Vergelijking tussen scholen is wel degelijk mogelijk

Vergelijking tussen scholen is wel degelijk mogelijk image
Afbeelding ‘Teacher at Chalkboard’ van cybrarian77 (CC BY-NC 2.0)
21 mrt 2013 | | 946 keer bekeken
Het feit dat Cito-scores van basisscholen openbaar worden gemaakt verdeelt het onderwijsveld. Om de bezwaren tegen openbare vergelijking van basisscholen weg te nemen moeten we volgens hoogleraar Accountancy Jan Bouwens naar twee toetsmomenten om zo de waarde van de school in kaart te brengen. Juist de school die vooruitgang boekt en nu wellicht wordt gestigmatiseerd door slechts een toetsmoment krijgt de kans om aan dat stigma te ontkomen.

Openbaarheid cito-scores

Afgelopen week besloot staatssecretaris van onderwijs Sander Dekker om de Cito-uitslagen van de basisscholen in een vergelijkend overzicht openbaar te maken. Hij doet dit onder druk van RTL Nieuws, dat met de Wet Openbaarheid Bestuur in de hand deze gegevens wil inzien. Afgelopen zondag maande hij de basisscholen in Buitenhof nog om toch vooral alle leerlingen te laten deelnemen aan de Citotoets. Gisteren besloot staatssecretaris Dekker om openbaarmaking van de Citoscores in een vergelijkend overzicht tegen te houden in afwachting van het oordeel van de rechter. Hiermee komt hij tegemoet aan de lobby van basisscholen die zich fel verzetten tegen zo'n vergelijking. De besturen van basisscholen en de PO (Primair Onderwijs)-raad duikelen over elkaar heen om de onwenselijkheid van deze openbaarmaking te beargumenteren.

Afwijzing

Ton Duif, directeur van de Algemene Vereniging van Schoolleiders (AVS) zegt in de Volkskrant 7 maart jl.: “De Citoscore is bedoeld als onafhankelijk hulpmiddel, ter ondersteuning van het advies van de leraar. Dat advies komt tot stand aan de hand van acht jaar onderwijs. Dat legt veel meer gewicht in de schaal dan een momentopname als de Citotoets.” De opmerking van Ton Duif vindt echter maar heel beperkt navolging in de praktijk. Dat wil zeggen: de leraar kan de uitslag enigszins nuanceren. Echter, grote verschillen tussen zijn advies en de uitslag leiden slechts zeer sporadisch tot toelating op een hoger schoolniveau dan de Cito-score aangeeft. Op 15 maart berichtte deze krant dat 60 procent van de basisscholen overweegt de Citotoets af te schaffen als de onderlinge vergelijking door Dekker wordt doorgevoerd.

Volgens Agnes Jongerius en Fred van Leeuwen, namens Education International (Volkskrant, 9 maart jl.) zou men de leraar nooit moeten aanspreken op uniform gemeten prestaties van de leerling – dus één meetmoment - omdat de beginsituatie bepalend is voor de leercapaciteit over de basisschoolperiode. Zij wijzen daarom elke poging om de prestatie van de leraar te meten door de prestaties van het kind te bezien van de hand.

Eerlijke vergelijking vraagt meer

Maar, als we de leraar niet meer op de resultaten van de leerling kunnen aanspreken, wie dan wel? Het argument van de PO-raad nadert dichter tot de kern. De raad meent dat een eerlijke vergelijking tussen scholen vereist dat de achtergrond van de leerlingen die de school binnenkomen is meegenomen. Juist omdat we weigeren dat onderscheid te maken vervallen we in schijnoplossingen. Een schijnoplossing vormt de recent ingevoerde ‘eindtoetsniveau’ bestemd voor leerlingen die wat minder hoog scoren in taal en rekenen. Echter, met de invoering van de eindtoetsniveau voor veronderstelde minder slimme leerlingen en de basistoets voor de slimmere kinderen weten we nog steeds niet welke scholen succesvol zijn in het aanspreken van talent. Immers, voor een kind dat nog geen Nederlands kent als het de basisschool betreedt, duurt het veel langer om te leren lezen dan voor een Nederlandstalig kind.

Twee toetsen noodzakelijk

Een goede school onderscheidt zich van een slechte school in de mate waarin men die achterstand over de schoolcarrière in het primair onderwijs weet in te lopen. Om nu te weten hoe goed een school de talenten gegeven de beginsituatie van het kind aanpreekt, moeten we daarom op twee momenten meten: aan het begin en aan het einde van de basisschool. Naarmate het verschil tussen die twee punten toeneemt, hebben we te maken met een betere school.

Nu zou een bezwaar tegen zo’n meetsysteem kunnen luiden dat we de scholen al bij voorbaat stigmatiseren als zij een relatief grote instroom hebben van leerlingen met een lagere beginsituatie Anderzijds geeft het scholen een enorme prikkel om ervoor te zorgen dat de talenten van individuele leerlingen worden aangesproken. Immers, de gemiddelde toename geldt voor leerlingen die met weinig en met veel achterstand het primair onderwijs ingaan. Het beleid van de school zou zich dus op beide groepen moeten richten, wil deze school een goed cijfer van ontwikkelingsvoortgang kunnen laten zien. De introductie van twee meetmomenten geeft daarom juist de school die nu wellicht wordt gestigmatiseerd, de kans om aan het label op basis van resultaten te ontkomen.

Voorts maakt de introductie van twee meetmomenten het bestaan van een Cito-toets voor slimme en andere kinderen overbodig. Wie is de leraar om te bepalen dat de leerling de moeilijke Cito-toets niet kan maken?

* Dit artikel is op 21 maart 2013 in verkorte vorm verschenen in De Volkskrant.

Te citeren als

Jan Bouwens, “Vergelijking tussen scholen is wel degelijk mogelijk”, Me Judice, 21 maart 2013.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.