Waar Piketty om vraagt is een betere inkomstenbelasting

10 nov 2014 | | 750 keer bekeken
De tekortkomingen in het belastingstelsel waar Piketty op wijst zijn op te lossen door het wegnemen van de ongelijke fiscale behandeling van verschillende vormen van inkomen. Dat idee is al in 1896 uitgewerkt en later verfijnd; nu is de tijd rijp om dit te realiseren, stelt fiscaal econoom Laurens Wijtvliet.

Tekortkomingen in het belastingstelsel

Het kapitalistische systeem kenmerkt zich door steeds verder toenemende ongelijkheid. Dit is de centrale these in Thomas Piketty’s magnum opus Capital in the Twenty-First Century. Nederland is daar geen uitzondering op.

Om deze ontwikkeling te keren, bepleit Piketty een wereldwijde, progressieve belasting op alle vermogen. Deze vermogensbelasting wordt geflankeerd door volledige fiscale transparantie, perfecte informatie-uitwisseling tussen belastingdiensten en een deugdelijk sanctiemechanisme. Aldus zouden alle autoriteiten wereldwijd op de hoogte zijn van de waarde van alle vermogens(bestanddelen) van alle belastingbetalers.

Piketty geeft toe dat zijn vergezicht vooralsnog een luchtkasteel is. Dat betekent niet dat zijn idee daarmee onhaalbaar is. Piketty’s utopie mag vandaag als toekomstmuziek klinken, morgen kan dat anders zijn, mede gezien de toenemende internationale samenwerking op fiscaal gebied.

De reden dat Piketty zijn toevlucht neemt tot een vermogensbelasting, schuilt in gepercipieerde tekortkomingen in de inkomsten-, schenk- en erfbelastingen. Deze belastingen zouden in zijn optiek tekortschieten en grote delen van (met name) de hogere inkomens onbelast laten. Dit manco valt niet alleen te wijten aan fiscale planning en fraude, maar ook aan gaten in wetgeving. Daarnaast zou inkomen nauwelijks meetbaar zijn.

Het Nederlandse stelsel

Ook het Nederlandse fiscale systeem kent wat Piketty zou beschouwen als tekortkomingen. Men denke dan onder andere aan de onevenwichtige behandeling van arbeid en kapitaal. Zo wordt inkomen uit werk en woning in box 1 belast tegen een progressief tarief dat kan oplopen tot 52%. Voor inkomen uit vermogen geldt juist een relatief milder tarief van 30%. Daarnaast biedt de wet mogelijkheden om bijvoorbeeld ondernemingsvermogen fiscaal gunstig te doen overgaan op een volgende generatie. Voor ander vermogen gelden dergelijke regelingen in principe niet. Om de vermogensverschillen die (mede) hierdoor ontstaan te mitigeren, zou een progressieve vermogensbelasting volgens Piketty een noodzakelijke toevoeging zijn.

Wat op het eerste gezicht logisch lijkt, blijkt bij nadere overpeinzing minder voor de hand liggend. Waarom zou men immers onvolkomenheden in (bijvoorbeeld) de inkomstenbelasting in stand laten? Waarom zou men slechts “aan de achterkant” repareren, nádat ongelijkheden zijn ontstaan?

Aan zijn bezwaar dat inkomen lastig meetbaar zou zijn, kan het in ieder geval niet liggen. Dit bezwaar lijkt zelfs ongegrond. In Piketty’s utopie laat zich namelijk een eenvoudigere oplossing denken, die reeds sinds 1896 voorhanden is. In dat jaar schetste de Duitse rechtsgeleerde Von Schanz de contouren van een inkomensconcept dat sindsdien voor veel fiscalisten en belastingwetenschappers als een ideaaltype heeft gegolden. De Amerikaanse economen Haig en Simons zouden dit concept binnen het tijdsbestek van een halve eeuw van zijn scherpe randjes ontdoen en verder verfijnen.

In dit zogenoemde comprehensive income concept omvat inkomen iedere periodieke aanwas van nieuwe, reële koop- of betaalkracht, dus gecorrigeerd voor inflatie. Die periode beslaat idealiter een mensenleven. Om budgettaire en praktische redenen wordt zij gewoonlijk opgeknipt in tijdspannen van een jaar.

Binnen dit inkomensconcept bestaat het wezen van inkomen in de periodieke aanwas of toevloeiing van nieuwe koopkracht. Op jaarbasis wordt deze aanwas bepaald door de waarde van iemands vermogen op 31 december van enig jaar te verminderen met de waarde van het vermogen op 1 januari. Daarmee is de kous nog niet af. Tussen beide peildata kunnen mensen immers ook geld hebben uitgegeven (consumptie, uitgeoefende koopkracht). Om de totaal toegevloeide koopkracht correct te kunnen becijferen, wordt het bedrag van deze consumptie daarom opgeteld bij het resultaat van de vermogensvergelijking. Als laatste wordt nog gecorrigeerd voor inflatie, omdat die koopkracht uitholt. Aldus ontstaat een compleet beeld van het totaal aan nieuwe, reële koopkracht dat iemand gedurende een jaar is toegevloeid: zijn inkomen.

In het licht van dit concept is de oorsprong van iemands inkomen irrelevant: koopkracht manifesteert zich immers ongeacht herkomst. Het maakt niet uit of de koopkrachttoename het gevolg is van loon uit dienstbetrekking, ontvangen rente of dividend, een schenking of erfenis, een loterij, of zelfs diefstal. Ook (ongerealiseerde) waardestijgingen van effecten en appreciatie van vastgoed betekenen een vermogenstoename. Zij vormen eveneens nieuwe koop- of betaalkracht en zijn daarmee conceptueel gezien inkomen. Steeds geldt: nieuwe koopkracht is inkomen en inkomen dient als zodanig te worden belast. Dit betekent dat er conceptueel geen reden is om bij de belastingheffing rekening te houden met de herkomst of de bron van het inkomen. Alle inkomen kan op één hoop worden geveegd en op dezelfde wijze worden belast.

Bovengenoemde vermogensvergelijking vereist vermogenswaardering en veronderstelt bekendheid bij de Belastingdiensten met ’s belastingbetalers bezittingen, schulden en de waarden daarvan. Die bekendheid wordt bereikt door fiscale transparantie en informatie-uitwisseling. En laat dát nu juist de spin in Piketty’s utopische web zijn.

Herziening inkomstenbelasting

Piketty’s analyse dient daarom in eerste instantie te leiden tot een betere inkomstenbelasting, in plaats van een vermogensbelasting om de feilen in een onvolkomen inkomstenbelasting te maskeren en te compenseren. Door alle inkomen categorisch en uniform te belasten, wordt reeds – zo men dat nastreeft - een eerste rem op vermogensvorming gezet. De vorming van grote vermogens wordt een stuk acceptabeler wanneer zij plaatsvindt nadat alle inkomen eerlijk is belast.

Praktische bezwaren tegen bovengenoemd comprehensive income concept laten zich denken. Het bijhouden van alle consumptieve bestedingen zou bijvoorbeeld een hoop rompslomp (bonnetjes!) opleveren. Dergelijke bezwaren van administratieve aard zijn echter door de tijd achterhaald. Immers, nu meer en meer betalingen elektronisch worden verricht, kan steeds vaker worden volstaan met het correct oormerken van de uitgaande pin- en bankbetalingen van belastingplichtigen. In onze digitaliserende wereld zou dat geen probleem moeten zijn. Administratieve doemscenario’s van schoenendozen vol reçuutjes kunnen in het huidige informatietijdperk dus naar de prullenmand worden verwezen.

Aan eventuele liquiditeitsproblemen – hoe betaalt men belasting over een ongerealiseerde waardestijging? – kan in de uitvoeringssfeer onder andere door middel van een uitstelregeling worden tegemoetgekomen.

Bovendien komt Piketty’s utopia van volledige informatie-uitwisseling en totale fiscale transparantie steeds dichterbij. Vorige maand nog bereikte bijvoorbeeld de Europese Raad overeenstemming over automatische gegevensuitwisseling inzake rente, dividenden, banksaldi en het omzetten van financiële activa.

Het blijft gissen waarom Piketty niet expliciet gewag maakt van dit comprehensive income concept. Maar eigenlijk is er weinig nieuws onder de zon van 1896. De zon stelt de zaken nu alleen in een heel ander daglicht en werpt een nieuw licht op de zaak.

Te citeren als

Laurens Wijtvliet, “Waar Piketty om vraagt is een betere inkomstenbelasting”, Me Judice, 10 november 2014.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.