Back

Artikel

Home

Waarom het Financieel Toetsingskader aan herziening toe is en niet het pensioenstelsel

8 mrt 2018
Dossiers: Pensioen
Onderwerpen: Pensioen
Binnenkort wordt door de Tweede Kamer het Financieel Toetsingskader onder de loep genomen. In aanloop naar dit debat nemen Bernard van Praag en Henk Hemmers een voorschot door te pleiten om nogmaals de aannames die ten grondslag liggen aan pensioenhervormingen tegen het licht te houden. Naar hun oordeel is het huidige pensioenstelsel houdbaar en is afschaffing van de doorsneesystematiek onnodig. Zij twijfelen aan de waarde van het begrip ‘dekkingsgraad’ als criterium voor de gezondheid van een pensioenfonds en pleiten voor een evaluatie op grond van de te verwachten kasstroom.

Pensioenprincipes

Een pensioenfonds is in wezen een collectieve spaarpot. Deelnemers in de regeling storten gedurende hun werkzame leven een premie in de pot. Het fonds belegt die premies en na pensionering betaalt het fonds een pensioen uit de collectieve spaarpot. Die spaarpot wordt gevuld uit de premies en de daarop behaalde beleggingsrendementen. Het grote voordeel van zo’n collectieve en verplichte regeling is natuurlijk dat het fonds in het algemeen veel beter kan beleggen dan de individuele deelnemer. Bij het fonds zit de deskundigheid die het individu in het algemeen ontbeert. Bovendien kan zo’n fonds in het algemeen meer risico’s nemen dan het individu, omdat zeperds in zo’n groot fonds worden gecompenseerd door briljante investeringen elders. Daardoor incasseert het fonds een risicopremie en kan het rendement veel hoger zijn, dan het individu kan maken. Bovendien functioneert het pensioenfonds ook als verzekering tegen het langlevenrisico en rentefluctuaties.

Politieke discussie

In Nederland hebben we volgens vele buitenlandse deskundigen (bijvoorbeeld OECD, Mercer) een uitstekend pensioenstelsel. In tegenstelling daarmee zijn Nederlandse deskundigen in het algemeen van mening dat ons stelsel ‘onhoudbaar’ is en drastische structurele wijzigingen behoeft. Een krasse verwoording van deze opinie gaf onlangs in Buitenhof (28 januari 2018) de president van De Nederlandsche Bank (DNB), maar ook minister Koolmees, vele leden van de SER en sommige economen binnen het pensioennetwerk Netspar ventileren deze mening. Daartegenover staat een kleine en groeiende groep van Nederlandse wetenschappers, bestuurders, vakbonden en politici, die het hartgrondig oneens zijn met deze dominante opinie (Mensonides en Frijns, 2018, De Jong, 2018; Nienhuis (2017) en Van Praag (2010, 2012)). Zie ook voor een internationale opinie het verhaal van het ICPM (2017). Zij zien geen enkele noodzaak voor een grootscheepse verandering van het huidige pensioensysteem.

Onder de term ‘onhoudbaarheid ‘ verstaan wij de situatie dat het fonds meer zal uitgeven dan het zal binnenkrijgen en daardoor op den duur leeg zou raken. Wij zijn hier niet zo bang voor (zie Van Praag en Hemmers, 2016). Een tweede probleem is wat in de volksmond de doorsneepremie wordt genoemd. Het gaat hier om de these dat jongeren meer betalen voor de opbouw van hun pensioenrechten dan ouderen, alsmede dat ouderen te weinig zouden betalen. Ook hiervoor vinden we in onze gesimuleerde resultaten weinig aanknopingspunten. Ten derde vinden we wel duidelijke aanknopingspunten voor een heroverweging van de positie van zzp-ers binnen een pensioenfonds

Rutte III

De politieke mening zoals onder andere verwoord in de regeringsverklaring van Rutte-III is dat wij moeten overgaan tot een ‘eigen potjes’–benadering waarbij elk individu of in ieder geval elke leeftijdsklasse een apart pensioenvermogen opbouwt en gedurende de pensionering weer afbouwt. Wij zijn geen voorstander van deze benadering, maar als gedachtenexperiment is zij zeer verhelderend voor een analyse van een systeem van aanvullende pensioenen.

Evaluatie toetsingskader broodnodig

De Wet Aanpassing Financieel Toetsingskader moet dit kwartaal worden geëvalueerd door het parlement. Dit lijkt een uitstekend moment voor een kritische bijdrage onzerzijds. Onze conclusie zal zijn dat er met de structuur van ons pensioensysteem weinig mis is. Er moet niet te veel waarde worden gehecht aan het begrip ‘dekkingsgraad’ ; onze analyse suggereert in feite dat het een invalide criterium is voor de evaluatie van de gezondheid van een pensioenfonds. Omdat wij er niet in slaagden de ‘black boxes’ van het CPB, DNB, en Netspar-geleerden te openen zijn wij in arren moede begonnen zelf maar een rekenprogramma te ontwikkelen om het huidige systeem te evalueren. Men kan van twee al sinds lang gepensioneerde wetenschappers niet verwachten dat hun model zo geraffineerd en gedetailleerd in elkaar is gestoken als de door de professionele staven van DNB en CPB ontwikkelde modellen. Niettemin menen wij dat ons model wel zo dicht bij de realiteit staat dat de uitkomsten (zie voor uitgebreide beschrijving bijlage) te denken geven en niet zomaar kunnen worden afgedaan en terzijde geschoven als irrelevante academische exercities.

Het denkmodel van het 'eigen potje'

Wij gaan uit van één geboortecohort en we nemen voor het gemak aan dat alle leden 86 jaar leven. Dit is ongeveer de huidige levensverwachting. We nemen aan dat iedereen start met een salaris van €30.000, dat volgens een bepaald leeftijdsprofiel stijgt met de leeftijd. In ruil voor de premiebetaling wordt elk jaar 1,8% van het pensioengevend inkomen bijgeschreven als pensioenrecht, zodat op de leeftijd van 67 een pensioenbedrag is bijeengegaard van ongeveer 75 procent van het middelloon. In de actieve jaren wordt de pensioenpot elk jaar gevuld met een premie van 20 procent van het pensioengevend inkomen, d.w.z. het bruto-inkomen minus een door cao- partijen vastgestelde franchise. Tevens rendeert het reeds geaccumuleerde spaargeld met een rente van 5 procent per jaar. Deze rente- veronderstelling is absoluut niet onrealistisch voor de lange termijn. Op de leeftijd van 67 jaar wordt men pensioengerechtigd en het pensioenvermogen neemt af door de betaling van het pensioen, maar het wordt ook bijgevuld door de binnen vloeiende rendementen.

Het is een simpele zaak om met behulp van een eenvoudig rekenprogramma de ontwikkeling van het pensioenvermogen te volgen tot het levenseinde van het cohort bereikt is. De hamvraag is of het pensioenfonds aan het eind van de rit niet onder water komt te staan? Is het restvermogen weinig of negatief, dan is het pensioensysteem onhoudbaar. De eindsom die wij vinden bij een situatie zonder indexatie is dat op de leeftijd van 86 jaar per individu ongeveer 1,2 miljoen euro in de pot blijft zitten. Dit lijkt dus geen onhoudbare situatie. Wanneer men de dekkingsgraad berekent op basis van een marktrente van 1,5%, dan blijkt de dekkingsgraad van dit fonds 266 procent. Eerlijk is eerlijk, we hebben geen rekening gehouden met onzekerheid of de kans dat er nogmaals een grote recessie plaatsvindt. Wij zijn daarom zeker niet tegen het aanhouden van buffers. Ze hoeven echter ook weer niet exorbitant te zijn.

Uitkomsten voor een welvaartsvast pensioen

Bij deze berekeningen hebben we een essentiële factor buiten beschouwing gelaten: de structurele stijging van het nominale loon veroorzaakt door productiviteitsstijging en/of inflatie. Wij bekeken dan ook de ontwikkeling van het pensioenvermogen van het cohort, wanneer de lonen geacht worden elk jaar met 2,5% te stijgen. Wij gaan ervan uit dat ook de pensioenrechten geïndexeerd worden met diezelfde 2,5%,een welvaartsvast pensioen dus. In dat geval blijft er een positief eindsaldo van iets meer dan €300.000. Wanneer we de dekkingsgraad berekenen waarbij we uitgaan van een indexatie- verplichting voor de pensioenen, dan komt de dekkingsgraad in dit geval uit op 81 procent. Wanneer wij ons zouden baseren op een hogere marktrente dan wordt de berekende dekkingsgraad uiteraard hoger. De vraag rijst nu of de dekkingsgraad, ongeacht de hoogte van de gehanteerde ´marktrente´, wel een juiste maat is om de gezondheid van een pensioenfonds te meten. Ons inziens moeten daar grote vraagtekens bij worden gezet. In feite zijn er twee methodes om de gezondheid van een pensioenfonds te meten. De eerste berust op het vertrouwde dekkingsgraad- criterium. De tweede berust op het gadeslaan van de ‘kasstroom’. Hoe ontwikkelt zich de pensioenreserve door bijtelling van premies en rendement en aftrek van pensioenuitkeringen over de levensduur van het cohort en is die te allen tijde positief . Huiselijk gezegd, houden we aan het eind van de rit wat over? Gezien het feit dat de twee methodes van dekkingsgraad en kasstroom tot diametraal verschillende uitkomsten kunnen komen lijkt een herwaardering van het dekkingsgraad criterium gewenst. Wij pleiten voor een evaluatie met het meer realistische en begrijpelijke kasstroomcriterium.

Doorsneepremie

Dezelfde benadering is ook mogelijk om de verhalen over de doorsneepremie te beoordelen. Bij de meeste pensioenregelingen geldt een leeftijdsonafhankelijk premiepercentage van bijvoorbeeld 20%. Sinds enige jaren wordt te hoop gelopen tegen dit principe op basis van de volgende redenering. Wanneer een 25-jarige een premie betaalt van €1000 blijft die nog minstens 40 jaar renderen ,terwijl bij een 64-jarige nog maar één jaar rendement wordt gemaakt. Senior en junior verdienen hetzelfde additionele pensioenrecht van 1,75%. Impliceert deze ongelijkheid niet dat de jongere veel meer rechten zou moeten verdienen met zijn premie dan de oudere deelnemer? En zou dat dan niet moeten impliceren, dat de jongere ofwel een lager percentage premie dan de oudere zou moeten betalen voor dezelfde opbouw van rechten, ofwel dat de oudere een lager recht zou moeten opbouwen dan de jongere voor dezelfde premie? Op basis van de kasstroomaanpak blijkt dit toch een wat slordige redenering. We kunnen de jaarlijkse aangroei van het vermogen met premie en rendement interpreteren als een aankoopprijs, waarvoor we een extra pensioenrecht kopen. Dat pensioenrecht heeft een contante waarde (op basis van 1,5% rente). Het is interessant om nu per leeftijd na te gaan of die aankoopprijs hoger of lager is dan de aankoopprijs van het verworven pensioenrecht, en/of die aankoopprijs per euro aangekocht pensioenrecht stijgt of daalt met de leeftijd. Wij komen tot de conclusie dat het precies van de gemaakte veronderstellingen afhangt wat de uitkomst is. Veelal vinden wij dat de jongere minder betaalt dan de oudere en dat is in strijd met de volkswijsheid over de doorsneepremie. Dat komt omdat niet alleen de premie-betaling van de oudere maar ook het behaalde rendement over het reeds geaccumuleerde pensioenvermogen in de aankoopsom moet worden begrepen. Naarmate men ouder wordt, wordt de premie van minder belang omdat zij nog relatief kort zal 'oprenten', maar daarentegen wordt het rendement op het aangroeiend kapitaal steeds groter. Onze benadering lijkt ons meer realistisch omdat wij in de ‘aankoopprijs´ niet alleen de betaalde premie meenemen maar ook het rendement op het vermogen waarmee de cohortreserve vermeerderd is.

De situatie van de ZZP-er

De zzp-problematiek kan met hetzelfde model worden geanalyseerd. Stel dat het cohort op de leeftijd van 40 jaar ophoudt met werken in loondienst. Er vindt dus geen verdere premiebetaling en pensioenopbouw plaats. De reeds verworven rechten (inclusief een eventuele indexatie) blijven echter staan. In dat geval blijkt bij het volgen van de kasstroom en een rendement op het vermogen van 5%, dat er aan het einde van de rit nog een half miljoen euro in de kas achter blijft. Er lijkt ook hier dus ruimte voor een hoger pensioen.

In onze analyse hebben we getracht de pensioenproblematiek te demystificeren. Met een eenvoudig model volgen wij de opbouw en afbouw van een cohort- rekening. We gaan hierbij uit van parameters die weliswaar geen algemene geldigheid te hebben, maar die wel voor Nederlandse pensioenfondsen normaal zijn . Dat wil zeggen een premie van 20% van de pensioengrondslag, een opbouw per jaar van 1,8%, en een indexatie van lonen en pensioenen van 2,5%, en een gemiddeld langetermijnrendement van 5%. Omdat we in feite uitgaan van een gemiddeld lid van een cohort, kunnen we abstraheren van een mortaliteitsrisico. Omdat we een 60 -jarige periode simuleren nemen we ook aan dat de rendementen niet fluctueren, maar gelijk zijn aan het gemiddelde rendement over de periode. We zouden willekeurige rente-fluctuaties kunnen invoeren, maar die leiden tot een meer complex model zonder dat dat onze boodschap in essentie zou veranderen. Onze bevindingen met dit model worden hieronder tot slot opgesomd en besproken.

Conclusie en discussie

Onder redelijke aannames concluderen wij dat het huidige pensioenstelsel houdbaar is. Bij een premie van 20% blijkt aan het eind van de rit er altijd nog een behoorlijke reserve over te blijven. De kans op een deconfiture van het cohort lijkt vrijwel afwezig. Er lijkt dus geen reden voor paniek omtrent de stand van de Nederlandse pensioenen. Men zou zich zelfs kunnen afvragen of er geen ruimte is voor het verlagen van de premie of het verhogen van het pensioen. Uiteraard moeten we een buffer houden voor het pareren van de ‘kwade kansen’. Verdere simulaties met een stochastisch model zijn nodig om deze eventueel aanwezige ruimte af te schatten.

Het dekkingsgraadcriterium is naar onze mening geen valide criterium om de gezondheid van het fonds te evalueren. Het lijkt dus verstandig om te zoeken naar een alternatief voor het dekkingsgraadcriterium. De door ons gebruikte kasstroombenadering lijkt daarvoor een bruikbaar uitgangspunt te bieden.

Uitspraken over ongelijke behandeling van jongeren en ouderen in de zin dat jongeren veel meer zouden betalen voor hun pensioenopbouw dan ouderen blijken sterk af te hangen van de gebruikte parameterwaarden, en blijken in de door ons bekeken gevallen geen algemene geldigheid te hebben. Deze argumentatie voor het afschaffen van de doorsneepremie lijkt dus ondeugdelijk. Diegenen die voor pensionering uit het systeem stappen om zzp-er te worden behoeven geen schade te lijden. Het tot vertrek opgebouwde pensioenvermogen kan worden uitgerekend en aan hen worden meegegeven. Het is dus in principe ook mogelijk dit onvolledige pensioen met indexatie uit te voeren, en dus de zzp-er in het fonds te houden.

Uitspraken over ongelijke behandeling van jongeren en ouderen in de zin dat jongeren veel meer zouden betalen voor hun pensioenopbouw dan ouderen [..] blijken in de door ons bekeken gevallen geen algemene geldigheid te hebben.

Onze analyse is uitgevoerd op de levensgang van één cohort. Geboortecijfers spelen daarbij geen rol. Men hoort vaak de bewering dat de krimp van onze bevolking ertoe leidt dat jongeren niet meer of alleen tegen hoge premies de pensioenen van de ouderen kunnen financieren. Dat moge zo zijn bij een omslagstelsel zoals de AOW. Bij onze analyse waarbij elk cohort zijn eigen reserves opbouwt en gedurende de pensionering (gedeeltelijk) weer opsoupeert, heeft het geboorteproces geen enkele invloed. Hieruit volgt, dat demografische argumenten gebaseerd op een waargenomen langdurige krimp van de bevolking geen betekenis hebben voor uitspraken over de al of niet houdbaarheid van ons aanvullende pensioen.

Uit het voorgaande zou kunnen worden geconcludeerd dat wij een stelsel van individuele potjes of een fondsvorming per geboortecohort zouden toejuichen. Integendeel, dat lijkt ons een heel ongewenste ontwikkeling. Dat ligt grotendeels aan het risico-aspect dat wij buiten ons model hebben gehouden. Het individu kan worden geconfronteerd met het langlevenrisico, dat wil zeggen dat zijn individuele potje is opgesoupeerd terwijl de kans bestaat dat het individu langer leeft dan verwacht. In een collectiviteit van leeftijdgenoten is dat geen probleem. Het langer leven van het ene individu wordt gedekt uit het korter leven dan gemiddeld van een leeftijdgenoot. Op dezelfde wijze lijkt het verstandig verschillende geboortecohorten in hetzelfde collectief te verzekeren. Bij een aanpak van gescheiden cohortrekeningen ontstaan er de ‘pech’- en ‘geluks’-generaties, afhankelijk van de uitkomst van de waarde van het pensioenvermogen dat afhangt van fluctuaties op de beurs. Wanneer de verschillende cohorten gedekt worden in één collectief worden ook deze beursrisico’s afgedekt. Een tweede reden om de verschillende geboortecohorten in één collectief te houden is natuurlijk gelegen in de kosten.

Zoals reeds opgemerkt is onze analyse gebaseerd op een vereenvoudigd model. Bovendien realiseren wij ons dat de ‘houdbaarheid’ van het systeem, dat wil zeggen de vraag of het opgebouwde pensioenvermogen van een cohort gedurende pensionering voldoende zal blijken om de rit uit te zingen en niet uit te draaien op een faillissement sterk afhangt van de waarden van onderliggende parameters als rendement, indexatie, premiepercentage en opbouwpercentage. Toch lijkt onze analyse sterke indicaties op te leveren, dat ons huidige stelsel ‘houdbaar ’ is zonder dat stelselwijzigingen nodig zijn. Alleen de positie van de zzp-ers komt in aanmerking voor verbetering.

Het lijkt verstandig dat de deskundige autoriteiten zoals DNB, betrokken ministeries, CPB en Pensioenfederatie mede op basis van onze analyse en hun eigen meer verfijnde modellen het huidige systeem gaan herevalueren met de kasstroommethode alvorens het (beminde) kind met het badwater weg te gooien.

Referenties:

ICPM, 2017, An Outsider’s View on the Dutch Pension Reform , Discussion Forum in Amsterdam October 15-17 2017.

Jong, H. de, 2018, “De hervorming van een goed pensioenstelsel”, Me Judice, 30 januari 2018.,

Mensonides, J., en J. Frijns, 2018, “Collectief pensioenstelsel verdient een beter toezichtskader”, Me Judice, 19 februari 2018.,

Nienhuis, E., 2017, “DNB vloert pensioenstelsel met rekenrentemethodiek”, Me Judice, 11 januari 2017.

Praag, B.M.S. van, en H. Hemmers, 2016, Nederlandse pensioentoezichthouder is te voorzichtig in berekening dekkingsgraad , Me Judice, 8 september 2016.,

Praag, B.M.S. van, 2012, “Hoe fabels over de rekenrente het pensioendebatdoen ontsporen”, Me Judice, 15 september 2012.,

Praag, B.M.S. van, 2010, “De afbraak van het pensioenstelsel is in de maak”, Me Judice, 15 oktober 2010.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2019 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik