Stop scheefgroei in de winstbelasting

Stop scheefgroei in de winstbelasting image
Afbeelding ‘Multinational’ van David Morris (CC BY-SA 2.0)
3 dec 2008 |
Het afgelopen voorjaar was er ophef over Nederlandse multinationals die nauwelijks nog belasting zouden betalen in ons land. De reden: ze worden volgepompt met schuld en hebben daardoor een aftrekpost waartegen alle inkomsten worden weggestreept. Dit nieuws kreeg veel aandacht, zo ook in de Tweede Kamer die de Staatssecretaris van Financiën om opheldering vroeg. Die beloofde nog dit jaar een antwoord. Moet hij de aftrekbaarheid van rente beperken of wellicht afschaffen?

Ongelijke behandeling van schuld en eigen vermogen

De vennootschapsbelasting (Vpb) kent een fundamentele ongelijkheid. Bedrijven mogen rentebetalingen aftrekken van hun belastbaar inkomen, maar de normale vergoeding op eigen vermogen – d.w.z. het rendement dat aandeelhouders ook hadden kunnen realiseren op risicoloze obligaties – is niet aftrekbaar. Met andere woorden: financiering uit eigen zak wordt bestraft ten opzichte van schuldfinanciering. Door deze fiscale discriminatie hebben zij een prikkel om hun investeringen meer en vaker met schuld te financieren. Empirisch onderzoek bevestigt dit: een 10 procent hoger Vpb-tarief leidt gemiddeld genomen tot een 3 procent hogere schuldquote (Huizinga, Laeven en Nicodeme, 2008). Dit gaat ten koste van de welvaart. Bedrijven zijn kwetsbaarder voor faillissement als ze hun investeringen teveel met vreemd vermogen financieren en aandeelhouders lopen te veel risico. Bovendien worden gevestigde bedrijven voorgetrokken boven innovatieve starters die vaak moeilijker een lening kunnen afsluiten. Sommige overheden zien voorts hun Vpb-ontvangsten afnemen doordat multinationals hun winst laten neerslaan in het land met het gunstigste tarief. Immers, indien ze buitenlandse dochters met interne schuld financieren wordt het rendement bij de moeder belast en is de rente bij de buitenlandse dochter aftrekbaar. Indien ze met eigen vermogen financieren wordt het rendement bij de dochter belast en is het bij het moederbedrijf vrijgesteld. De eerste financieringsvorm is interessant voor moederbedrijven in een land met relatief laag Vpb-tarief zoals Ierland met haar 12½ procent. In Duitsland, waar gemiddeld 37 procent wordt betaald, kiezen ze eerder voor de tweede financieringsvorm.

Alternatieven: overwinstbelasting versus bronbelasting

Er zijn twee manieren om de fiscale discriminatie in de vennootschapsbelasting te neutraliseren: door al het vermogen als (1) vreemd of (2) eigen vermogen te behandelen. De eerste optie impliceert dat niet alleen rente, maar ook het normale, risicovrije rendement op eigen vermogen aftrekbaar wordt voor de Vpb. Deze Allowance for Corporate Equity (ACE) stelt de normale vergoeding op kapitaal vrij van belasting. Met andere woorden, de winstbelasting is in feite overwinstbelasting. De tweede optie schaft de aftrekbaarheid van rente af. Onder deze zogenaamde Comprehensive Business Income Tax (CBIT) wordt de volledige kapitaalvergoeding aan de bron belast.

Veel Vpb-hervormingen in Europa in de laatste jaren gaan in de richting van een ACE of CBIT. België heeft in 2006 bijvoorbeeld een aftrek voor eigen vermogen ingevoerd naar voorbeeld van de ACE. Daarbij mag 6,5 procent van de boekwaarde van het eigen vermogen worden afgetrokken van de Vpb-grondslag. Andere Europese landen hebben juist de renteaftrek beperkt. Duitsland heeft bijvoorbeeld vorig jaar besloten alle rente boven 30 procent van de winst voor rente en afschrijving niet meer in aftrek toe te laten. Dit is een stap in de richting van CBIT.

Welke richting is aan te raden voor Nederland?

Traditioneel zijn economen pleitbezorgers van overwinstbelasting (ofwel een systeem ACE). Door het normale rendement op kapitaal niet meer te belasten is de Vpb niet verstorend voor investeringskeuzes, hoe hoog het tarief ook is. Toch kent deze overwinstbelasting nadelen. De grondslagversmalling zal een tariefverhoging noodzakelijk maken en dat is niet onschuldig in een wereld waarin financieel kapitaal mobiel is. Een hoog tarief zal namelijk leiden tot een leegloop van op papier gerapporteerde fiscale winst in Nederland. Multinationals kunnen immers een deel van hun winst laten neerslaan in landen met het laagste tarief via het manipuleren van interne verrekenprijzen. Bovendien loopt Nederland het risico minder aantrekkelijk te worden als vestigingsplaats voor winstgevende buitenlandse bedrijven. Empirisch onderzoek bevestigt het effect van verschillen in tarieven op winstverschuiving en de invloed van de belastingdruk op winstgevende bedrijven op de locatiekeuze van multinationals (zie De Mooij en Ederveen, 2008). Dit maakt overwinstbelasting gecombineerd met een hoger tarief minder aantrekkelijk voor een relatief kleine open economie.

Een belasting aan de bron (zoals het CBIT-systeem) verhoogt de kapitaalkosten en vermindert daarom de investeringen. De hogere kapitaalkosten treden zelfs op als met de opbrengst van een bronbelasting het Vpb-tarief wordt verlaagd, omdat de belastingdruk verschuift van overwinsten naar nieuw gepleegde investeringen. Alleen al om die reden krijg je economenhanden doorgaans niet op elkaar voor een kapitaalbronbelasting. Echter, tegenover de grotere verstoring in de investeringskeuze staat een kleinere verstoring in de financieringsstructuur: minder vreemd, meer eigen vermogen. Bovendien heeft een lager Vpb-tarief een gunstig effect in de strijd om gerapporteerde fiscale winst tussen landen en leidt het tot een beter vestigingsklimaat voor winstgevende bedrijven. De bronbelasting à la CBIT is daarom aantrekkelijker naarmate internationale verstoringen belangrijker zijn, precies zoals empirische studies suggereren.

Voor- en nadelen gekwantificeerd

Welk systeem moet nu de Nederlandse staatssecretaris kiezen? Tabel 1 laat de bovenstaande uitruil tussen overwinst- en bronbelasting zien aan de hand van modelsimulaties met een algemeen evenwichtsmodel voor Europa dat is ontwikkeld op het CPB. In dit CORTAX-model (zie Bettendorf en Van der Horst, 2006) worden alle bovengenoemde verstoringen gemodelleerd. De omvang van de effecten is per land verschillend en hangt af van de economische structuur en het belang van multinationals. In Nederland zijn die laatste relatief belangrijk. Daardoor is de invloed van belastingen op winstverschuiving en locatiekeuzes ook relatief groot.

Uit de eerste kolom van tabel 1 blijkt dat een overwinstbelasting in Nederland een 12 procent hoger Vpb-tarief nodig maakt. Door de aftrekbaarheid van eigen vermogen dalen de kapitaalkosten en pakt de overwinstbelasting gunstig uit voor de investeringen. Het hogere tarief zorgt echter voor een slechter vestigingsklimaat voor winstgevende bedrijven en leidt tot erosie van de Vpb-grondslag via winstverschuiving. Deze negatieve effecten zijn belangrijk voor Nederland met haar relatief grote multinationale sector, zodat de welvaart per saldo daalt.

Tabel 1. Gesimuleerde effecten van overwinst en bronbelasting volgens het CORTAX model

* Welvaart wordt gemeten als minus de equivalente variatie, d.w.z. het bedrag dat je huishoudens na de hervorming kunt ontnemen zonder dat hun nut daalt ten opzichte van de situatie voor de hervorming.

De tweede kolom van Tabel 1 laat een simulatie zien van een bronbelasting. Deze maakt een verlaging mogelijk van het Vpb-tarief met ruim 9 procentpunten. Hoewel de investeringen dalen als gevolg van de hogere kapitaalkosten, blijken de welvaartseffecten van een bronbelasting per saldo positief. Dit komt doordat de gunstige effecten van tariefverlaging op gerapporteerde winst en locatiekeuzes zwaarder wegen dan de nadelige effecten via de hogere kapitaalkosten.

Een volledige bronheffing is onhaalbaar

Nederland lijkt dus meer baat te hebben bij hervormingen richting een bronbelasting dan richting een overwinstbelasting. Een volledige bronbelasting - naar voorbeeld van het CBIT-stelsel voorgesteld door de US Treasury in 1992 - is echter een zeer risicovolle operatie. Het zou betekenen dat banken geen renteaftrek meer hebben en ook geen belasting meer betalen over hun inkomende rente van bedrijven. Echter, ze betalen wel belasting over rente ontvangen van de overheid, gezinnen en het buitenland. Banken gaan de facto fungeren als de inner van de belasting en zullen een concurrentienadeel ondervinden ten opzichte van buitenlandse banken. Zeker in de huidige economische omstandigheden is dat ondenkbaar. Een volledige bronbelasting is daarom een utopie voor Nederland alleen en slechts haalbaar als ook andere landen eenzelfde systeem invoeren.

Alternatieve voorstellen

Minder vergaande hervormingen in de richting van een bronbelasting zijn wel mogelijk en kunnen unilateraal worden ingevoerd. Het Duitse voorstel voor beperking van aftrekbare rente boven een bepaalde grens gaat in de richting van zo’n bronbelasting. Het pakt alle overmatige schuldfinanciering aan die nu leidt tot verstoring, grondslaguitholling en excessief risico voor de aandeelhouder.

Recent hebben de fiscalisten Engelen, Vording en Van Weeghel een ander voorstel gedaan waarbij rente binnen multinationale ondernemingen volledig wordt gedefiscaliseerd, d.w.z. zowel ontvangen als betaalde groepsrente is niet meer belastbaar of aftrekbaar. Volgens tentatieve berekeningen van de fiscalisten zou deze maatregel per saldo geld opleveren voor de overheid waarmee tariefverlaging mogelijk wordt gemaakt. De effecten gaan dan in dezelfde richting als de hierboven gepresenteerde bronbelasting, zij het in bescheidener vorm.

Het fiscalistenvoorstel is interessant omdat het de leegloop van de belastinggrondslag aanpakt door financieringsconstructies binnen multinationals te ontmoedigen. Echter, het doet niets aan de fiscale discriminatie tussen aandelen en schuld aan derden. Bovendien is een risico voor de Staatsecretaris dat andere landen het zullen zien als agressieve vorm van belastingconcurrentie. Immers, als ontvangen rente wordt vrijgesteld zullen financieringsmaatschappijen uit heel Europa in Nederland neerstrijken om hun activiteiten elders te financieren. Hoewel aantrekkelijk voor de Nederlandse economie, zal dit weinig waardering vinden in de omringende landen. De enige optie die andere landen resteert, is vermoedelijk het Nederlandse stelsel te kopiëren. Dit zou uiteindelijk tot een beter stelsel in Europa leiden, waarbij fiscale arbitrage de pas wordt afgesneden. Wellicht kan daarna de stap worden gezet naar volledig neutrale fiscale behandeling van eigen en vreemd vermogen.

Bron foto: Flickr

Referenties:

Bettendorf, L., en A. van der Horst (2007) ‘Documentation CORTAX,’ CPB Memorandum 161, Den Haag.

Engelen, F.A., H. Vording, en S. van Weeghel (2008) ‘Wijziging van belastingwetten met het oog op het tegengaan van uitholling van de belastinggrondslag en het verbeteren van het fiscale vestigingsklimaat’, Universiteit van Leiden.

Huizinga, H., L. Laeven en G. Nicodeme (2008), ‘Capital structure and international debt shifting’, Journal of Financial Economics 88, 80-118.

Mooij, R.A. de, en S. Ederveen (2008) ‘Corporate tax elasticities: a reader’s guide to empirical findings’, Oxford Review of Economic Policy, te verschijnen.

US Department of Treasury (1992) Integration of the individual and corporate tax systems: taxing business income once, US Government Printing Office, Washington.

Te citeren als

Albert van der Horst, “Stop scheefgroei in de winstbelasting”, Me Judice, 3 december 2008.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.