit. Versoepeling van de regels op de arbeidsmarkt is noodzakelijk om de Nederlandse werknemer concurrerend te houden. Ook op de onderwijsmarkt is er nog veel te winnen om wetenschappers naar Nederland te krijgen en hier te houden.

3. Er is meer geïnvesteerd in kennis, maar dit betreft voornamelijk ICT. Onderwijs, onderzoek en ontwikkeling blijven achter, zeker in verhouding tot de stijging in investeringen in Scandinavië en Noord-Amerika. De recente maatregelen van het kabinet Rutte-1 om te snijden in wetenschappelijk onderwijs en onderzoek maken dit alleen maar erger. Wij moeten vrezen voor de bezuinigingen van het kabinet Rutte-2.

De REA haalde in 2005 de Red Queen aan die haar mening ten beste gaf aan Alice in het boek Through the Looking Glass van Lewis Carroll: “It takes all the running you can do, to keep in the same place. If you want to get somewhere, you must run at least twice as fast as that!” . Die stelling geldt nog steeds. Om de positie van Nederland als kenniseconomie te versterken en veilig te stellen voor de toekomst moeten de publieke en private investeringen in het hoger onderwijs, onderzoek en ontwikkeling drastisch omhoog.

* Dit is een aangepaste versie van de lezing die de auteur heeft gehouden op de Beurstrommeldag van 1 november 2012.

Te citeren als

Sylvester Eijffinger, “Stilstand in kennisland Nederland”, Me Judice, 6 november 2012.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.