Wat maakt Duitsland tot een Angstgegner op een WK? Mythen en harde feiten

Wat maakt Duitsland tot een Angstgegner op een WK? Mythen en harde feiten image
26 mei 2010 | | 4965 keer bekeken
Het Duitse elftal is voor menig tegenstander een tegenstander die angst inboezemt ook al steken de Duitsers momenteel niet in grootste vorm. Zal dit ook het komend WK het geval zijn? De Tilburgse economen Van Ours en Van Tuijl nemen de mythen rond de Duitsers de maat en komen tot de conclusie dat het venijn niet zozeer in de laatste minuut zit – daar is Nederland ook erg goed in – maar vooral in het nemen van de strafschopreeksen zijn onze oosterburen meesters.

WK in Zuid Afrika

Voor voetballiefhebbers breekt weer een spannende en opwindende tijd aan. Het WK in Zuid-Afrika staat op het punt van beginnen. Er zijn veel potentiële winnaars. Grote voetballanden als Argentinië, Brazilië (regerend kampioen van Zuid-Amerika), Duitsland, Italië (regerend wereldkampioen) en Spanje (regerend Europees kampioen) zijn voor de hand liggende kandidaten. Al vele malen hebben ze in finales van grote toernooien gestaan. Soms hebben ze zelfs een toernooi zegevierend afgesloten. Als tweevoudig verliezend finalist tijdens een WK en éénmalig winnaar van een EK doet Nederland ook aardig mee. Engeland dicht zichzelf ook een kans toe, maar dat is zeker niet gebaseerd op prestaties in het verleden. Het heeft slechts één keer in de finale van een WK gestaan. Dit succes dateert echter al weer van 34 jaar geleden.

Mythen over Duitsland

Wat zijn de kansen van Nederland? We durven er geen slag naar te slaan. Moeten we ons zorgen maken over Duitsland als tegenstander? Daar weten we iets meer over. Het Duitse succes wordt omgeven door mythen (zie Vergouw, 2006). Een aantal van deze mythen is gemakkelijk te weerleggen:

  • Het Duitse elftal heeft altijd geluk met de loting. Nee hoor. In de groepsfase treffen onze oosterburen Australië, Ghana en Servië, die gemiddeld op een 23ste plaats op de FIFA-ranglijst van april 2010 staan. Nederland treft Denemarken, Japan en Kameroen die gemiddeld op een 33ste plaats van de FIFA-ranglijst staan. Oranje heeft het deze keer dus, in vergelijking met de aartsrivaal, althans op papier redelijk getroffen.
  • Het Duitse nationale elftal wordt gekenmerkt door eenheid. In het verleden was dit zeker niet altijd zo. Een affaire rond uit de hand gelopen drankgebruik en kaartspel (1982), het naar huis sturen van reservedoelman Uli Stein (1986) en van middenvelder Stefan Effenberg (1994), maken, naast de slechte verhouding tussen de spelers Jürgen Klinsmann en Lothar Matthäus (1994, 1998), duidelijk dat Oranje als bron van conflicten lang niet altijd alleen staat.
  • De Duitsers worden steevast door de eigen media in een underdogpositie wordt gemanoeuvreerd. Ook dit is niet juist. Wie de eindklassering van (West-)-Duitsland vergelijkt met de noteringen bij de bookmakers (Ladbrokes, William Hill) komt tot de volgende conclusie. Acht keer bleven de Duitse prestaties achter bij de verwachtingen: in 1978, 1988, 1992, 1994, 1998, 2000, 2004 en 2008 (!). Slechts vier presteerde ‘Die Mannschaft’ boven verwachting: in 1986, 1990, 1996 en 2002. In 1982 en 2006 voldeden de Duitse voetballers precies aan de noteringen van de bookies. Van een systematische outsiderpositie is dus geen sprake. (Voor 1980 en 1984 beschikken wij niet over data.)

Blijven over de mythe dat Duitsland altijd scoort in de laatste minuut en de mythe dat Duitsland onverslaanbaar is bij het nemen van strafschoppen. De combinatie van de twee zou voor grote successen zorgen. Gary Lineker, ooit onder andere midvoor van FC Barcelona formuleerde het als volgt: “Voetbal is een simpel spel; 22 mannen rennen 90 minuten lang achter een bal en aan het eind hebben de Duitsers gewonnen.” Michel Platini, de huidige voorzitter van de UEFA bracht het als volgt onder woorden: “Als de Duitsers goed spelen worden ze wereldkampioen, als ze slecht spelen komen ze in de finale.” En Youp van 't Hek zei eens dat “Duitsers pas verslagen zijn als hun bus de stad heeft verlaten.”

Het is de vraag of de mythe van het scoren in de laatste minuut klopt. We hebben het scoreverloop in ruim 1500 voetbalinterlands geanalyseerd en komen tot de conclusie dat er een kern van waarheid in zit (zie Van Ours en Van Tuijl, 2010). Het Duitse nationale team scoort vaker in de laatste minuut dan andere landen, maar daar staat tegenover dat ze ook vaker dan andere landen een doelpunt tegen krijgen in de laatste minuut. Verder zijn onze oosterburen inderdaad erg goed in het nemen van strafschoppen.

Mythe 1: Het scoren in de laatste minuut

De Duitsers scoren vaak in de laatste minuut van belangrijke wedstrijden. Drie voorbeelden:

  1. De finale van het WK van 1966 in Londen, tussen Engeland en West-Duitsland (2–2, 4–2 na verlenging), is vooral befaamd vanwege het omstreden derde Engelse doelpunt van Hurst in de eerste helft van de verlenging. In de reguliere speeltijd leek Engeland al wereldkampioen. In de allerlaatste minuut dwong de Keulse centrumverdediger Weber echter alsnog de legendarisch geworden verlenging af.
  2. Vier jaar later deed een andere centrumverdediger, Schnellinger, hetzelfde kunstje. In de halve finale van het WK tussen Italië en Duitsland (1–1, 4–3 na verlenging) waande de Squadra Azzurra zich al in de finale. Met zijn enige doelpunt in 47 interlands verstoorde de speler van het Italiaanse (!) AC Milan in de laatste minuut deze droom, zij het slechts voor ruim een half uur.
  3. In de finale van het EK van 1976 in Belgrado had Tsjecho-Slowakije bij het begin van de laatste minuut nog altijd een 2–1 voorsprong. Aanvaller Hölzenbein dwong via een treffer in de allerlaatste minuut een verlenging af. De strafschoppenserie die daarop volgde behoort tot de canon van de voetbalsport. Duitsland zou nadien nooit meer een strafschoppenserie op een groot toernooi verliezen, terwijl Panenka met zijn penaltyvariant een eponiem creëerde.

Dit zijn drie voorbeelden van treffers die slechts uitstel van executie betekenden, maar wel historische verlengingen inluidden. Verbeterde het Duitse resultaat eigenlijk wel eens door een doelpunt in de laatste minuut in een belangrijk duel? Jazeker! Cyprus (1–0, WK kwalificatie 1968), Frankrijk (2–0, halve finale WK 1986), het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (1–1, groepsfase EK 1992), Albanië (4–3, WK kwalificatie 1997), de Far Oer (2–0, EK kwalificatie 2003), Polen (1–0, groepsfase WK 2006) en Turkije (3-2, halve finale EK 2008) kunnen dit beamen.

Toch is de mythe van de laatste minuut naar onze mening niet op deze wedstrijden gebaseerd. Daarvoor zijn ze of uiteindelijk teleurstellend verlopen of weer net niet belangrijk genoeg. De mythe van de laatste minuut is veeleer de mythe van de slotfase. De tegenstander is met het hoofd al bij de verlenging en dan slaat Die Nationalelf meedogenloos toe. Al in 1954 besliste Rahn de WK-finale tegen Hongarije (3–2) amper zes minuten voor tijd. Zesendertig jaar later viel de beslissing tegen Argentinië (1–0) zelfs nog een minuutje later. Nederland was in 1974 waarschijnlijk al te veel met het hoofd bij de thee in de rust: Bomber Müller scoorde de achteraf beslissende 2–1 vlak voor het einde van de eerste helft. Ook België werd tijdens de finale van het EK in 1980 verrast in de slotfase. Twee minuten voor het einde bezorgde Kopfbal-Ungeheuer Hrubesch de Duitsers inderdaad met het hoofd hun tweede Europese titel. De derde werd in 1996 tegen Tsjechië behaald via een Golden Goal van Bierhoff. Alleen de waarschijnlijk beste (West-)Duitse ploeg aller tijden had in 1972 geen slotfase nodig. Tegen de Sovjet-Unie stond destijds na een krap uur de 3 – 0 eindstand al op het scorebord.

Om het kwantitatieve belang van het scoren in de laatste minuten van een wedstrijd na te gaan hebben we 1531 wedstrijden van de nationale teams van België, Brazilië, Duitsland, Engeland, Italië en Nederland gespeeld sinds 1960 geanalyseerd. Deze wedstrijden zijn gespeeld in kwalificatiewedstrijden voor het WK, het EK of het Zuid-Amerikaanse kampioenschap en de wedstrijden gespeeld tijdens die kampioenschappen. Tabel 1 toont de scoringsintensiteit voor elk van deze landen gedurende de eerste helft, de 45ste tot de 89ste minuut en gedurende de 90ste minuut – inclusief verlenging.

Tabel 1: Doelpunten – scoringskans per minuut (%)

Doelpunten – scoringskans per minuut (%)

Noot: Let wel, wedstrijden zonder verlenging; de laatste minuut is inclusief de blessuretijd. Duitsland vóór de hereniging = BRD & DDR afzonderlijk.

Bron: gebaseerd op Van Ours en Van Tuijl (2010)

Nederland heeft in de eerste helft elke minuut een kans van 2 procent om te scoren. In de tweede helft tot aan de laatste minuut is dat 2.5 procent en in de laatste minuut is de scoringskans 5,6 procent. Uiteraard wordt de hoge scoringsintensiteit in de laatste minuut beïnvloed door de blessuretijd die soms enkele minuten kan duren. Echter, het gaat om de verschillen tussen landen. Tabel 1 laat zien dat ook Engeland en Duitsland vaker dan gemiddeld in de laatste minuut scoren. Voor alle landen behalve Italië en Brazilië neemt de kans om een tegendoelpunt te krijgen toe. Voor Italië geldt zelfs dat ze in de ruim 250 wedstrijden nimmer een doelpunt in de laatste minuut tegen hebben gekregen. Alleen voor Duitsland neemt de kans om een doelpunt tegen te krijgen sterk toe naar het einde van een wedstrijd. Uit een nadere analyse van deze gegevens blijkt inderdaad dat Duitsland een uniek voetbalelftal heeft (zie voor details, Van Ours en Van Tuijl, 2010). Niet zozeer in termen van het scoren in de laatste minuut, als wel in het incasseren van doelpunten in de laatste minuut.

Mythe 2: Onverslaanbaar bij strafschoppen

Ook in de “knock-out” fase worden wedstrijden niet altijd beslist in de reguliere speeltijd. Vóór 1976 werd bij een gelijke stand de wedstrijd in zijn geheel overgespeeld of werd er geloot. Sinds 1976 in het Europese kampioenschap en vanaf 1982 tijdens wereldkampioenschappen worden strafschoppen gebruikt om wedstrijden te beslissen. De procedure is als volgt. Beide ploegen nemen – in principe - vijf strafschoppen. Deze penalty’s worden ‘om en om’ genomen. De penaltyreeks wordt afgebroken, zodra één van beide ploegen een aantal strafschoppen heeft benut, dat door de tegenstander niet meer kan worden gerealiseerd.

Stel dat beide ploegen vijf strafschoppen hebben genomen en daarbij een even groot aantal penalty’s hebben benut. In dat geval wordt de penaltyreeks voortgezet, totdat, nadat beide ploegen evenveel strafschoppen hebben genomen, de ene ploeg één penalty meer heeft benut dan de andere ploeg. Tabel 2 geeft een overzicht van de resultaten van de strafschopreeksen.

Tabel 2: Resultaten van strafschopreeksen

Resultaten van strafschopreeksen

Bron: Van Ours en Van Tuijl (2010)

België heeft een 100 procent score, maar heeft ook slechts aan één reeks deelgenomen. Van de andere landen heeft Duitsland duidelijk het beste resultaat. Van de zes strafschopreeksen hebben ze er vijf gewonnen, van de genomen strafschoppen hebben ze 90-94% benut. Het Nederlandse elftal dat slechts één van de vijf strafschopseries heeft gewonnen steekt daar mager bij af.

Is Duitsland een echte ‘Angstgegner’?

Zoals we al hebben gezien, scoort het Duitse nationale voetbalelftal wel relatief vaak in de laatste minuut, maar niet zo frequent dat dit angst in zou moeten boezemen. Bovendien krijgen ze, als gevolg van de aan hun drang naar voren verbonden risico’s, in die fase ook relatief vaak tegentreffers te incasseren. Wat maakt het Duitse elftal dan toch zo gevaarlijk? In de eerste plaats is voetbal voor Duitsers een beroep, niet slechts een spelletje. Ze worden dan ook vaak gekenmerkt door een ongekende wil om te winnen. In de knock-outfase zijn ze dan ook absoluut superieur gebleken aan Oranje. Het Nederlands elftal won vanaf 1974 zeven van de 19 knock-out wedstrijden (36,8 procent). Sinds 1960 wist Duitsland maar liefst 31 van de 44 knock-out wedstrijden zegevierend af te sluiten (70,5 procent). Oranje verloor twee maal de WK-eindstrijd, juist in toernooien waarin de finale de enige knock-out wedstrijd was. De hierboven al gememoreerde Duitse vaardigheid bij strafschoppenseries is hierbij een factor van vitaal belang. Voor Duitsland is de winst-verlies ratio 5–1 op grote toernooien en 4–0 op WK’s. Nederland komt niet verder dan 1–4 op grote toernooien en 0–1 op een WK. Ondanks de absentie van een aantal belangrijke spelers (Adler, Ballack, Rolfes) is het daarom toch wel een geluk dat Oranje voorlopig niet op Duitsland kan stuiten.

Referenties:

Ours, J.C. van, en M.A. Van Tuijl (2010), Country-specific goal-scoring in the “dying seconds” of international football matches, CentER Discussion Paper.

Vergouw, G. (2006), De Laatste Minuut: de 7 mythen van het Duitse voetbal, Bzztoh, Amsterdam, pp. 1-192.

Te citeren als

Jan van Ours, Martin van Tuijl, “Wat maakt Duitsland tot een Angstgegner op een WK? Mythen en harde feiten”, Me Judice, 26 mei 2010.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.