Subsidies op energiegebruik landbouw en industrie niet meer van deze tijd

Subsidies op energiegebruik landbouw en industrie niet meer van deze tijd image
8 mrt 2010 | | 3148 keer bekeken
Grootverbruikers van energie in de industrie en landbouw betalen een verlaagd tarief energiebelasting; op kerosine zit geen accijns; landbouwmaterieel draait op rode diesel. Deze en andere subsidies op energiegebruik afschaffen betekent het stimuleren van een schoner en innovatiever bedrijfsleven en is nu opportuun gegeven het oplopende overheidstekort, stelt de Delftse hoogleraar Cees van Beers.

Noodzaak tot heroverwegen

Het ten gevolge van de economische crisis opgelopen tekort op de overheidsbegroting noopt tot ingrijpen. Daarom heeft het – inmiddels demissionaire – kabinet Balkenende IV ambtelijke werkgroepen heroverweging ingesteld waar op twintig beleidsthema’s fundamentele keuzes moeten worden gemaakt om de uit de hand gelopen overheidsfinanciën weer in het gareel te krijgen. Uit de brief van de minister-president aan de kamer kan worden opgetekend:

“Na de crisis moet de weg hervonden worden naar herstel en moet worden doorgewerkt aan de vormgeving van een sterker, slimmer, schoner, solide en solidair Nederland.”

Subsidies op gebruik fossiele brandstoffen

Een belangrijke fundamentele keuze die gemaakt zal moeten worden is de afschaffing van zogenaamde milieuschadelijke subsidies, in het bijzonder de subsidies voor fossiele brandstoffen. Een dergelijke keuze zal Nederland sterker, slimmer en schoner maken.

Het grootste deel van milieuschadelijke energiesubsidies stimuleert het gebruik van fossiele brandstoffen, met name olie en gas. Voorbeelden zijn accijnsvrijstelling op kerosine, de degressieve structuur van de Energie Belasting (EB) in industrie en landbouw, verlaagd accijns voor rode diesel in de landbouw, verlaagd BTW tarief op vlees, zuivel en vis, onroerende zaakbelastingsvrijstelling voor landbouwgronden, beperkte aansprakelijkheid kerncentrales, fiscale bevoordeling oude auto’s, enz.

Dergelijke belastingvoordelen leiden niet alleen tot (1) meer milieuschade maar ook tot (2) belemmering van voor economische groei noodzakelijke innovaties gericht op een verschuiving naar duurzame energiebronnen, en (3) grotere afhankelijkheid van fossiele brandstoffen die worden geïmporteerd uit politiek instabiele delen van de wereld zoals het Midden-Oosten, Rusland en Venezuela.

Milieuschade van subsidies

Accijnsvrijstelling op kerosine bijvoorbeeld heeft tot gevolg dat vliegreizen te goedkoop zijn in vergelijking met andere wijzen van transport waarvan de brandstof geen vrijstelling kent. Dat leidt tot relatief meer vraag naar vliegreizen en meer milieuvervuiling door vliegtuigen en minder overheidsinkomsten van meer dan 1 miljard euro.

Hetzelfde geldt voor de degressieve structuur van de energiebelasting voor de industrie waar het gaat om een bedrag van bijna 2 mld euro (van Beers and van den Bergh, 2009). Iedereen – gezinnen en bedrijven – die elektriciteit en gas gebruikt, betaalt energiebelasting. Het doel van de energiebelasting is om energie duurder te maken waardoor er zuiniger mee wordt omgegaan. Maar niet iedereen betaalt evenveel. In tegenstelling tot de progressieve inkomstenbelasting is de energiebelasting namelijk een degressieve belasting (Vollebergh, 2008). Een gezinshuishouding betaalt gemiddeld veel meer energiebelasting per kilowatt uur (kwh) dan grootverbruikers zoals de chemische industrie. De energiebelasting-tarieven op bijvoorbeeld elektriciteit leiden er toe dat per ton CO2-uitstoot gezinnen € 192,- betalen, het zakelijk Midden- en Kleinbedrijf € 70,- en de industrie € 2,- (CE-Delft, 2010). De precieze grootte van deze bedragen hangt natuurlijk af van diverse veronderstellingen maar laat wel zien dat per ton CO2 de huishoudens het meest betalen. Gezinnen gebruiken ‘slechts’ 20 procent van de totale elektriciteitsproductie en hun energiebezuiniging, ofschoon gewenst, zet relatief weinig zoden aan de dijk. Qua energiebezuinigingen kunnen de grote slagen worden gemaakt bij de grootverbruikers en dat lukt zo niet. De hoge uitstoot die het gevolg is van milieuschadelijke subsidies heeft de G-20 – de twintig grootste economieën in de wereld – tijdens hun bijeenkomst in Pittsburgh afgelopen september er toe gebracht op te roepen om op middellange termijn de fossiele brandstofsubsidies uit te faseren.

Rem op technische ontwikkeling

Ook heeft een gemiddeld huishouden minder mogelijkheden radicale innovaties te ontwikkelen en door te voeren dan industriële grootverbruikers die vaak in samenwerking met energieleveranciers of universiteiten wel mogelijkheden hebben tot radicale innovaties ten einde over te gaan op duurzame energiebronnen. En innovaties zijn nodig, niet alleen om een rendabele overgang van fossiele brandstoffen naar duurzame energiedragers mogelijk te maken maar ook om de economische groei op langere termijn te stimuleren. Afschaffing van de degressieve structuur van de EB zal duurzame innovaties kunnen stimuleren en daarmee ook het gebruik van niet-fossiele energiebronnen bij de groep grootverbruikers.

Geopolitiek

Een andere belangrijke reden om het gebruik van fossiele brandstoffen in Nederland en de EU terug te dringen is van geopolitieke aard, namelijk vermindering van de afhankelijkheid van fossiele energie importen uit landen die Westerse democratieën geen warm hart toedragen. Door ons aardgas is Nederland weliswaar – in vergelijking met andere EU-landen – minder afhankelijk van energie-importen maar deze positie is door de uitputbaarheid van de aardgasbel op de lange termijn niet houdbaar. Nederland en de andere EU landen kunnen in een chantabele positie terecht komen. Dit bleek bijvoorbeeld uit de aanbeveling van de Russische premier Poetin aan zijn Deense collega Rasmussen begin november dat de Europese Unie (EU) aan Oekraïne 1 miljard dollar moet lenen opdat het land zijn gasrekening aan Rusland kan betalen om zo te voorkomen dat Rusland in het begin van 2010 de gaskraan naar Oekraïne en dus de EU zou dichtdraaien zoals eerder in 2006 en 2009 is gebeurd.

Uitfasering en politieke haalbaarheid

De huidige en toekomstige begrotingstekortperikelen zijn de kans om milieuschadelijke subsidies die een last zijn voor de overheidsbegroting, milieuschade veroorzaken, innovatiebelemmerend kunnen werken en de energiezekerheid in gevaar brengen, af te schaffen.

Voor wat betreft de politieke haalbaarheid zijn er belemmeringen. De glastuinbouw bijvoorbeeld kent een nultarief op aardgas. Plotseling afschaffing hiervan leidt tot snelle kostenverhoging voor deze energie-intensieve bedrijven. In de glastuinbouw zijn de energiekosten bijna 20 procent van de kostprijs (arbeidskosten vormen 30 procent van de kostprijs). Om het energiegebruik van de sector in toom te houden is er een convenant afgesloten dat voorziet in verhoging van de energie-efficiëntie door middel van investeringen in energiezuinige technieken (GLAMI convenant). Het probleem met dergelijke convenanten is dat zij wel de energie-efficiëntie kunnen vergroten maar niet de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen verminderen. Sterker, een grotere energie-efficiëntie leidt tot verminderde prikkels om over te gaan op alternatieve mogelijkheden.

Zeker in sectoren waar de energie-efficiëntie is vergroot kan de overheid komen tot verminderde energiebelastingvrijstellingen omdat de belastingverhoging minder bijt dan voorheen toen de energie-efficiëntie minder was. Als de overheid duidelijk maakt dat deze afschaffing geleidelijk gaat met een helder toekomstig tijdpad, kunnen prikkels worden geschapen om over te gaan naar alternatieve energie bronnen. Popp (2001) heeft laten zien dat een stijging van de prijzen van fossiele brandstoffen leidt tot meer patenten in duurzame energiedragers. Ofwel: (kunstmatig) lage prijzen van fossiele brandstoffen remmen de ontwikkeling van duurzame technologieën.

Verandering van de structuur van de energiebelasting door het tarief gelijk te trekken over meerdere schijven levert in het meest extreme geval 6 miljard euro op (zie van Beers e.a., 2007) en 2,7 miljard euro in een minder extreem – politiek haalbaarder – geval (CE-Delft, 2010).

Deze middelen kunnen in het tekort vloeien en op korte termijn het overheidstekort verminderen. Belangrijker is dat de effectiviteit van bestaande subsidiemaatregelen gericht op stimulering en implementatie van duurzame energiedragers wordt vergroot. De prijsverhouding tussen niet-duurzame en duurzame energiedragers wordt gunstiger voor de laatstgenoemde groep.

De opbrengsten kunnen ook – voor een deel – geïnvesteerd worden in de stimulering van duurzame energietechnologieën. De terugsluizing kan plaatsvinden in de vorm van bijvoorbeeld extra onderzoeksinvesteringen gericht op ontwikkeling en implementatie van duurzame energietechnologieën. Dit draagt niet of minder bij aan de reductie van het begrotingstekort op korte termijn maar wel aan stimulering van langere termijn economische groei. En economische groei is de beste remedie om het overheidstekort terug te brengen.

Referenties:

Beers, C. van and J.C.J.M. van den Bergh, 2009, Environmental Harm of Hidden Subsidies: Global Warming and Acidification, Ambio, 38, 6, 338 – 341.

Beers, C. van, en J.C.J.M. van den Bergh, A. de Moor and F. Oosterhuis, 2007, Determining the Environmental Effects of indirect subsidies: integrated model and application to the Netherlands, Applied Economics, 39, 2465– 2482.

CE-Delft, 2010, Grenzen aan groen? Bouwstenen voor een groen belastingstelsel, rapport in opdracht van het Ministerie van VROM, Delft.

Popp, D., 2002, Induced Innovation and Energy Prices, American Economic Review, 92, 1, 160-180.

Vollebergh, H.R.J., 2008, Lessons from the polder: Energy tax design in The Netherlands from a climate change perspective, Ecological Economics, 64, 660-672.

Te citeren als

Cees van Beers, “Subsidies op energiegebruik landbouw en industrie niet meer van deze tijd”, Me Judice, 8 maart 2010.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.