Wie Engels spreekt, is competitief

Wie Engels spreekt, is competitief image
17 jun 2010 |
Taal heeft invloed op de economie, bijvoorbeeld via politieke besluitvorming, stelt Arjen van Witteloostuijn. Een zachte g brengt vooroordelen met zich mee, hakkelend Nederlands spreken ook. Een experiment geeft aan dat wie in een Engelstalig land heeft gewoond, zich competitiever opstelt dan wie Nederland niet uit is geweest. De relatie tussen taal en economie in een steeds verder internationaliserende wereld vormt een vruchtbaar terrein voor nieuw onderzoek.

Taal doet er toe in de politiek, en in de economie

Tijdens de verkiezingscampagne leek het alsof journalisten niet in staat waren om niet naar de nieuwe SP-voorman Emile Roemer te verwijzen zonder te vermelden dat hij een Brabander was. Voor Randstedelingen is die zachte g blijkbaar verbonden met allerlei andere associaties die keer op keer moeten worden bevestigd. De grote winnaar van de verkiezingen – Geert Wilders – krijgt een nog drogere mond zodra hij iemand ziet van wie hij vermoedt dat die thuis Arabisch spreekt. Ook bij hem doemen vervolgens allerlei beelden op.

In België komt serieus economisch beleid niet van de grond, omdat vier miljoen Belgen niet of gebrekkig Nederlands spreken. Een Waal die alleen Nederlands kan hakkelen, wordt gezien als een vertegenwoordiger van een kwakkelend landsdeel. Bij de onderhandelingen tussen de Vlaming Bart De Wever en de Waal Elio Di Rupo zal het ontbreken van een gedeelde moedertaal de gesprekken ongetwijfeld bemoeilijken.

Taal doet ertoe, in de politiek, maar ook in de economie. In het Babylonische Brussel moet door bureaucraten, diplomaten en politici met tientallen verschillende moedertalen een uitweg worden gevonden in het ene na het andere hoofdpijndossier. Het is de vraag of dat de efficiëntie van de besluitvorming ten goede komt. In de bestuurskamer van veel multinationale ondernemingen is Engels de voertaal geworden. Dat geeft Engelstaligen een voorsprong.

Experiment

Een paar jaar geleden hebben wij in Groningen een experiment uitgevoerd om het inzicht in de relatie tussen taal en economisch gedrag te verdiepen. Ongeveer 360 eerstejaarsstudenten algemene en bedrijfseconomie kregen 36 keer de keuze voorgelegd om te concurreren of samen te werken met een collega-student. De beslissing was gegoten in de vorm van een zogenoemd gevangenendilemma, waarin elke individuele beslisser de volledige buit kan binnenhalen door zelf te concurreren terwijl de ander kiest voor samenwerking.

De studenten konden opteren voor een hoge of een lage prijs. Indien beiden hoge prijzen stelden, kon een kartelwinst worden verdeeld. Bij twee lage prijzen volgden verliezen ten gevolge van een prijzenoorlog. Als de één de ander onderbood, kon de laag geprijsde rivaal genieten van een megawinst ten koste van een megaverlies bij de hoog geprijsde concurrent. De helft van de studenten heeft het experiment in het Engels gedaan, en de andere helft in het Nederlands. Daarnaast is aan de studenten gevraagd of zij ten minste drie maanden hebben gewoond in een Angelsaksisch land. In de figuur staat samengevat hoe deze combinatie van variabelen – taal en buitenland – samenhangt met de beslissing tot concurrentie of samenwerking.

Wonen in Angelsaksisch land stuwt competitie

De eerste conclusie is dat de studenten in het Engels significant vaker kiezen voor concurrentie (overigens ook als wordt gecorrigeerd voor allerlei andere invloeden). De tweede conclusie is dat deze bevinding vooral opgaat voor studenten die ten minste drie maanden in een Angelsaksisch land hebben gewoond.

De vraag is wat deze uitkomsten kan verklaren. Een mogelijkheid is dat studenten het Engels associëren met de Angelsaksische – en vermoedelijk vooral Amerikaanse – cultuur. Die kent een sterke competitieve en individualistische oriëntatie.

Deze interpretatie wordt ondersteund door de bevinding dat vooral studenten die ten minste drie maanden in een Angelsaksisch land hebben gewoond, veel competitiever spelen. Taal werkt blijkbaar als trigger die studenten laat schakelen van de Nederlandse coöperatieve naar de Angelsaksische competitieve modus. Juist ook omdat het verblijf in een Angelsaksisch land het taaleffect enorm versterkt, is onwaarschijnlijk dat de omschakeling naar een vreemde taal, welke dan ook, de enige verklaring kan bieden.

Onderzoek dat cognitieve psychologie en economie samenbrengt

De vraag is uiteraard wat de uitkomsten van een eenvoudig experiment met 18- en 19-jarige economiestudenten uit Groningen zegt over de economische werkelijkheid. Op basis van de bevindingen kan daarover hooguit worden gespeculeerd. Heeft de omzetting van Shell/Koninklijke Olie van een Nederlandse nv in een Britse plc gevolgen voor de bedrijfscultuur en -strategie, zeker als het Engels in de bestuurskamer ook het monopolie heeft verworven? Als de bedrijfstop overstapt op het Engels terwijl de werkvloer dat niet doet, ontstaat dan een culturele tweedeling? Maakt het uit dat Angela Merkel en Nicolas Sarkozy noodgedwongen communiceren in accentrijk Euro-Engels? Maakt dat het lastiger om tot werkbare compromissen te komen die door beiden van dezelfde interpretatie worden voorzien?

Deze bespiegelingen zijn vooralsnog slechts speculaties. Dat maakt duidelijk dat hier een intrigerend onderzoeksterrein braak ligt. In de moderne economische wetenschappen is het populair inzichten vanuit de cognitieve psychologie over de werking van het brein te verwerken. Kruisbestuiving met linguïstiek staat nog in de kinderschoenen. Taal en economie – ook deze horen bij elkaar.

* Dit artikel is op 15 juni 2010 verschenen in Schinkels Forum, een samenwerking tussen NRC Handelsblad en Me Judice.

Te citeren als

Arjen van Witteloostuijn, “Wie Engels spreekt, is competitief”, Me Judice, 17 juni 2010.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.