Verklaring afname vertrouwen in EU: gevoel zegt meer dan harde cijfers

Onderwerp:
Dossier:
Verklaring afname vertrouwen in EU: gevoel zegt meer dan harde cijfers image

Afbeelding ‘Gresham Encyclopedia - Europe after WW1’ van Jon Ingram (CC BY 2.0).

Het vertrouwen in de EU is sinds de crisis afgenomen. Dat kunnen we niet verklaren met harde macro-economische variabelen als werkloosheid en bbp per hoofd van de bevolking. Hoe mensen hun eigen economische situatie beoordelen blijkt wél een deel van het verloren vertrouwen te verklaren volgens Rabo-economen Hardeman, Van Schoot en Wijffelaars. Om het anti-EU-geluid te stoppen moeten politici en beleidsmakers zich daarom niet blindstaren op gangbare macro-indicatoren. Ze zouden meer moeten letten op hoe burgers hun (economische) situatie ervaren en dat proberen positief te beïnvloeden.

Bent u geneigd de EU te vertrouwen, of niet?

Hoe kunnen we de onvrede over de EU verklaren? Is deze te verklaren door jaren van economische achteruitgang en stilstand (zoals Clinton in 1992 tegen de kiezers zei, “it’s the economy, stupid”), of moeten we breder kijken? Om hier achter te komen hebben wij een onderzoek uitgevoerd aan de hand van vragen die het  vertrouwen in de EU peilen. Als afhankelijke variabele, gebruiken we het antwoord op de vraag “Bent u geneigd de EU te vertrouwen of niet?” uit de Eurobarometer van de Europese Commissie. Meer specifiek, de afhankelijke variabele is het percentage van de respondenten per land dat aangeeft geneigd is de EU te vertrouwen. In de jaren na het uitbreken van de financiële crisis nam het vertrouwen in de Europese Unie af. Ondertussen kan de EU weer op meer steun rekenen dan tijdens het dieptepunt, maar het vertrouwen is zeker nog niet hersteld (figuur 1).

Figuur 1: Verloop van EU-sentiment door de jaren heen

Noot: Ongewogen gemiddelde. Noord-Europa: België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Finland, Ierland, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Sweden, Verenigd Koninkrijk. Zuid-Europa: Cyprus, Griekenland, Italië, Portugal, Spanje. Midden- en Oost-Europa: Bulgarije, Estland, Hongarije, Kroatië, Letland, Litouwen, Polen, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Tsjechië. Bron: Eurobarometer van de Europese Commissie, Macrobond, bewerking Rabobank

Ons onderzoek maakt onderscheid tussen harde en zachte variabelen als verklaring voor vertrouwen in de EU (zie Hardeman et al. 2017 voor volledige beschrijving van de data). Harde economische variabelen zeggen iets over de feitelijke situatie waarin een land zich bevindt. Bij harde economische variabelen kan worden gedacht aan inkomens- en werkloosheidscijfers. Zachte variabelen zeggen iets over het gevoel dat mensen hebben bij de situatie waarin een land zich bevindt. Denk hierbij aan algehele tevredenheid of de tevredenheid van mensen met hun werksituatie. De laatste soort variabelen geven met andere woorden inzicht in hoe mensen hun economische situatie daadwerkelijk ervaren. Dit kan namelijk afwijken van wat macro-economische cijfers ons proberen duidelijk te maken.

We gebruiken een fixed effects regressiemodel. In het model corrigeren we ervoor dat het niveau van vertrouwen kan verschillen tussen landen en ook in verschillende jaren. Zo kunnen specifieke gebeurtenissen in een bepaald jaar in alle landen het sentiment jegens de EU vergroten of verkleinen (in figuur 1 bijvoorbeeld in 2007). Daarnaast nemen we vanuit de literatuur twee variabelen mee: het vertrouwen van de bevolking in de eigen overheid en in hoeverre mensen zich vooral verbonden voelen met hun land in plaats van met de EU.[1]

Resultaten: hard versus zacht

In tabel 1 worden de resultaten van onze analyses uiteen gezet. Het ligt in de lijn der verwachting dat als een land een hogere werkloosheid kent, de bevolking minder vertrouwen heeft in de EU (of de eigen overheid, zie Armingeon en Ceka, 2014; Roth et al., 2013; Demosthenes et al., 2015). In onze resultaten vinden we echter geen significante relatie tussen werkloosheid en vertrouwen in de EU (model 1). Dit kan betekenen dat een hogere werkloosheid het EU-sentiment niet (voldoende) beïnvloedt of dat dit voornamelijk wordt afgewenteld op de eigen overheid. [2]

Tabel 1. Regressieresultaten – vertrouwen in de EU als afhankelijke variabele



Model 1
Model 2
Model 3
Model 4
Vertrouwen in nationale overheid
0,396***
0,388***
0,300***
0,389***

0.063
0.067
0.070
0.067
Nationale identiteit
-0,003**
-0,003**
-0,003**
-0,003**

0.001
0.001
0.001
0.001
Werkloosheid
-0.004




0.003



Bbp per capita

0.117




0.146


Tevredenheid met leven


0,4328***




0.144

Tevredenheid met werksituatie



0,117*




0.062
Jaareffecten
Ja
Ja
Ja
Ja
Aantal observaties (N)
327
335
336
336
Aantal landen
28
28
28
28
R2
0.69
0.70
0.72
0.70

Noten: Robuuste standaardfouten onder de coëfficienten. Alle modellen bevatten (ongerapporteerde) landen fixed effects. * significant op het 10%-niveau; ** significant op het 5%-niveau; *** - significant op het 1%-niveau.


De volgende harde economische variabele die we gebruiken, is bbp per hoofd van de bevolking. Economen gebruiken dit als maatstaf voor het gemiddelde inkomen in een land. Het is van tevoren niet duidelijk of die invloed positief of negatief is. Vanuit het idee dat overheidsinstanties positief bijdragen aan het gemiddelde inkomen van een land verwachten we enerzijds dat het gemiddelde inkomen bijdraagt aan vertrouwen in de EU. Anderzijds kan het ook zijn dat landen met een hoog gemiddeld inkomen vrezen hun rijkdom te verliezen aan de EU. In dat geval verwachten we een negatief effect. We vinden echter geen invloed van bbp per hoofd op het vertrouwen in de EU (model 2). Om de relatie tussen inkomen en vertrouwen in de EU meer direct te schatten, hebben we ook gebruik gemaakt van de variabele besteedbaar inkomen per hoofd van de bevolking. We zien dat besteedbaar inkomen over het algemeen een positief effect heeft op vertrouwen in de EU, maar dit effect is niet voor alle specificaties significant.

Met harde economische variabelen alleen lukt het ons dus niet om het vertrouwen van landen in de EU te verklaren. Daarom onderzoeken we of zachtere variabelen, zoals verzameld aan de hand van enquêtes, meer kunnen verklaren. Hiervoor gebruiken we het subjectieve equivalent van de voorgaande variabelen werkloosheid en bbp per hoofd. Dit zijn respectievelijk het antwoord op de vraag “verwacht u dat uw werksituatie het komende jaar verbetert, gelijk blijft of verslechtert” en ”bent u over het algemeen tevreden met het leven dat u leidt” . Deze variabelen blijken wél significant in de meeste specificaties. In model 3 wordt allereerst tevredenheid met leven als verklarende variabele toegevoegd: een hogere tevredenheid over het eigen leven hangt sterk samen met een beter gevoel bij de EU. Tot slot voegen we tevredenheid met de werksituatie aan het model toe (model 4). Ook tevredenheid met de werksituatie heeft een positief effect op vertrouwen in de EU, zij het minder significant dan tevredenheid met leven.

It’s not just about the economy, stupid!

Harde economische variabelen die de feitelijke staat van de economie weerspiegelen zijn niet genoeg om het verslechterde vertrouwen in de EU te verklaren. Sterker nog, volgens ons onderzoek bestaat er geen significant verband tussen de twee. Zachtere (economische) variabelen kunnen wel een deel van het (verloren) vertrouwen in de EU verklaren. Om het vertrouwen in de EU te vergroten zouden beleidsmakers er dus goed aan doen om meer aandacht te besteden aan hoe mensen de (economische) situatie in een land ervaren. Het lastige is echter dat deze wetenschap weinig handvatten biedt om economisch beleid te voeren. De tevredenheid van mensen zelf wordt waarschijnlijk ook bepaald door meerdere factoren. Denk hierbij aan hardere economische factoren, maar ook aan de invloed van media, onderwijs en politici. Daarnaast beïnvloeden instituties als media, onderwijs en politici vermoedelijk ook rechtstreeks het vertrouwen in de EU. Feit blijft dat, om het vertrouwen in de EU te vergroten, beleidsmakers er goed aan zouden doen verder te kijken dan de gangbare economische variabelen, in lijn met een brede kijk op welvaart (Rijpma e.a., 2017). Steun voor de EU is nodig voor een goede samenwerking tussen lidstaten. Juist voor een open economie als de Nederlandse is een goed functionerende EU met vrij handelsverkeer van belang.

Dit is een verkorte versie van een grotere publicatie die op de website van RaboResearch verschijnt.

Voetnoten:


[1] Naast genoemde variabelen hebben we in de analyses geëxperimenteerd met een veelheid aan andere variabelen. Aangezien dit geen consistente resultaten opleverde, hebben we ervoor gekozen deze niet hier te rapporteren. Data en analyses kunnen worden opgevraagd bij de auteurs.

[2] Dat we voor de EU als geheel geen significant effect vinden voor werkloosheid, betekent niet dat deze nergens van belang is voor het verklaren van vertrouwen in de EU. Met onze methodologie kunnen we niet op individueel landniveau kijken naar het effect van variabelen op het vertrouwen in de EU. Maar dit neemt niet weg dat er signalen zijn die erop wijzen dat er wel degelijk verschillen bestaan tussen lidstaten. Zie voor meer details Hardeman et al. (2017).

Referenties:

Armingeon, K., en B. Ceka (2014), The Loss of Trust in the European UnionDuring the Great Recession Since 2007: The Role of Heuristics from theNational Political System, European Union Politics 15(1): 82-107.

Demosthenes, I., Jamet, J-F., en J. Kleibl (2015), Spillovers andEuroscepticism, ECB Working Paper.

Hardeman et al. (2017), Afname vertrouwen in EU verklaard: gevoel zegt meer dan harde cijfers, Rabobank Special.

Harteveld, E., T. van der Meer, en C.E. De Vries (2013), In Europe WeTrust? Exploring Three Logics of Trust in the European Union, European Union Politics 14(4): 543-565.

McLaren, L. (2002), Public support for the European Union: cost/benefitanalysis or perceived cultural threat?, The Journal of Politics 64: 551–566.

Rijpma, A., Moatsos, M., Badir, M., & Stegeman, H. (2017). Netherlandsbeyond GDP: A Wellbeing Index. Rabobank, Utrecht.

Roth, F., F. Nowak-Lehmann D., en T. Otter (2013), Crisis and Trust inNational and European Union Institutions: Panel Evidence for the EU, 1999to 2012, EUI RSCAS Working Paper 2013/31.

Serricchio, F., M. Tsakatika en L. Quaglia (2013), Euroscepticism and theGlobal Financial Crisis, Journal of Common Market Studies 51(1): 51-64.

Te citeren als

Sjoerd Hardeman, Daniël van Schoot, Maartje Wijffelaars, “Verklaring afname vertrouwen in EU: gevoel zegt meer dan harde cijfers”, Me Judice, 21 augustus 2017.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.

Afbeelding

Afbeelding ‘Gresham Encyclopedia - Europe after WW1’ van Jon Ingram (CC BY 2.0).

Ontvang updates via e-mail