Verbinden typisch Nederlandse kennis en kunde maakt het land innovatief

Verbinden typisch Nederlandse kennis en kunde maakt het land innovatief image
27 apr 2010 |
De uitdaging het Nederlandse innovatiebeleid ligt eerder in het creatief verbinden van typisch Nederlandse kennis en kunde dan in financiële ondersteuning van een aantal innovatief geachte sectoren, stelt de Amsterdamse econoom Frank den Butter. Hij ziet dan ook weinig in een terugkeer naar het selectieve industriebeleid van voor de RSV-affaire, waar de ideeën van het Innovatieplatform op neerkomen.

Innovatieplatform kiest, RSV-affaire of niet

Het innovatieplatform streeft om Nederland terug te brengen in de top vijf van de duurzame kenniseconomieën (Innovatieplatform, 2010). Een manier om dat te bereiken is een versterking van de zogenoemde ‘sleutelgebieden’. Dit zijn sectoren uit de industrie en diensverlening, die het Innovatieplatform heeft aangewezen als terreinen waarin ons land excelleert: High Tech Systemen en Materialen, Flowers & Food, Water, Chemie en de Creatieve Industrie. Met deze benadering neemt het Innovatieplatform afstand van het generieke beleid waarbij de overheid niet zelf kiest welke bedrijvigheid extra aandacht en gelden krijgt.

Aanleiding van de focus op een generiek industriebeleid was indertijd de RSV-affaire, en in meer algemene zin de ondersteuning die de scheepsbouw in de jaren 70 van de vorige eeuw heeft ontvangen. Dat heeft veel geld gekost – aan RSV is 2,2 miljard gulden besteed - en is faliekant mislukt. Daarmee is de traditionele scheepsbouw als belangrijke industrie uit ons land verdwenen. Mede dankzij de parlementaire enquête (1983-1984) over de RSV is een einde gekomen aan toegeven aan lobbygedrag en ondersteuning van niet-productieve industrieën. Wel heeft het belangwekkende advies van de commissie Wagner uit 1981 een nieuw industrieel elan gebracht. Het betekende een positieve herwaardering van de industriële bedrijvigheid, en ruimer, van de marktsector in ons land.

De meeste economen ondersteunen tegenwoordig de focus op generiek industriebeleid, en in het verlengde daarvan, generiek innovatiebeleid. Immers, over welke informatie beschikt de overheid, zodat ambtenaren en beleidsmakers beter kunnen beoordelen waar het bedrijfsleven in de toekomst zijn geld mee gaat verdienen dan dat de ondernemers dat zelf kunnen? Die informatie heeft de overheid niet. Het enige valide argument van overheidsingrijpen dat ondersteuning aan het bedrijfsleven billijkt, is reparatie van marktfalen. Dan gaat het vooral om een bijdrage aan de uitstralingseffecten – de positieve externe effecten - die kennisinvesteringen met zich meebrengen. Hiermee is bedoeld dat wanneer het ene bedrijf investeert in kennis, andere bedrijven daarvan kunnen meeprofiteren. Afscherming van die kennis is dan vanuit het oogpunt van algemeen economisch belang niet gewenst. Dan moet de overheid wel degene die deze nuttige kennis ontwikkelt daarbij geldelijk ondersteunen. Anders wordt er te weinig kennis ontwikkeld en dat is niet goed voor de economie.

Toch een gericht innovatiebeleid?

Dit argument van het bevorderen van kennisinvesteringen met positieve externe effecten sluit gericht beleid overigens niet uit (Den Butter en Jo, 2009). Wel betekent het dat de overheid over zeer specifieke informatie dient te beschikken en zeer gericht die informatie moet vergaren om te weten welke kennisinvesteringen ondersteuning verdienen. Die informatie betreft twee onderdelen. In de eerste plaats de mate waarin de kennisinvesteringen inderdaad ook voor andere bedrijven, en dus voor de economie als geheel, van nut kunnen zijn. Het gaat dan om de omvang van de uitstralingseffecten. Ten tweede is het nodig dat de overheid te weten komt in welke mate de kennisinvesteringen toch al, zonder overheidsgelden, zouden zijn gedaan. Dat is de omvang van het zogeheten “deadweight loss”. Om achter deze informatie te komen, heeft de overheid wel een uitgestippelde strategie nodig. Immers (goed geïnformeerde) bedrijven en lobbygroepen zullen ook beseffen dat dit de informatie is waar de overheid belangstelling voor heeft. Ze zullen zich op dit gebied mooier willen voordoen dan ze zijn. Dergelijke “rent seeking” dient te worden voorkomen.

Het innovatieplatform heeft indertijd een soort schoonheidswedstrijd gehouden om de sleutelgebieden te bepalen. Vanzelfsprekend was daarbij een voorwaarde dat bedrijven uit de verkozen sectoren tot de wereldtop behoren bij het benutten van toepassingsgerichte kennis. Als keuzecriterium gold tevens dat de bedrijven deel uitmaken van omvangrijke samenwerkingsverbanden en zich als sector tesamen sterk weten te presenteren. Deze nadruk op netwerkvorming kan worden opgevat als de manier waarop het innovatieplatform informatie heeft getracht te krijgen over de mogelijke omvang van uitstralingseffecten, en daarmee over de mogelijke externe effecten. Anderzijds werkt dit criterium in de hand dat vooral die sectoren zich in de schoonheidswedstrijd kwalificeren die al een sterke gezamenlijke lobby hebben. Tekenend daarvoor is dat sommige leden van het innovatieplatform dominante ondernemers uit die sectoren zijn.

I

nnovatiebeleid gericht op flexibiliteit en competenties

De nadruk op netwerkvorming in het innovatiebeleid is niet verkeerd. Inderdaad bevordert netwerkvorming de uitstralingseffecten. Welke netwerken in de toekomst belangrijk voor de concurrentiekracht zullen zijn is echter onzeker. Een keuze nu voor een bepaalde sector kan een verkeerde keuze zijn. Vandaar dat de sterkte van het bedrijfsleven, en evenzeer van de samenwerking tussen bedrijfsleven en overheid, vooral in de flexibiliteit moet worden gevonden. Het gaat er om dat snel kan worden aangepast en ingespeeld op nieuwe ontwikkelingen. Deze keuze voor flexibiliteit was indertijd ook het antwoord van Verkenningscommissie Economische Wetenschappen (1996) op de vraag op welke kennisgebieden van de economie de Nederlandse economen zich zouden moeten concentreren. De commissie, onder voorzitterschap van oud-premier Lubbers en met onder meer Maljers en Wellink als leden, was van mening dat directe sturing van economisch onderzoek niet wenselijk is. In plaats daarvan dienen koersveranderingen plaats te vinden binnen een institutioneel kader dat deze veranderingen stimuleert. In dezelfde zin is in Singapore dat hoog in de top van de kenniseconomieën staat en door het innovatieplatform als lichtend voorbeeld wordt gezien, het beleid vooral gericht op flexibiliteit. Daarnaast gelden politieke stabiliteit en een goede infrastructuur voor het snel zaken kunnen doen, als een voorwaarde voor een plaats in de top.

Op dit punt valt dus wel degelijk wat te kiezen. Maar die keuze heeft met name betrekking op de voorziening van goede instituties waarbinnen de specifieke sterktes van het land in de vorm van bekwaamheden tot hun recht kunnen komen. Voor ons land betreft dat vooral het kunnen leggen van verbindingen en het inzicht om kennis in producten en diensten te vermarkten. Het gaat daarbij om de Nederlandse handelsgeest, dat wil zeggen de kunde om handig en tegen lage kosten transacties tot stand te brengen. Het innovatieplatform beseft dat in Nederland 70 procent van het geld in de dienstensector wordt verdiend. En daarbij blijft handel en dienstverlening binnen bedrijven in de industrie nog buiten beeld. Het betekent dat de traditionele grenzen tussen de sectoren zoals deze in de statistieken worden onderscheiden, vervagen. Juist in het leggen van verbindingen tussen sectoren liggen de kansen. Tekenend in dit verband is de “creatieve industrie”. Het is het buitenbeentje in de rij van sleutelgebieden. De creatieve industrie is in feite een samenstel van bedrijvigheid met een hoogwaardige dienstverlening, die in de statistieken helemaal niet als sector wordt onderscheiden.

Enigszins provocerend heb ik tijdens een brainstormsessie van het innovatieplatform geopperd dat de “vergrijzingsindustrie” een nieuw sleutelgebied zou moeten zijn. Die sector bestaat ook niet als zodanig, maar kan ontstaan als netwerk van allerlei ondernemingen die voorzien in de behoefte van de komende kapitaalkrachtige grijze golf. Te denken valt aan het verbinden van kennis over de zorg, woningvoorziening, reizen, ontspanning, sport en onderwijs voor ouderen. Niet voor niets heeft Philips zich gericht op de medische apparatuur waarnaar de vraag in de vergrijzende samenleving snel zal toenemen. Juist de bundeling en wederzijdse versterking van kennis in de vergrijzingsindustrie creëert waarde. Bovendien vergrijst de rest van de kapitaalkrachtige wereld ook zodat met deze kennis goede zaken te doen valt. Kortom, de uitdagingen voor ons land om in de top van de kenniseconomieën te geraken liggen eerder in het creatief verbinden van allerlei typisch Nederlandse kennis en bekwaamheden dan in de financiële ondersteuning van geselecteerde sectoren.

Referenties:

Butter, F.A.G. den, en S-G Jo, 2009, Pros and Cons of ‘Backing Winners’ in Innovation Policy, Tinbergen Institute Discussion Paper TI 2009-012/3

Innovatieplatform, 2010, Nederland 2020: Terug in de top 5; de Economische Agenda: Innovatief, Internationaal, Involverend.

Verkenningscommissie Economische Wetenschappen, 1996, Kijk op Economische Kennis, Rapport voor de Overlegcommissie Verkenningen, Amsterdam.

Te citeren als

Frank den Butter, “Verbinden typisch Nederlandse kennis en kunde maakt het land innovatief”, Me Judice, 27 april 2010.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.